Rechtbank Overijssel, 20-02-2015 / Awb 14/2818


ECLI:NL:RBOVE:2015:926

Inhoudsindicatie
Toegekende WGA-uitkering voor 41,47% verhaalt op eiseres als eigenrisicodrager; geen sprake van situatie als bedoeld in het derde lid van artikel 72 van de WIA; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
Awb 14/2818
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2818


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


H.A. Ezendam Installatietechniek B.V., te Hengelo, eiseres,

gemachtigde: mr. M.J. IJzer,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: L.A.P. ter Laak).



Procesverloop


Bij besluit van 16 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aan de heer [betrokkene] per 19 november 2012 toegekende uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voor 41,47% onder haar risico als eigenrisicodrager valt en aan eiseres wordt toegerekend.

Bij besluit van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


1De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


De heer [betrokkene] (hierna: de betrokkene) werkte voor 16 uur per week bij eiseres en voor 8 uur per week bij Decokay Woerdman Eijssink B.V. Daarnaast ontving betrokkene een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) vanwege de beëindiging van zijn werkzaamheden voor 16 uur per week bij Decokay Eijssink Siemerink. Betrokkene heeft zich op 22 november 2010 zowel voor zijn werkzaamheden als vanuit de WW ziek gemeld. Betrokkene is per 1 september 2011 hersteld gemeld voor zijn werkzaamheden bij eiseres en bij Decokay Woerdman Eijssink B.V. Naar aanleiding van de ziekmelding vanuit de WW heeft betrokkene gedurende de wachttijd van 104 weken een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Bij besluit van 28 september 2012 heeft verweerder aan betrokkene met ingang van 19 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder het kopje “Procesverloop”.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 februari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:488, op het standpunt dat de uitzonderingsbepaling van artikel 72, derde lid, van de WIA niet van toepassing is, nu deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin de werknemer met twee dienstverbanden slechts in een dienstverband uitvalt en in het andere dienstverband, zonder uitval, volledig is blijven werken. De wettekst biedt onvoldoende ruimte om aan te nemen dat de uitzonderingssituatie ook geldt bij uitval gevolgd door werkhervatting. Er is geen sprake van een situatie dat eiseres er op kon vertrouwen dat ook in de situatie van betrokkene overeenkomstig een eerdere (onjuiste) beslissing zou worden beslist.

Artikel 82, vierde lid, van de WIA is volgens verweerder ook niet van toepassing, nu betrokkene het recht op uitkering op grond van de Ziektewet niet ontleend aan het dienstverband met eiseres maar aan de WW-uitkering die hij ontving.

3. Eiseres voert aan dat de uitzonderingsbepaling van artikel 72, derde lid, van de WIA wel van toepassing is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de tekst in artikel 72, derde lid, van de WIA “arbeid is blijven verrichten”, dient te worden bezien op het moment van einde wachttijd. Ter onderbouwing is verwezen naar de uitspraak van 8 oktober 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2013:8331, waarin sprake is van een vergelijkbare situatie en artikel 72, derde lid van de WIA wel van toepassing is geacht. De Nota naar aanleiding van het Verslag, Tweede Kamer, 1996-1997, 24 698, nr. 9, biedt voor dit standpunt ook aanknopingspunten. Eiseres draagt alleen het risico voor zijn eigen werknemers en het kan niet de bedoeling zijn dat eiseres ook het risico draagt voor werknemers die bij haar gere-integreerd zijn. Ter zitting heeft eiseres nog een beroep gedaan op artikel 82, vierde lid, van de WIA.

4. De rechtbank overweegt als volgt.


4.1

In geschil is of verweerder terecht de aan betrokkene per 19 november 2012 toegekende WGA-uitkering voor 41,47% verhaalt op eiseres.

4.2

Artikel 72, eerste lid, van de WIA bepaalt dat indien de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet bij aanvang van de wachttijd meer dan één werkgever heeft, de uitkering door het UWV betaald wordt, ook indien een of meer werkgevers eigenrisicodrager zijn. Op grond van het tweede lid verhaalt het UWV in de situatie, bedoeld in het eerste lid, naar rato van de loonsom de door hem verschuldigde uitkering op grond van deze wet (…). Ingevolge het derde lid van artikel 72 van de WIA wordt de uitkering op grond van deze wet niet verhaald op de eigenrisicodrager, indien de persoon die recht heeft op die uitkering met behoud van hetzelfde loon bij die werkgever arbeid is blijven verrichten.

4.3

Artikel 82, eerste lid, van de WIA bepaalt dat de eigenrisicodrager gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen periode nadat het recht op een WGA-uitkering is ontstaan, het risico draagt van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. Voor zover hier van belang is in het vierde lid van artikel 82 van de WIA bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien de uitkering wordt toegekend aan de verzekerde die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan, recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet.

4.4

Artikel 84, eerste lid, van de WIA bepaalt dat de eigenrisicodrager vanaf het moment dat hij eigenrisicodrager wordt overeenkomstig artikel 82 het risico draagt van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot hem in dienstbetrekking stond, ook als die wachttijd is ingegaan vóór de dag waarop deze werkgever eigenrisicodrager werd.

