Rechtbank Rotterdam, 18-02-2015 / CIV-447727_18022015


ECLI:NL:RBROT:2015:1239

Inhoudsindicatie
Hulpverlening. Art. 8:551 BW. Art. 8:1010 jo. art. 8:561 BW. Hulploon. Art. 8:563 BW. Veerhaven (eiseres) stelt dat Cunado (gedaagde) haar niet aansprakelijk kan stellen voor hulploon voor de aan de duwbakken IMP62 en IMP183 verleende hulp, omdat zij niet de eigenaar is van die duwbakken. In artikel 8:563 lid 3 is bepaald dat voor hulp verleend aan een binnenschip en de zaken aan boord daarvan het hulploon uitsluitend is verschuldigd door de eigenaar van het binnenschip. Ingevolge artikel 8:1 BW wordt onder een schip verstaan een zaak die blijkens de constructie bestemd is om te drijven èn drijft of heeft gedreven. Zowel het ms. Veerhaven 10 als de duwbakken zijn derhalve elk afzonderlijk als een schip aan te merken. Hoewel Veerhaven in beginsel niet aansprakelijk is voor hulploon inzake hulp verleend aan duwbakken die niet haar eigendom zijn, acht de rechtbank naar analogie van de rechtspraak in aanvaringszaken in combinatie met de ratio van het bepaalde in artikel 8:563 lid 3 BW ook hier een uitzondering gerechtvaardigd. Gestelde nietigheid dagvaarding. Veerhaven stelt dat de dagvaarding op grond van artikel 111 lid 2 j 120 lid 1 Rv nietig is omdat Cunado twee advocaten heeft gesteld.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
CIV-447727_18022015
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTHR 2015, afl. 3, p. 159
  • CMI83
  • S&S 2015/76
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/447727 / HA ZA 14-350


Vonnis van 18 februari 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CUNADO B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

eiseres,

advocaat mr. P.A.M. Seck te Capelle aan den IJssel,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THYSSENKRUPP VEERHAVEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam.



Partijen zullen hierna Cunado en Veerhaven genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het tussenvonnis van 25 juni 2014 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken met inbegrip van de abusievelijk niet vermelde akte houdende producties van de zijde van Cunado en de producties bij conclusie van antwoord;

 de akte ter comparitie van de zijde van Cunado;

 de akte ter comparitie van de zijde van Veerhaven;

 het proces-verbaal van comparitie van 17 oktober 2014;

 de brief d.d. 20 november 2014 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van de zijde van Veerhaven.


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

Cunado is eigenaresse en exploitant van het binnenschip ms. Cunado, met hoofdafmetingen: 109,99m x 12,54m x 4,00m, bouwjaar 1988, laadvermogen 3932 ton, hoofdmotor 2.180 pk, boegschroefmotor 500 pk.


2.2.

Veerhaven is eigenaresse van het ms. Veerhaven 10, met hoofdafmetingen: 40m x 14,98m x 1,57m en is voorzien van 3 dieselmotoren van 1360 KW elk.


2.3.

Op 23 oktober 2012 voer de Veerhaven 10 met zes duwbakken, te weten de VH42, IMP62, VH403, VH404, IMP183 en de VH27 met een totale lading van 15.331 ton erts (hierna: het duwverband), van Rotterdam in de richting van Schwelgern bij Duisburg. De duwbakken VH42, VH403, VH404 en VH27 zijn eigendom van Veerhaven. De duwbakken IMP62 en IMP183 zijn eigendom van Imperial Schiffahrt GmbH & Co. KG te Duisburg (DE).


2.4.

Toen het duwverband omstreeks 23:45 uur op de Waal voor de brug van Zaltbommel voer, viel het 24 Volt systeem van het ms. Veerhaven 10 uit, waardoor de navigatieapparatuur op de brug niet meer functioneerde. Ook de radar viel uit en het roersysteem gaf een alarmsignaal. Van deze storing werd melding gedaan aan de Verkeerspost Tiel.


2.5.

