Rechtbank Rotterdam, 06-01-2015 / ROT 14/5818


ECLI:NL:RBROT:2015:11

Inhoudsindicatie
Gezagsrelatie tussen directeur van een BV en werknemer die zijn echtgenote is. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat de arbeidsrelatie vergelijkbaar was met die van andere werknemers waardoor zij in aanmerking komt voor een WW-uitkering.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-06
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
ROT 14/5818
Procedure
Bodemzaak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • FutD 2015-0197
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/5818


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te[woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M. Hoogendonk,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (vestiging Rotterdam), verweerder,

gemachtigde: M.E. Molenaar.



Procesverloop


Bij besluit van 19 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.


Bij besluit van 21 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1.1.

Eiseres is met ingang van 1 november 2013 in dienst getreden voor de periode van één jaar bij [bedrijf] als salesmanager voor 32 uur per week tegen een loon van € 3.200,- bruto per maand. […] is de directeur van [bedrijf] en eiseres is zijn echtgenote.


1.2.

Op 25 februari 2014 is [bedrijf] failliet verklaard en is een curator aangesteld. In verband met het faillissement is eiseres door de curator bij brief van 27 februari 2014 ontslag aangezegd.


1.3.

Wegens betalingsonmacht van de werkgever heeft eiseres op 7 maart 2014 bij verweerder een aanvraag tot overname van betalingsverplichtingen ingediend.


1.4.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat er binnen de arbeidsrelatie van eiseres met [bedrijf] geen sprake was van een gezagsverhouding. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.


2. Eiseres stelt – kort samengevat – dat er wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding, ondanks dat de directeur van [bedrijf] haar echtgenoot is. Zij voert aan dat zij onder dezelfde voorwaarden werkzaam is als de overige werknemers bij [bedrijf] en dat zij instructies krijgt van […]. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres diverse documenten overgelegd: een arbeidscontract, loonstroken, e-mailberichten, notulen van vergaderingen, een inwerkprogramma en een brief van […] van 14 augustus 2014.


3. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.


Op grond van artikel 61 van de WW heeft een werknemer recht op uitkering, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.


4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als werkneemster in de zin van de WW, die in geval van faillissement van de werkgever recht heeft op een uitkering in verband met nog te vorderen loon, vakantiegeld, etc. Gelet op de artikelen 3 en 61 van de WW is daarvoor vereist dat eiseres in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [bedrijf] heeft gestaan. De vraag of de arbeidsverhouding tussen eiseres en [bedrijf] moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking dient te worden getoetst aan de gangbare materiële maatstaven. Dat wil zeggen dat aan de voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst geldende vereisten zal moeten zijn voldaan, te weten de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting tot loonbetaling en een gezagsverhouding.


4.2.

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO9725), wordt het bestaan van een gezagsverhouding in een geval waarin een echtgenote in dienst is van haar echtgenoot in de regel niet aangenomen, omdat in de onderliggende arbeidsverhouding de familieverhouding een overheersende rol speelt en gewoonlijk de vereiste gezagsverhouding ontbreekt. In een dergelijke situatie bestaat het weerlegbare vermoeden dat van een gezagsverhouding geen sprake is op grond van de familierelatie. Een uitzondering wordt gemaakt indien gezegd kan worden dat een familielid op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden werkzaam is als de werknemers die onbetwist wel in dienstbetrekking werkzaam zijn.


4.3.

De rechtbank stelt voorop dat naar zijn oordeel de formele gezagsverhouding tussen eiseres en […] is vastgelegd in de arbeidsovereenkomst van 17 oktober 2013. Daarin is immers, onder meer, bepaald dat eiseres gehouden is om in het algemeen al datgene te doen om de bloei van de onderneming te bevorderen. In de arbeidsovereenkomst zijn bepalingen opgenomen over het aantal op te nemen vakantiedagen, op welke wijze die opgenomen dienen te worden en over hoe gehandeld dient te worden bij verzuim vanwege (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid. Verder is in de arbeidsovereenkomst bepaald dat eiseres zich verplicht alle instructies van de werkgever in verband met de juiste uitoefening van de werkzaamheden op te volgen en aan de werkgever rekening en verantwoording af te leggen. Hieruit blijkt zowel van het recht tot het geven van aanwijzingen als van de gehoudenheid deze op te volgen.


