Rechtbank Rotterdam, 04-02-2015 / C-10-458077 - HA ZA 14-877


ECLI:NL:RBROT:2015:1200

Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident. Sectorbevoegdheid. Arbeidsovereenkomst. Bestuurdersaansprakelijkheid. Tussen partijen staat vast dat eiser op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is geweest bij LSI als bestuurder en dat hij per 1 november 2013 is ontslagen als bestuurder van LSI. Op grond van artikel 2:241 BW neemt de rechtbank kennis van alle rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, daaronder begrepen de vordering bedoeld bij artikel 2:248 BW, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat. Uitleg van deze bepaling brengt mee dat de rechtbank ook na het vennootschapsrechtelijke ontslag bevoegd blijft om van vorderingen op basis van de arbeidsovereenkomst kennis te nemen (HR 17 november 1995, NJ 1996/142). Daarbij is niet van belang of een bepaling uit boek 2 BW bepalend is voor de toewijsbaarheid van de vordering. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van LSI over het Zaaksverdelingsreglement. Dat reglement doet niet af aan hetgeen uit de wet voortvloeit over de vraag of de kantonrechter dan wel de rechtbank van een bepaalde rechtsvordering kennisneemt. Het reglement beoogt slechts vast te leggen op welke rechtspraaklocatie de rechtzoekende voor welke zaak terecht kan.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-04
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
C-10-458077 - HA ZA 14-877
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/349
  • AR-Updates.nl 2015-0212
  • OR-Updates.nl 2015-0115
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/458077 / HA ZA 14-877


Vonnis in incident van 28 januari 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M.W. Renzen,


tegen


de naamloze vennootschap

LSI PROJECT INVESTMENT N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. P.E. Engelman.



Partijen zullen hierna [eiser] en LSI genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 12 augustus 2014, met producties
  • - de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter, met producties
  • - de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.



2De vordering in de hoofdzaak

2.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak – verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, LSI veroordeelt tot betaling van € 510.779,20 bruto, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag de ontslagvergoeding zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst met LSI (productie 1 bij dagvaarding).


2.2.

LSI heeft reeds een conclusie van antwoord genomen en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiser].


2.3.

LSI vordert in het incident dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken. LSI stelt daartoe dat artikel 2:241 BW toepassing mist omdat de vordering in de hoofdzaak een vordering is van een werknemer waarbij geen enkele bepaling uit boek 2 BW bepalend is of zou kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag naar de toewijsbaarheid van de vordering. Daarom is de kantonrechter bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Bovendien staat in het Zaaksverdelingsreglement van deze rechtbank dat arbeidszaken worden behandeld door de kantonrechter, ongeacht of de werknemer een (gewezen) statutair directeur is.


2.4.

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering.


2.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.



3De beoordeling in het incident

3.1.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is geweest bij LSI als bestuurder en dat [eiser] per 1 november 2013 is ontslagen als bestuurder van LSI. Op grond van artikel 2:241 BW neemt de rechtbank kennis van alle rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, daaronder begrepen de vordering bedoeld bij artikel 2:248 BW, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat. Uitleg van deze bepaling brengt mee dat de rechtbank ook na het vennootschapsrechtelijke ontslag bevoegd blijft om van vorderingen op basis van de arbeidsovereenkomst kennis te nemen (HR 17 november 1995, NJ 1996/142). Daarbij is niet van belang of een bepaling uit boek 2 BW bepalend is voor de toewijsbaarheid van de vordering. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van LSI over het Zaaksverdelingsreglement. Dat reglement doet niet af aan hetgeen uit de wet voortvloeit over de vraag of de kantonrechter dan wel de rechtbank van een bepaalde rechtsvordering kennisneemt. Het reglement beoogt slechts vast te leggen op welke rechtspraaklocatie de rechtzoekende voor welke zaak terecht kan.


3.2.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.


3.3.

LSI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.


3.4.

De hoofdzaak zal worden aangehouden voor beraad in de zin van artikel 131 Rv.



4De beslissing

De rechtbank


in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,


4.2.

veroordeelt LSI in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 452,00,


in de hoofdzaak

4.3.

houdt de zaak aan voor beraad in de zin van artikel 131 Rv.



Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.

1346/1729