Omstreeks 23:55 uur op 23 oktober 2012 verzocht de schipper van het ms. Veerhaven 10 het ms. Cunado, dat zich uit voorzorg kort achter het duwverband gaande had gehouden, om assistentie te verlenen aan het duwverband. Op dat moment was het duwverband de stadskern van Zaltbommel en het bunkerstation Slurink gepasseerd en lag het net voorbij kmr 934 en aan stuurboordzijde van het midden van het vaarwater en 20 graden gedraaid over bakboord.

Twee ankers waren aan de voorzijde van het ms. Veerhaven 10 uitgegooid en het duwverband was begonnen te krabben.

Na het verzoek om assistentie viel de marifoon van het ms. Veerhaven 10 uit.


2.6.

Direct na ontvangst van het verzoek manoeuvreerde het ms. Cunado langszij het duwverband aan de bakboordzijde van de voorste duwbak, waar het ms. Cunado met eigen staaldraden aan de Veerhaven 10 werd vastgemaakt. Een matroos van de Veerhaven 10 is met een portofoon aan boord van het ms. Cunado gekomen om de communicatie tussen beide schepen weer mogelijk te maken.


2.7.

In een half uur tot drie kwartier heeft het ms. Cunado het duwverband eerst evenwijdig met de as van de rivier gebracht en vervolgens over een afstand van een kilometer achteruit begeleid, waar het duwverband onder het bunkerstation en de stadskern van Zaltbommel aan de zuidelijke oever bij kmr 935 voor anker ging.


2.8.

Omstreeks 02:00 uur op 24 oktober 2012 arriveerde een sleepboot, waarna het ms. Cunado zich ontkoppelde van het duwverband.


2.9.

In een die nacht door de schippers van het ms. Cunado en het ms. Veerhaven 10 getekende verklaring is vermeld:


"Opvarig Zaltbommel km 934. Is langzij genomen door de Cunado en geassisteerd ivm totaal uitval van de Veerhaven 10".



3De vordering

3.1.

Cunado vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Veerhaven te veroordelen aan haar te betalen:

€ 100.000,00 aan hulploon, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ex art. 6:119 BW vanaf 6 december 2012, althans vanaf 27 april 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding;

€ 1.850,00 terzake van de expertisekosten, althans een redelijke vergoeding daarvoor, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ex art. 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding;

een bedrag van € 1.775,00 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, althans een redelijke vergoeding daarvoor, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ex art. 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding;

e kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.


3.2.

Cunado legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op grond van artikel 8:1010 j 8:561 BW recht heeft op hulploon voor de verleende hulp door het ms. Cunado aan het duwverband in de nacht van 23 op 24 oktober 2012. Het gevorderde bedrag van € 100.000,-, te weten 0,9% van de geredde waarde, acht zij in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk.



4Het verweer

4.1.

Het verweer van Veerhaven strekt tot afwijzing van de vordering van Cunado, met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van Cunado in de werkelijke proceskosten op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans in de proceskosten volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.


4.2.

Veerhaven voert ter onderbouwing van haar verweer het volgende aan.

Door Cunado zijn bij dagvaarding twee advocaten gesteld. Dit is in strijd met artikel 111 lid 2 Rv en de dagvaarding is daarom nietig op grond van artikel 120 lid 1 Rv.

Er is geen sprake van hulpverlening in de zin van artikel 8:1010 j 8:561 BW. Er bestond geen gevaar omdat het duwverband zich op eigen kracht uit de situatie had kunnen redden door het bedienen van de motoren vanuit de machinekamer en/of het bijzetten van ankers. Het duwverband heeft echter voor de meest praktische en door ms. Cunado aangeboden vriendendienst gekozen.

Indien hulploon is verschuldigd, is het gevorderde bedrag buitenproportioneel.

De door Cunado gemaakte kosten en geleden verliezen zijn niet onderbouwd en overigens verwaarloosbaar.

Veerhaven is niet de reder van de duwbakken IMP62 en IMP183 en kan niet worden aangesproken tot vergoeding van hulploon voor hulp verleend aan deze duwbakken.

Ten aanzien van de wettelijke rente, heeft Cunado niet gesteld dat een uiterste datum voor betaling van het hulploon is overeengekomen.