4.4.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat het salaris van eiseres van € 3.200,- per maand op basis van een 32-urige werkweek als salesmanager niet marktconform is. Eiseres heeft dit ter zitting gemotiveerd betwist. Eiseres had eerder al ervaring opgedaan in een vergelijkbare functie bij een andere werkgever. Zij was van 2007 tot 2011 aangesteld als vestigingsmanager en gaf leiding aan vier werknemers. Eisers ontving in die functie een iets lager salaris, maar ze had daarnaast nog wel de beschikking over een auto en een mobiele telefoon van de (toenmalige) werkgever. Gelet op de toelichting van eiseres ter zitting overweegt de rechtbank dat het loon van eiseres bij [bedrijf] het verschil ten opzichte van andere werknemers met een vergelijkbare functie niet zo groot is dat hieraan het door verweerder gewenste gewicht toegekend kan worden. Ook het standpunt van verweerder, dat de functie van eiseres bij [bedrijf] niet volkomen identiek is aan haar vorige functie, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen toereikende onderbouwing voor het standpunt dat eiseres een niet marktconform salaris genoot en de arbeidsverhouding tussen eiseres en […] in overwegende mate wordt beheerst door de familieverhouding.


4.5.

Van de omstandigheid dat eiseres bij haar indiensttreding een arbeidsovereenkomst voor één jaar kreeg aangeboden, kan niet worden gezegd dat daaruit blijkt dat de familierelatie tussen eiseres en […] zo zeer de overhand had dat daarmee de gezagsrelatie aan de arbeidsrelatie ontviel. Volgens verweerder had […] ten tijde van de indiensttreding van eiseres al kunnen weten dat het financieel niet goed ging met [bedrijf] en om die reden had hij haar een dienstverband met een kortere duur moeten aanbieden. Van de zijde van eiseres is aangevoerd dat, ongeacht of […] wist of had kunnen weten hoe de financiële situatie van [bedrijf] omstreeks november 2013 was, zij hier niet van af wist en dat werkgevers in zijn algemeenheid juist ook in “slechte tijden” ervoor kunnen kiezen nog extra personeel aan te nemen om zo opdrachten te genereren en het bedrijf op die manier weer financieel gezond te maken. Beide standpunten zijn speculatief, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.


4.6.

De stelling van verweerder dat in de arbeidsovereenkomst van eiseres geen proeftijd is opgenomen leidt niet tot het ermee beoogde doel. Het niet opnemen van een proeftijd is naar het oordeel van de rechtbank niet zo ongebruikelijk als verweerder doet voorkomen. Eiseres heeft hierover ter zitting toegelicht dat zij in haar vorige betrekking als vestigingsmanager bij een andere werkgever goed heeft gefunctioneerd en dat er daarom geen reden was voor […] om voor eiseres wel een proeftijd op te nemen. Deze verklaring komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.


4.7.

Ter zitting zijn de door eiseres bij het beroepschrift ingediende e-mailberichten van haar en […] nagelopen. Over deze berichten heeft verweerder ter zitting erkend dat zij aantonen dat […] sturing, instructies en aanwijzingen gaf aan eiseres. Tevens is ter zitting aan de orde geweest het gegeven dat naarmate een werknemer hoger is opgeleid de instructies aan die werknemer veelal niet zeer rigide van toonzetting zijn en dat er een zekere mate van ruimte en vrijheid is voor de werknemer om de zaken naar eigen inzicht op te pakken en af te handelen. Verweerder heeft dit niet betwist. De stelling van verweerder dat uit de e-mailberichten niet onomstotelijk blijkt dat eiseres gehouden was de instructies van de […] op te volgen en dat daarom geen sprake was van een gezagsverhouding slaagt niet.


4.8.

Vaststaat dat eiseres vanaf 1 november 2013 feitelijk ongeveer drie maanden voor [bedrijf] heeft gewerkt, waardoor zij slechts een beperkt aantal e-mailberichten heeft kunnen inbrengen. Ter zitting heeft zij hierover tevens verklaard dat de meeste communicatie tussen haar en […] mondeling (telefonisch) plaats vond en dat zij op die manier haar opdrachten ontving. Deze mondelinge opdrachten zijn niet schriftelijk vastgelegd, aldus eiseres.


4.9.

Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat op [bedrijf] geen CAO van toepassing is. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank geoordeeld worden dat reeds daarom geen sprake is geweest van een gezagsverhouding.


4.10.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook de vaststelling dat ten aanzien van eiseres geen pensioen is afgedragen, maar alleen loonheffing en WGA-premie is ingehouden, niet bepalend is voor de beoordeling van de gezagsrelatie. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een werkgever niet verplicht is een pensioenregeling op te nemen. De stelling van verweerder dat op het salaris van eiseres meer bedragen ingehouden hadden moeten worden, is niet onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook aan die stelling voorbij.


4.11.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat het bestreden besluit, inhoudende de weigering van WW-uitkering omdat van een gezagsverhouding tussen eiseres en […] geen sprake was, onvoldoende is gemotiveerd. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder weliswaar aanvullende argumenten aangedragen, maar ook met inachtneming van deze aanvullende motivering kan het bestreden besluit de rechterlijke toets niet doorstaan. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat er, ondanks de familierelatie, wel sprake is van een gezagsverhouding.


4.12.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient daarom met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.


5.1.

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


5.2.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat verweerder binnen vier weken nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • - bepaalt dat verweerder eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, tot een bedrag van € 974,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.J. Holland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.