Rechtbank Overijssel, 20-02-2015 / 08/730228-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:925

Inhoudsindicatie
Rechtbank Overijssel veroordeelt een man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 220 uur voor het hebben van een hennepkwekerij in Enschede. Een medeverdachte in de zaak is vrijgesproken.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
08/730228-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/730228-14

Datum vonnis: 20 februari 2015


Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] (Irak),

wonende in [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 februari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.A.L. Pustjens en van hetgeen door de raadsman mr. Vlug, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013:

feit 1: (primair) al dan niet in vereniging opzettelijk hennepplanten heeft geteeld of aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] te Enschede, dan wel (subsidiair) in dit pand hennepplanten heeft geteeld of aanwezig heeft gehad, dan wel (meer subsidiair) medeplichtig is geweest aan het in dit pand opzettelijk telen van hennepplanten of aanwezig hebben van hennep;

feit 2: al dan niet in vereniging stroom heeft weggenomen.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) (in totaal) ongeveer 1262, in ieder geval 631, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;



ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) (in totaal) ongeveer 1262, in ieder geval 631, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat


[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de

[adres] (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 1262, in ieder geval 631, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of dat/die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;


2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

36.094 kWh, althans een (grote) hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak

en/of verbreking;


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen en heeft gevorderd dat verdachte daarvoor wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en daarnaast tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voor het geval sprake zou zijn van in beslag genomen goederen, vordert de officier van justitie, de verbeurdverklaring van die goederen.



4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft zich, op het moment dat de politie in zijn winkel kwam, uiterst verdacht gedragen. Hij deed zich voor als medewerker, terwijl hij eigenaar van de zaak is en heeft vervolgens de winkel enige tijd verlaten. Zijn verklaringen zijn ongeloofwaardig en tegenstrijdig. Bovendien is het gelet op de situatie ter plaatse en de omvang van de kwekerij, ongeloofwaardig dat verdachte daar als huurder van het pand niets van heeft gemerkt. De inkomenssituatie van verdachte roept ook veel vragen op. De officier van justitie houdt verdachte en medeverdachte verantwoordelijk voor het opzetten van de kwekerij en is van mening dat feit 2, de diefstal van stroom, daarmee ook wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie dient te luiden dat er weliswaar uitermate verdachte omstandigheden zijn, maar dat uit niets blijkt dat verdachte wetenschap had van dan wel betrokken was bij de hennepkwekerij. Dat er vragen kunnen worden gesteld bij de inkomenssituatie, betekent niet dat verdachte betrokken is bij de hennepkwekerij. Er is slechts één belastende verklaring voorhanden en wel van de medeverdachte [medeverdachte]. Juist van [medeverdachte] wordt een dactyspoor aangetroffen bij de hennepkwekerij. De medeverdachte ontkent iedere betrokkenheid en zijn voor verdachte belastende verklaring kan, als zijnde ongeloofwaardig, niet voor het bewijs gebezigd worden. Het is weliswaar juist dat verdachte kort na de komst van de politie is vertrokken, maar hij is uit eigen beweging teruggekomen met een sleutelbos. Deze onlogische gang van zaken kan simpelweg verklaard worden door het feit dat verdachte de Nederlandse taal niet heel goed beheerst.

Op 19 mei 2013 is er in het betreffende perceel een nieuwe elektriciteitsmeter en een nieuwe ketel geplaatst. Dit had wellicht enige duidelijkheid in deze zaak kunnen verschaffen, maar daar is geen verder onderzoek naar gedaan. Nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dient verdachte integraal te worden vrijgesproken.


5.1

De beoordeling van het bewijs


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [adres]

[adres]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;



2.

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.


In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank heeft de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

  • - verdachte is de hoofdhuurder van het perceel [adres];
  • - medeverdachte [medeverdachte] heeft een geloofwaardige, voor verdachte belastende verklaring afgelegd;
  • - verdachte heeft bij het eerste contact met de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] verklaard een personeelslid te zijn en geen sleutel te hebben van de boven de winkel gelegen woning;
  • - nadat voornoemde verbalisanten de winkel hadden verlaten en hun collega [verbalisant] – die buiten stond - vertelden dat zij geen sleutel hadden om via de achterdeur de woning te bereiken, bleek verdachte de winkel te hebben afgesloten en was hij vertrokken;
  • - verdachte heeft, na zijn terugkomst en nadat de hennepkwekerij door de verbalisanten was ontdekt, ongevraagd meegedeeld dat hij niets met de hennepkwekerij te maken had;
  • - in de winkel was een tussendeur die toegang gaf naar de gang en de trap naar de bovenverdiepingen. Op de bovenverdiepingen is de hennepkwekerij aangetroffen. De tussendeur was afgesloten met een houten plaat. Deze houten plaat was met enkele schroeven bevestigd aan de tussendeur. De kruiskopschroeven waarmee de houten plaat op de deur was bevestigd, waren meermalen in en uit de plaat geschroefd, terwijl naast de tussendeur een accuboormachine stond waarmee de kruiskopschroeven verwijderd konden worden;
  • - die kunstmatig dichtgemaakte opgang was alleen bestemd om vanuit de winkel naar de bovenverdieping(en) van het pand toe te gaan;
  • - de stroom werd illegaal afgetapt vanaf een zogenaamde slapende aansluiting en die illegale aftakking bevond zich in de kelderruimte van [adres] en was alleen te bereiken vanuit het winkelgedeelte;
  • - langs de trapleuning naar de bovenverdieping was een dikke grijze stroomkabel geleid;
  • - de kwekerij bestond uit drie kweekruimtes. In kweekruimte 1 stonden 260 planten, in kweekruimte 2 stonden 192 planten en in kweekruimte 3 stonden 179 planten.

Door de gebezigde wettige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd met de hiervoor geschetste omstandigheden heeft de rechtbank ook de overtuiging gekregen dat verdachte zich aan de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft schuldig gemaakt.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet (feit 1) en de artikelen 311 en 310 van het Wetboek van Strafrecht (feit 2). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;


feit 2 het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep en het illegaal wegnemen van elektriciteit.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Daarin staat dat voor feiten zoals onder 1 bewezenverklaard, een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden passend is.

Genoemd oriëntatiepunt ziet niet mede op de diefstal van elektriciteit. De rechtbank acht om deze reden een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet.

10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 220 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 110 dagen;
  • - beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de in verzekering doorgebrachte dag, twee uren aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. H. Stam en

mr. I.C.E. Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.

Buiten staat

Mrs. Stam en Draisma zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.