Rechtbank Overijssel, 20-02-2015 / C/08/167054 / KG ZA 15-20


ECLI:NL:RBOVE:2015:948

Inhoudsindicatie
Kort geding. Verstrekken gewaarmerkte bankafschriften.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
C/08/167054 / KG ZA 15-20
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/167054 / KG ZA 15-20


Vonnis in kort geding van 20 februari 2015


in de zaak van


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGRUNIEKRIJNVALLEI VOER B.V.,

gevestigd te Wageningen,

2. de vennootschap naar Duits recht, de Gesellschaft mit beschränkter Haftung

PRO VIEH GMBH,

gevestigd te 26169 Gehlenberg, Duitsland,

eiseressen,

advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen,


tegen


JANNA CATHARINA ELISABETH SIEBENGA-MOGGRÉ,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van

1. de heer [naam 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

2. mevrouw [naam 2], geboren op [geboortedatum];

3. de heer [naam 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

4. mevrouw [naam 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

(hierna gezamenlijk te noemen: [naam 1] c.s.),

kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. R.H. Broeksema te Zwolle.



Partijen zullen hierna Agruniekrijnvallei c.s., dan wel afzonderlijk Agruniekrijnvallei en Pro Vieh, en Siebenga-Moggré q.q. genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van Siebenga-Moggré q.q.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[naam 1] c.s. exploiteerden te Dalfsen en omgeving in meerdere stallen een varkensbedrijf met ongeveer 6.500 varkens.


2.2.

Agruniekrijnvallei had als leverancier van varkensvoer een (stil) pandrecht gevestigd op de varkens op het bedrijf van [naam 1] c.s.


2.3.

Op 14 mei 2013 hebben [naam 1] c.s. alle varkens op hun bedrijf verkocht aan de besloten vennootschap Veluvar B.V., statutair gevestigd te Elburg en kantoorhoudende te ’t Harde (hierna Veluvar). Als koopsom is overeengekomen het totaalbedrag van € 312.000,–, welk bedrag in deelbedragen op 15 mei 2013 aan [naam 1] c.s. is betaald, dat wil zeggen is overgeschreven naar een bankrekening van [naam 1] met rekeningnummer [rekeningnummer].


2.4.

Het pandrecht van Agruniekrijnvallei is blijkens het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 30 april 2014 door de verkoop van de varkens niet teniet gegaan.


2.5.

Genoemde rechtbank heeft bij dat vonnis voorts voor recht verklaard dat Veluvar aansprakelijk is voor de schade van Agruniekrijnvallei, bestaande uit de waarde van de varkens die door Veluvar zijn weggevoerd onder het stille pandrecht en onder het door Agruniekrijnvallei op 30 en 31 mei 2013 op de bij [naam 1] c.s. aanwezige varkens gelegde pandhoudersbeslag.


2.6.

Een deel van de door [naam 1] c.s. verkochte varkens had Pro Vieh onder eigendomsvoorbehoud aan hen geleverd.


2.7.

Agruniekrijnvallei c.s. hebben vorderingen in het faillissement, te weten ter grootte van € 1.477.153,– van Agruniekrijnvallei wegens geleverd varkensvoer en ten bedrage van € 401.785,- van Pro Vieh wegens geleverde biggen.


2.8.

Agruniekrijnvallei c.s. beschikken over een bankrekeningafschrift van Veluvar, waarop de betalingen op 15 mei 2013 aan [naam 1] c.s. i.c. [naam 1] staan vermeld en waarop overige mutaties op de data van 14,16 en 16 mei wat betreft tegenrekening, omschrijving/naam en bedrag onleesbaar zijn gemaakt.


2.9.

Siebenga-Moggré q.q. beschikt over de bankafschriften van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] van [naam 1].



3Het geschil


3.1.

Agruniekrijnvallei c.s. vorderen samengevat – om Siebenga-Moggré q.q. te veroordelen tot verstrekking aan Agruniekrijnvallei c.s. van volledige en door de bank gewaarmerkte afschriften van de rekening onder rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam 1], waarop staan vermeld alle boekingen op die rekening van 14 mei 2013 tot en met 17 mei 2013, bij gebreke waarvan Siebenga-Moggré q.q. een dwangsom verbeurt van € 1.000,– voor elke dag dat Siebenga-Moggré q.q. nalaat aan deze veroordeling te voldoen.

Agruniekrijnvallei c.s. vorderen voorts veroordeling van Siebenga-Moggré q.q. in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.


3.2.

Siebenga-Moggré q.q. voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter acht voldoende spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening gegeven, nu de daartegen door Siebenga-Moggré q.q. aangevoerde verweren onvoldoende afdoen aan de door Agruniekrijnvallei c.s. gestelde spoedeisende belangen.


4.2.