4.5

Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres eigenrisicodrager is. Voorts staat tussen partijen vast dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van betrokkene 22 november 2010 is, zodat op die datum de wachttijd een aanvang heeft genomen. Evenmin staat ter discussie dat het einde van de wachttijd bereikt is op 19 november 2012.


4.6

De rechtbank stelt vast dat betrokkene bij aanvang van de wachttijd op 22 november 2010 meer dan één werkgever had, waaronder eiseres, en dat betrokkene bij deze beide werkgevers op die datum is uitgevallen. Hieruit vloeit voort dat verweerder op grond van het eerste en het tweede lid van artikel 72 van de WIA juncto artikel 82, eerste lid, en 84, eerste lid, van de WIA gehouden is de aan betrokkene betaalde uitkering vanaf die datum op eiseres te verhalen.

4.7

De vraag die vervolgens rijst, is of sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid van artikel 72 van de WIA, in welk geval de uitkering niet verhaald wordt op de eigenrisicodrager. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.8

In de Memorie van Toelichting bij artikel 72 van de WIA is vermeld dat dit artikel

overeenkomt met artikel 71 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer 1996-1997, 24 698, nr. 9) is daarover het volgende vermeld: “ Bij een samenloopsituatie binnen de WAO vindt als er sprake is van gelijktijdige uitval (hiermee wordt bedoeld dat iemand twee dienstbetrekkingen heeft en gelijktijdig uit beide dienstbetrekkingen arbeidsongeschikt wordt) een toedeling van de arbeidsongeschiktheidslasten plaats naar rato van de loonsomverhouding(…). Op deze toerekening wordt één uitzondering gemaakt, nl. in de situatie dat de werknemer in één van zijn dienstbetrekkingen nog volledig blijft doorwerken. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de werknemer werkzaam was in een combinatie van een “ zware” en een “lichte” dienstbetrekking. Indien bij de WAO-beoordeling zou worden vastgesteld dat de werknemer nog geschikt is voor lichte werkzaamheden zou dit er toe kunnen leiden dat hij in zijn “lichte” dienstbetrekking volledig werkzaam blijft. Bij het toerekenen van de WAO-lasten zouden er desalniettemin lasten worden toegerekend aan de werkgever van de “lichte” dienstbetrekking. Dit zou niet in overeenstemming zijn met het uitgangspunt dat de lasten daar moeten worden neergelegd waar zij ontstaan en beïnvloed kunnen worden. Om deze reden is besloten in dit specifieke geval de arbeidsongeschiktheidslasten alleen toe te rekenen aan de werkgever waarbij de werknemer daadwerkelijk is uitgevallen (naar rato van de loonsomverhouding) en de resterende lasten niet toe te rekenen aan de werkgever waar de werknemer volledig blijft doorwerken (…).”

4.9

Gelet op de tekst van artikel 72, eerste en tweede lid, van de WIA en de wetsgeschiedenis, zoals die blijkt uit voornoemde Nota, is het de bedoeling van de wetgever om, indien sprake is van twee dienstverbanden waarbij een werknemer in beide dienstverbanden uitvalt, de lasten van de uitkering naar rato toe te rekenen aan beide werkgevers. Doorslaggevend is dat sprake is van uitval bij beide werkgevers. Dat de werknemer zich tijdens de wachttijd – die aanvangt bij de eerste uitval – voor één van die dienstverbanden hersteld meldt, doet daaraan niet af, aangezien de uitval bij beide dienstverbanden de maatstaf is. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraken van 4 februari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:488 en 29 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:6963.

4.10

De uitzonderingssituatie, zoals bedoeld in het derde lid van de WIA heeft uitsluitend betrekking op de situatie waarin een werknemer met twee dienstverbanden slechts in één dienstverband uitvalt en in het andere dienstverband, zonder uitval, volledig is blijven werken. De rechtbank baseert zich bij haar oordeel in het bijzonder op de aanduiding in artikel 72, derde lid, van de WIA, waarin wordt gesproken over “blijven verrichten” als ook op de Nota naar aanleiding van het verslag. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de wettekst onvoldoende ruimte om aan te nemen dat de uitzonderingssituatie ook geldt bij uitval gevolgd door (al dan niet volledige) werkhervatting. Dat betrokkene zich na zijn ziekmelding bij eiseres hersteld heeft gemeld en de werkzaamheden bij eiseres weer heeft hervat, kan eiseres daarom niet baten. De situatie bedoeld in het derde lid van artikel 72 van de WIA doet zich hier derhalve niet voor.

Dat de rechtbank Noord-Nederland in haar uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RBNNE:2013:8331 – in een soortgelijke situatie – tot een andersluidend oordeel is gekomen, leidt de rechtbank, in het licht van het voorgaande, niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.


4.11

Met betrekking tot het - eerst ter zitting gedane - beroep op artikel 82, vierde lid, van de WIA, overweegt de rechtbank dat ook deze beroepsgrond niet kan slagen. Het recht op uitkering ingevolge de Ziektewet ontleende betrokkene immers niet aan het dienstverband met eiseres maar aan de WW-uitkering die hij heeft ontvangen op basis van het eerdere dienstverband met een andere werkgever, Decokay Eijssink Siemerink. Artikel 82, vierde lid, van de WIA leidt er derhalve niet toe dat het bestreden besluit in rechte geen stand houdt.

5Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Tobé, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Knol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter



























Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.