Rechtbank Rotterdam, 10-02-2015 / C/10/468438 / KG ZA 15-64


ECLI:NL:RBROT:2015:1187

Inhoudsindicatie
Lijfsdwang veroordeling. Executiegeschil. Geen opheffing lijfsdwang van man die zijn ex-echtenote nog een geldsom verschuldigd is.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
C/10/468438 / KG ZA 15-64
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/468438 / KG ZA 15-64


Vonnis in kort geding van 10 februari 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

eiser,

advocaat mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein te Rotterdam,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.M. de Weerd te Rotterdam.



Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding, met productie
  • - de conclusie van antwoord, met de eis in reconventie
  • - de mondelinge behandeling
  • - de ter zitting overgelegde productie van [eiser],
  • - de ter zitting overgelegde productie van [gedaagde]
  • - de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. In het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank Rotterdam in haar beschikking van 29 augustus 2013 onder meer vastgesteld dat de man recht had op een uitkering van de Personeelsstichting [B.V.]. ter hoogte van € 429.460,00 en is geoordeeld dat de vrouw recht heeft op de helft van dit bedrag. Nadat de man ontslag had genomen is dit bedrag aan de man uitbetaald.


2.2.

De man is bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2014 veroordeeld, samengevat, om aan de vrouw schriftelijk opgave doen van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen van de man en voorts kopieën van verschillende in het vonnis genoemde schriftelijke stukken te verstrekken.Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, alsmede uitvoerbaar bij lijfsdwang, zulks voor de duur van ten hoogste zes maanden. Partijen zijn niet in hoger beroep gekomen van dit vonnis.


2.3.

De vrouw heeft haar raadsman op 2 december 2014 opdracht gegeven om de man in gijzeling te doen nemen wegens niet-nakoming van het kort geding vonnis van 18 november 2014. De man is op 17 december 2014 in gijzeling genomen.



3Het geschil


3.1.

De man vordert samengevat - om de vrouw te bevelen de gijzelneming van de man te doen beëindigen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. De man stelt daartoe het volgende.


3.2.

De man stelt hiertoe het volgende:

De man is buiten staat om te voldoen aan de veroordeling (artikel 588 Rv.) en de medische gesteldheid van de man maakt dat de gijzelneming moet eindigen. De man heeft alles gedaan waartoe hij was veroordeeld in het kort gedingvonnis. Voor zover er toch nog stukken inzake de financiële positie van de man ontbreken, bestaan deze niet.

De man heeft zelf geen strafrechtelijke antecedenten, maar de man heeft vernomen dat hij in verband met de volledige bezetting in de penitentiaire inrichting zijn cel dient te gaan delen met een strafrechtelijke verdachte. Dat kan niet van de man gevraagd worden en is daarom onrechtmatig, ook gelet op zijn medische situatie.


3.3.

De vrouw voert verweer.


3.4.

In reconventie vordert de vrouw veroordeling van de man om de Rabobank schriftelijk toestemming te verlenen tot het openbaren van de bankrekeningnummers waarvandaan de man de aflossing op een schuld bij de Rabobank heeft gedaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van de man in de werkelijke proceskosten, althans in de proceskosten op de gebruikelijke wijze te begroten. De vrouw stelt daartoe dat het haar uit navraag bij de Rabobank is gebleken dat de man recentelijk nog in staat is gebleken om extra aflossingen te doen op zijn schulden aan de Rabobank, zoals een extra aflossing van € 12.822,40 op 1 december 2014 en een extra aflossing van € 4.350,- op dezelfde datum.


3.5.

De man voert verweer in reconventie.


3.6.

Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

in conventie 4.1.

Het spoedeisend belang volgt (reeds) uit de omstandigheid dat de man van zijn vrijheid is beroofd.


4.2.

Het beroep van de man op artikel 588 Rv. is tardief. Dit artikel bepaalt dat lijfsdwang niet wordt uitgesproken als de schuldenaar buiten staat is aan de verplichting te voldoen. Dit artikel legt derhalve een norm op aan de rechter die heeft te beslissen over een vordering tot het opleggen van lijfsdwang. Dit is een gepasseerd station. Inmiddels is de lijfsdwang al opgelegd. Het beroep van de man dat hij niet aan de veroordeling kon voldoen, had hij moeten voeren in de procedure die heeft geleid tot zijn veroordeling bij lijfsdwang.

Nu in een procedure op tegenspraak is geoordeeld dat de man diverse schriftelijke stukken dient te verstrekken, en tegen het gewezen vonnis geen hoger beroep is aangetekend, dient er vanuit te worden gegaan dat de man in staat kon worden geacht schriftelijke stukken over te leggen. Het standpunt van de man dat er geen stukken zijn die (verder) inzage geven in zijn financiële positie, kan thans niet meer worden beoordeeld. Dat had de man desgewenst in de procedure die heeft geleid tot zijn veroordeling bij lijfsdwang kunnen aanvoeren.


4.3.