De expertisekosten moeten worden afgewezen, omdat een vordering tot betaling van hulploon geen vordering tot schadevergoeding in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW is.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, omdat het aan die vordering ten grondslag gelegde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten enkel van toepassing is op uit overeenkomst voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom en daarvan is hier geen sprake.



5De beoordeling

Beroep op nietigheid dagvaarding
5.1.

Veerhaven stelt dat de dagvaarding op grond van artikel 111 lid 2 j 120 lid 1 Rv nietig is omdat Cunado twee advocaten heeft gesteld.


5.2.

Op grond van artikel 111 lid 2 sub c Rv moet de dagvaarding de naam en het kantooradres vermelden van de advocaat die door de eiser wordt gesteld. De ratio van deze bepaling is (i) de verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat en (ii) dat voor de gedaagde duidelijk moet zijn aan welk adres alle mededelingen en betekeningen aan de eiser kunnen worden gedaan. In de wet staat in enkelvoud “advocaat”, omdat voor het verrichten van proceshandelingen één advocaat toereikend is en dit overeenstemt met de praktijk waarin een partij gewoonlijk slechts één advocaat stelt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter niet dat de wetgever hiermee voor ogen had een beperking te brengen in het aantal te stellen advocaten. In het algemeen kan ook niet worden ingezien welke belangen van de gedaagde een dergelijke beperking noodzakelijk maken. Indien meerdere advocaten worden gesteld, is het logische gevolg hiervan dat de gedaagde de keuze heeft aan welke advocaat mededelingen danwel betekeningen aan de eiser worden gedaan. De door Cunado gestelde advocaten houden kantoor aan hetzelfde adres, zodat voor Veerhaven duidelijk is dat zij aan dit adres mededelingen en betekeningen aan Cunado kan doen. Van een gebrek is derhalve geen sprake.


5.3.

Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen.


Hulpverlening


5.4.

De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of de door het ms. Cunado uitgevoerde werkzaamheden zijn aan te merken als hulpverlening waarvoor, indien met gunstig gevolg hulp is verleend, op grond van artikel 8:1010 j 8:561 BW hulploon is verschuldigd.


5.5.

Van hulpverlening is ingevolge artikel 8:551 BW sprake bij werkzaamheden die zijn verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak. Gevaar is aanwezig wanneer een reële dreiging van het oplopen van schade bestaat en het schip zich door eigen kracht, zonder hulp van buiten, niet uit de gevaarlijke situatie kan redden. Ook een betrekkelijk geringe mate van gevaar kan voldoende zijn om het bestaan van gevaar aan te nemen (HR 9 februari 1996, NJ 1996, 667, “Frio Alaska”).


5.6.

Veerhaven stelt in de eerste plaats dat geen sprake is van hulpverlening in voornoemde zin omdat het ms. Cunado zijn assistentie bij wijze van vriendendienst heeft aangeboden. In het algemeen kan worden aangenomen dat wanneer een toevallig passerend onbekend schip zijn assistentie aanbiedt, hij dit niet om niet doet, tenzij daarmee nauwelijks tijd en kosten zijn gemoeid. De feitelijke gang van zaken, met name de ondertekende schriftelijke verklaring van de schipper van de Veerhaven 10 dat het ms. Cunado assistentie heeft verleend, duidt erop dat de schipper van de Veerhaven 10 op het bewuste moment niet in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van een vriendendienst. Een dergelijke verklaring zou in geval van een vriendendienst geen doel hebben. Gesteld noch gebleken is van aanwijzingen op grond waarvan de schipper van de Veerhaven 10 er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hier sprake was van een vriendendienst.


5.7.

