Rechtbank Overijssel, 20-02-2015 / 08/760085-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:924

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 44-jarige man Enschedeër tot een voorwaardelijke celstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 110 uur voor het exploiteren van een hennepkwekerij in een woning in Enschede. De man wordt vrijgesproken van brandstichting in die woning, diefstal van elektriciteit en een kwekerij op een andere plaats. Er kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de man betrokken was bij de feitelijke handelingen die tot de woningbrand hebben geleid.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
08/760085-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/760085-14

Datum vonnis: 20 februari 2015


Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 februari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.A.L. Pustjens en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 12 april 2014, al dan niet in vereniging, brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 1] in Enschede; dan wel dat het, al dan niet in vereniging, aan zijn schuld te wijten is dat in voornoemde woning brand is ontstaan; dan wel dat hij opzettelijk en al dan niet in vereniging het elektriciteitswerk in voornoemde woning heeft vernield; dan wel dat het, al dan niet in vereniging, aan zijn schuld te wijten is dan het elektriciteitswerk in die woning is vernield;

feit 2: in de periode van 1 maart 2014 tot en met 12 april 2014, al dan niet in vereniging, hennep heeft geteeld in een pand aan de [adres 1] in Enschede, dan wel aldaar opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad;

feit 3: in de periode van 9 februari 2014 tot en met 12 april 2014, al dan niet in vereniging, elektriciteit heeft weggenomen uit een woning aan de [adres 1] in Enschede;

feit 4: in de periode van 1 maart 2014 tot en met 15 april 2014, al dan niet in vereniging, hennep heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] in Enschede, dan wel aldaar opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij op of omstreeks 12 april 2014 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een (rijtjes)woning (perceel [adres 1]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk in die woning in de meterkast de schroefzekeringen verwijderd of laten verwijderen en/of een stroomkabel aangelegd en/of laten aanleggen (die via het plafond werd doorgetrokken naar de zolderverdieping van die woning) en/of

een aantal condensatoren en/of assimilatielampen geinstalleerd en/of laten installeren en/of deze in werking gesteld of in werking laten stellen , in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en/of (een) bewoner(s) van die belendende percelen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 12 april 2014 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in de meterkast van een (rijtjes)woning (perceel [adres 1])

de schroefzekeringen verwijderd of laten verwijderen en/of een stroomkabel aangelegd en/of laten aanleggen (die via het plafond werd doorgetrokken naar de zolderverdieping van die woning) en/of een aantal condensatoren en/of assimilatielampen geinstalleerd en/of laten installeren en/of deze in werking gesteld of in werking laten stellen , in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en/of (een) bewoner(s) van die belendende percelen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen ontstond;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat


hij in omstreeks de periode van 01 februari 2014 tot en met 12 april 2014 te Enschede,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een electriciteitswerk (een zogenoemde elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand gelegen aan de [adres 1]) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt, een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) in dat pand in de meterkast de schroefzekeringen verwijderd of laten verwijderen en/of een stroomkabel aangelegd en/of laten aanleggen (die via het plafond werd doorgetrokken naar de zolderverdieping van dat pand) en/of een aantal condensatoren en/of assimilatielampen geinstalleerd en/of laten installeren en/of deze in werking gesteld of in werking laten stellen , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest en/of levensgevaar voor [slachtoffer] en/of voor een of meer andere personen te duchten is geweest;







ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat


hij in omstreeks de periode van 01 februari 2014 tot en met 12 april 2014 te Enschede,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een electriciteitswerk (een zogenoemde elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand gelegen aan de [adres 1]) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt, een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft veroorzaakt,

en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, door in de meterkast van dat pand de schroefzekeringen te verwijderen of te

laten verwijderen en/of een stroomkabel aan te leggen en/of aan te laten leggen (die via het plafond werd doorgetrokken naar de zolderverdieping van dat pand) en/of een aantal condensatoren en/of assimilatielampen te installeren en/of te laten installeren en/of deze in werking te stellen en/of in werking te laten stellen ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest en/of levensgevaar voor [slachtoffer] en/of voor een of meer andere personen te duchten is geweest;


2.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 12 april 2014 te Enschede tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen. opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1]) ongeveer 475 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


3.

hij in of omstreeks de periode van 9 februari 2014 tot en met 12 april 2014 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een electriciteitskast in) een woning ([adres 1]) heeft weggenomen (minimaal) 12.808 kWh, in elk geval een hoeveelheid electriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of (een) valse sleutel(s) ;


4.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 15 april 2014 te Enschede tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) ongeveer 159 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte als medepleger van deze feiten dient te worden aangemerkt.