Agruniekrijnvallei c.s. vorderen op de grondslag van artikel 3:15j van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), inzage respectievelijk afgifte van bankafschriften als onder 3.1 aangegeven. Deze vordering heeft ten doel om te kunnen vaststellen of daadwerkelijk de onder 2.3 bedoelde koopsom door Veluvar aan [naam 1] c.s. is voldaan, dan wel of [naam 1] c.s. deze koopsom niet (meteen) aan Veluvar of derden hebben terug- dan wel doorbetaald, daar het saldo van de betreffende bankrekening van [naam 1] in het kader van onder de bank van [naam 1] c.s. gelegd beslag voor daadwerkelijke betaling van de gestelde bedragen geen aanwijzing heeft gegeven.


4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de door Agruniekrijnvallei c.s. uitgebreid naar voren gebrachte argumenten volledig wordt voldaan aan de voor toepassing van voornoemd artikel 3:15j BW geldende vereisten.

Agruniekrijnvallei c.s. zijn schuldeisers in het faillissement van [naam 1] c.s. en zij moeten geacht worden een rechtstreeks en voldoende belang te hebben bij het openbaren van de concreet aangegeven bescheiden.

Anders dan Siebenga-Moggré q.q. heeft betoogd, acht de voorzieningenrechter een rechtsbetrekking tussen Agruniekrijnvallei c.s. en [naam 1] c.s. wel degelijk gegeven, erin gelegen dat Agruniekrijnvallei pandhouder was/is jegens [naam 1] c.s. in verband met het recht van pand op alle varkens van [naam 1] c.s. alsmede dat Pro Vieh biggen aan [naam 1] c.s. heeft geleverd onder eigendomsvoorbehoud. Weliswaar heeft Siebenga-Moggré q.q. dit laatste ter zitting weersproken, maar niet onderbouwd.


4.4.

Uit dien hoofde hebben Agruniekrijnvallei c.s. mogelijk vorderingen op de opbrengst van de verkoop van varkens die via [naam 1] aan [naam 1] c.s. is betaald dan wel, voor zover [naam 1] die opbrengst na ontvangst (terug) aan Veluvar dan wel aan derden heeft (door)betaald, op Veluvar dan wel die derden.

Bovendien hebben Agruniekrijnvallei c.s. vorderingen op de boedel, waarvan de omvang mede wordt bepaald door het al dan niet verkrijgen van de verkoopopbrengst, in die zin dat de hoogte van hun vorderingen in het faillissement daardoor zullen worden beïnvloed.

In zoverre zullen Agruniekrijnvallei c.s. met het beschikken over de gewenste bankafschriften in staat zijn hun positie als (bijzondere) crediteuren in het faillissement nader te bepalen.

Dat zij met kennis van die afschriften in (een) rechtsverhouding(en) tot Veluvar en/of tot derden tevens hun procespositie zullen kunnen bepalen, doet hieraan onvoldoende af.


4.5.

De voorzieningenrechter is, van oordeel dat, anders dan Siebenga-Moggré q.q. heeft betoogd, onder deze omstandigheden in het licht van artikel 3:15j BW alsook in het licht van artikel 843a Rv moet worden gesproken van een rechtsbetrekking tussen Agruniekrijnvallei c.s. en [naam 1] c.s. in faillissement, die voor Agruniekrijnvallei c.s. een gerechtvaardigd rechtstreeks en voldoende belang meebrengt om over de gevraagde bankafschriften te kunnen beschikken.


4.6.

De verweren die Siebenga-Moggré q.q. ten aanzien van de argumenten van Agruniekrijnvallei c.s. heeft ingebracht, snijden naar oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende hout. Als meest verstrekkend verweer heeft Siebenga-Moggré q.q. tegenover de belangen van Agruniekrijnvallei c.s. geplaatst het belang van de bescherming van de privacy van [naam 1]. Zij heeft evenwel niet in concreto onderbouwd welke feiten of omstandigheden de handhaving van de vertrouwelijkheid van de gevraagde bankafschriften in dit geval zouden moeten rechtvaardigen, doch volstaan met de enkele algemene stelling van een beschermingsbelang.


4.7.

De voorzieningenrechter ziet bij afweging van de naar voren gebrachte belangen aanleiding om de vordering van Agruniekrijnvallei c.s. toe te wijzen, en wel zoals na te melden.


4.8.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.


4.9.

Siebenga-Moggre, QQ zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Agruniekrijnvallei Voer B.V. c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.506,84


4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

veroordeelt Siebenga-Moggré q.q. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan Agruniekrijnvallei c.s. te verstrekken volledige afschriften van de rekening onder rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam 1], waarop staan vermeld alle boekingen op die rekening van 14 mei 2013 tot en met 17 mei 2013,


5.2.

veroordeelt Siebenga-Moggré q.q. om aan Agruniekrijnvallei c.s. een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,


5.3.

veroordeelt Siebenga-Moggré q.q. in de proceskosten, aan de zijde van Agruniekrijnvallei Voer B.V. c.s. tot op heden begroot op € 1.506,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


5.4.

veroordeelt Siebenga-Moggré q.q. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Siebenga-Moggré q.q. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.