Vaststaat dat op het moment dat het ms. Cunado met de assistentie startte, het duwverband aan stuurboordzijde van het midden van het vaarwater stil was gevallen en 20 graden gedraaid over bakboord lag. Beide partijen zijn het erover eens dat, in het geval deze situatie had voortgeduurd, het duwverband door de stroming ter plaatse minst genomen tegen de kribben aan zou komen. Hoewel partijen twisten over de tijd die daarmee gemoeid zou zijn in verband met de snelheid die het duwverband door de stroming zou ontwikkelen, weerspreekt Veerhaven niet dat een kans bestond op schade doordat het duwverband op de kribben zou zijn gelopen. Alleen daarom kan al gesproken worden van een reële dreiging voor het oplopen van schade, en mitsdien van gevaar. De aard en de ernst van het gevaar wordt pas relevant bij het bepalen van de hoogte van het hulploon.


5.8.

Veerhaven stelt evenwel dat het duwverband zich op eigen kracht uit de gevaarlijke situatie had kunnen redden doordat zij nog de beschikking had over alle noodvoorzieningen. Zij stelt meer specifiek dat het duwverband met behulp van portofoons vanuit de machinekamer bestuurd had kunnen worden ofwel extra ankers uitgegooid hadden kunnen worden.

De door beide partijen ingeschakelde experts zijn het niet met elkaar eens of besturing vanuit de machinekamer praktisch gezien mogelijk was. Volgens de door Cunado ingeschakelde expert werkte de verlichting in de machinekamer niet. Het standpunt van Veerhaven dat de verlichting op het ms. Veerhaven 10 slechts kort is uitgevallen, rijmt niet met de schriftelijke omschrijving “totaal uitval van de Veerhaven 10” door de schipper van het ms. Veerhaven 10 vlak na de assistentie, wat letterlijk duidt op een black-out, en ook niet met de observatie van de bemanning van het ms. Cunado dat de verlichting op het gehele ms. Veerhaven 10 was uitgevallen en telkens slechts kort werkte als de motor tevergeefs werd opgestart. Het feit dat alle 24-Volt systemen (zie de schriftelijke verklaring van de heer [persoon1]) en daarmee de radar was uitgevallen, het roersysteem een alarmsignaal gaf, de bediening vanaf de brug was uitgevallen, en de marifoonverbinding was verbroken, wijst op een onderbreking van de toevoer van elektriciteit, waardoor aannemelijk is dat ook de verlichting op het ms. Veerhaven 10 niet meer werkte.

De experts zijn het er voorts niet over eens of bediening vanuit de machinekamer verantwoord was. Volgens de door Cunado ingeschakelde expert is het vaarwater ter plaatse niet ruim genoeg om een dermate groot duwverband op een verantwoorde wijze vanuit de machinekamer te besturen, mede gelet op de vertraging die optreedt in de reactie vanuit de machinekamer op de opdrachten van de schipper. De door Veerhaven ingeschakelde expert ziet in de breedte van de rivier en de factor tijd daarentegen geen belemmering.


5.9.

Veerhaven heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat het ms. Veerhaven 10 zichzelf uit de gevaarlijke situatie had kunnen redden. Omdat het duwverband met een totale lengte van ongeveer 265 meter in de circa tien minuten die waren verstreken tussen de storing en het inroepen van assistentie onder invloed van afgaande stroming 20 graden gedraaid was over stuurboord in een vaarwater van ongeveer 150m breed was haast geboden. Aannemelijk is dat enige tijd is gemoeid met besturing vanuit de machinekamer omdat niet direct kan worden genavigeerd maar instructies telkens per portofoon dienen te worden doorgegeven. Dit lijkt ook te volgen uit de verklaring van de schipper van het ms. Veerhaven 10 (overgelegd als bijlage II bij het rapport van Halyard Survey B.V.): “Ook zag ik geen directe noodzaak om over te gaan op hand bediening van de motoren via de machinekamer, mede ingegeven door het feit dat het assisteren door de CUNADO gewoon minder rompslomp zou geven.” Veerhaven stelt daarnaast dat zij extra ankers had kunnen uitgooien. De door Cunado ingeschakelde expert heeft ter zitting toegelicht dat voordat een anker gaat houden het schip 40 tot 50 meter verder is en 20 tot 25 minuten onderweg. Gelet op de grote massa en de aanvankelijk geringe snelheid van het duwverband en het feit dat de al uitgegooide ankers reeds aan het krabben waren, acht de rechtbank deze inschatting voor de hand liggend. Veerhaven stelt dat de ankers al na enkele minuten hadden gehouden maar heeft die stelling verder niet onderbouwd, hoewel dat op haar weg had gelegen, nu op haar de bewijslast rust van de stelling dat het duwverband zich op eigen kracht uit de gevaarlijke situatie had kunnen redden. Nu zij slechts een algemeen bewijsaanbod heeft gedaan, ziet de rechtbank geen reden om haar tot bewijslevering toe te laten en gaat de rechtbank er vanuit dat ook het uitgooien van extra ankers geen reële oplossing bood.