De raadsman heeft zich, zakelijk weergegeven, op het volgende standpunt gesteld.

Voor feit 1 primair dient vrijspraak te volgen, omdat voor het stichten van brand, zoals ten laste is gelegd, een actieve handeling nodig is. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

Ook blijkt uit het dossier niet dat sprake was van gevaar voor het leven of voor zwaar lichamelijk letsel, immers was de brand op de zolder van de woning, terwijl mevrouw [slachtoffer] beneden in de woning was, zodat ook dat deel van het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ook voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde dient vrijspraak te volgen, nu niet bewezen is dat verdachte betrokken was bij het manipuleren van de stroomvoorziening. Datzelfde geldt voor de onder 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair tenlastegelegde feiten.

De raadsman concludeert voorts tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. Verdachte heeft in eerste instantie ten overstaan van de politie weliswaar verklaard dat de hennepkwekerij aan de [adres 1] in Enschede van hem was, maar hij heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris genuanceerd en daar verklaard dat hij hooguit wat hand- en spandiensten heeft verricht, zoals het sjouwen van potten. Juridisch zou dit hooguit kwalificeren als medeplichtigheid, maar dit is niet ten laste gelegd, zodat vrijspraak dient te volgen. De raadsman merkt ten aanzien van de aanvankelijke bekentenis van verdachte nog op dat in de loop van het onderzoek genoegzaam is gebleken dat verdachte met die bekentenis de bewoonster van perceel [adres 1] in Enschede, mevrouw [slachtoffer], wilde beschermen. Ten aanzien van de verklaringen van [slachtoffer] en [naam] concludeert de raadsman dat deze om verschillende redenen als onbetrouwbaar terzijde kunnen worden geschoven.

Voor feit 3 dient volgens de raadsman vrijspraak te volgen, nu niet vast staat dat verdachte op enigerlei wijze bij de diefstal van stroom is betrokken. Tot slot dient ook voor feit 4 vrijspraak te volgen. Verdachte ontkent dat feit en als bewijsmiddel is er slechts de verklaring van [naam] die verdachte beschuldigt. In een latere verklaring wordt verdachte echter volledig door [naam] vrijgepleit van betrokkenheid bij deze kwekerij. Dat verdachte wetenschap had van de kwekerij, is volstrekt onvoldoende om hem als medepleger aan te merken.


5.1

De beoordeling van het bewijs


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 3 en sub 4 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank heeft, wat betreft feit 1, overwogen dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte (in de pleger- of medepleger variant) betrokken was bij het verrichten van de in de tenlastelegging omschreven feitelijke handelingen die tot de brand hebben geleid. Om deze reden dient een integrale vrijspraak van feit 1 te volgen.

De rechtbank zal ook geen waarde hechten aan de eerste verklaring van verdachte dat hij de eigenaar is van de in dat pand aangetroffen hennepkwekerij en dat hij de stroom heeft omgeleid, mede gelet op de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2014 (blz. 52) waarin de verbalisanten verklaren dat zij niet de indruk hadden dat verdachte de gevolgen van hetgeen hij verklaarde kon overzien. De rechtbank gaat derhalve uit van de een latere verklaring waarin verdachte verklaart dat hij niet heeft geholpen met de elektriciteit.

Ook voor de feiten 3 en 4 ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte als pleger of als medepleger van die feiten kan worden aangemerkt.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


2.

hij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 12 april 2014 te Enschede tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [adres 1] een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.


In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het onder 2 bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft met een ander of anderen een hennepkwekerij van aanmerkelijke omvang geëxploiteerd.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Daarin staat dat voor een feit als het onderhavige een werkstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand passend is.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de inhoud van het (beknopte) reclasseringsadvies over verdachte van 2 december 2014.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte, op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de beslissing van het Parket Oost Nederland van 23 september 2014, waarbij aan verdachte als transactievoorwaarde een werkstraf van 50 uren is opgelegd.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een straf als na te melden passend en geboden is.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.






10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tot en met nog meer subsidiair, het onder 3 en het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 110 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 dagen;
  • - beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. I.C.E. Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.

Buiten staat

Mr. Stam en mr. Draisma zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.