Voor zover de man stelt dat de gijzeling een erg ingrijpende maatregel is en slechts als ultimum remedium mag worden opgelegd, geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen. De inhoudelijke beoordeling of het dwangmiddel lijfsdwang aangewezen was, is voorafgaand aan het kort gedingvonnis van 18 november 2014 al beoordeeld, en heeft geleid tot het oordeel dat lijfsdwang kon worden opgelegd.


4.4.

De stelling dat de man het vonnis is nagekomen acht de voorzieningenrechter onjuist, althans onvoldoende onderbouwd. Nergens uit blijkt dat de man volledige openheid van zaken heeft gegeven omtrent zijn financiële positie en dat hij alle in het vonnis van 18 november 2014 genoemde bescheiden in kopie heeft verstrekt. Sterker nog, in dit kort geding moet worden vastgesteld dat de man in ieder geval niet aan de veroordeling onder het derde gedachtestreepje heeft voldaan, nu hij geen afschriften heeft verstrekt van de bankrekening van zijn vriendin op wier rekening een deel van de uitkering uit de personeelsstichting is gestort. De man heeft in dit kort geding geen stukken overgelegd waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de man een correct en volledig beeld heeft gegeven omtrent zijn financiële positie en de financiële positie van de man is ook in de onderhavige procedure volledig onduidelijk gebleven.


4.5.

Uit het hiervoor overwogene volgt al dat de man niet aan zijn verplichtingen uit het vonnis heeft voldaan. Daar komt bij dat is gebleken dat er aflossingen zijn of worden gedaan op een schuld van de man aan de Rabobank. De man stelt dat deze aflossingen zijn gedaan vanaf de bankrekeningen van zijn moeder en van zijn vriendin. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat de man ook op dit onderdeel geen openheid van zaken geeft. De man heeft niet de desbetreffende bankafschriften overgelegd. Ter zitting heeft de man verklaard dat het nog niet mogelijk was de desbetreffende bankafschriften van zijn vriendin en/of moeder in het geding te brengen, maar hiermee miskent de man dat het aan hem is om zijn stelling te onderbouwen met adequate bescheiden. Het komt voor risico van de man dat hij dit niet doet. Er zal hem geen termijn worden gegund alsnog deze stukken over te leggen.

Hierbij is van belang dat ook indien blijkt dat de overschrijvingen van de bankrekeningen van de vriendin en/of moeder van de man afkomstig waren, de voorzieningenrechter niet in staat is vast te stellen of de aflossingen op de schuld van de man aan de Rabobank zijn gedaan met geld dat daadwerkelijk afkomstig is van zijn moeder en/ of zijn vriendin. Er moet gelet op de omstandigheid dat de vriendin van de man een deel van de uitkering heeft ontvangen en gelet op de vele cash opnames rekening worden gehouden met de door de vrouw gestelde mogelijkheid dat de man een deel van de uitkering van € 436.990,- opzij heeft gezet op de bankrekeningen van de vriendin en/of moeder van de man.


4.6.

De stellingen van de man ten aanzien van zijn medische situatie zijn niet onderbouwd en kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat de man uit de lijfsdwang dient te worden ontslagen. Niet is gebleken dat sprake is van levensgevaar vanwege de gijzelneming als bedoeld in artikel 600 onder d Rv.


4.7.

Ten aanzien van de klacht over de huisvesting in de penitentiaire inrichting geldt dat de vrouw niet verantwoordelijk is voor het regime waaronder de man zijn gijzelneming doorbrengt. De man dient zijn desbetreffende klachten (en zijn vordering) in zoverre dan ook niet tot de vrouw te richten.


4.8.

De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke Liquidatietarieven en in de gegeven situatie evenmin aanleiding om de proceskosten te compenseren, ook al zijn partijen ex-echtelieden. De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op € 77,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat (standaardtarief kort geding volgens de Liquidatietarieven).


in reconventie

4.9.

De vordering in reconventie zal worden toegewezen, met dien verstande dat de Rabobank de verzochte gegevens uitsluitend aan de (raadsman van) de vrouw hoeft te openbaren. De vrouw heeft een evident rechtmatig belang bij toewijzing van deze vordering en de door de man ter zitting overgelegde productie bevat de gevorderde informatie niet, alleen al niet omdat daaruit niet blijkt van enige (rechtstreekse) betaling aan de Rabobank. De gevorderde dwangsom zal in goede justitie bepaald worden op na te melden bedrag.


4.10.

De man zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op

€ 408,- aan salaris advocaat (helft van het standaardtarief kort geding volgens de Liquidatietarieven, nu de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie).



5De beslissing

De voorzieningenrechter


in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af,


5.2.

veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw, tot op heden begroot op € 893,00,


5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in reconventie


5.4.

veroordeelt van de man om de Rabobank schriftelijk toestemming te verlenen tot het openbaren aan de vrouw van de bankrekeningnummers waarvandaan de man de aflossing op de schuld bij de Rabobank heeft gedaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 250.000,00,


5.5.

veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw, tot op heden begroot op € 408,00,


5.6.

verklaart het vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.








2164/2517/2009