5.10.

De conclusie is dat sprake is van hulpverlening. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de hulpverlening met gunstig gevolg is verleend, zodat Cunado recht heeft op hulploon.


De schuldenaar van het hulploon


5.11.

Veerhaven stelt dat Cunado haar niet aansprakelijk kan stellen voor hulploon voor de aan de duwbakken IMP62 en IMP183 verleende hulp, omdat zij niet de eigenaar is van die duwbakken.


5.12.

In artikel 8:563 lid 3 is bepaald dat voor hulp verleend aan een binnenschip en de zaken aan boord daarvan het hulploon uitsluitend is verschuldigd door de eigenaar van het binnenschip. Ingevolge artikel 8:1 BW wordt onder een schip verstaan een zaak die blijkens de constructie bestemd is om te drijven èn drijft of heeft gedreven. Zowel het ms. Veerhaven 10 als de duwbakken zijn derhalve elk afzonderlijk als een schip aan te merken.


5.13.

Hoewel Veerhaven in beginsel niet aansprakelijk is voor hulploon inzake hulp verleend aan duwbakken die niet haar eigendom zijn, acht de rechtbank naar analogie van de rechtspraak in aanvaringszaken in combinatie met de ratio van het bepaalde in artikel 8:563 lid 3 BW ook hier een uitzondering gerechtvaardigd.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 23 november 1979 (ECLI:NL:HR:1979:AC6731, Jelle/EWT) uitgemaakt dat het vaste verband dat bij een duweenheid bestaat door de onderlinge stijve verbinding tussen de duwboot en de daaraan gekoppelde bakken, het rechtsgevolg heeft dat, wanneer door de schuld van een der schepen een aanvaring ontstaat, de schuld van dit schip mede als schuld van de andere schepen geldt. Het duwverband is een hecht samenstel van schepen, waarbij de schepen niet afzonderlijk van elkaar kunnen bewegen, en neemt als eenheid deel aan het scheepvaartverkeer.

Nederland heeft gebruik gemaakt van de in artikel 13 lid 2 Hulpverleningsverdrag 1989 geboden mogelijkheid door in artikel 8:563 lid 3 BW de aansprakelijkheid voor hulp verleend aan de zaken aan boord van een schip te kanaliseren naar de eigenaar van het schip.

De rechtbank overweegt dat het als een duweenheid naar buiten toe optreden overeenkomstig de rechtspraak in aanvaringszaken en de gedachte achter artikel 8:563 lid 3 BW, dat hulpverleners slechts één debiteur hoeven aan te spreken, rechtvaardigt dat de aansprakelijkheid voor hulploon inzake hulp verleend aan de gekoppelde duwbakken eveneens wordt gekanaliseerd naar de eigenaar van de duwboot. Een gelijkstelling van de aansprakelijkheid van de duwboot voor alle verbonden delen van de duweenheid met zich aan boord bevindende zaken dient het doel om hulpverlening te stimuleren en is niet onredelijk omdat de eigenaar van de duwboot vervolgens een recht van verhaal heeft jegens de eigenaar van de duwbak voor zijn aandeel in het betaalde hulploon.


5.14.

Bij de vaststelling van het door Veerhaven verschuldigde hulploon zal derhalve worden uitgegaan van het duwverband als geheel.


Vaststellen hulploon


5.15.

Het hulploon moet ingevolge artikel 8:563 BW worden vastgesteld met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de volgende (in willekeurige volgorde vermeld en niet limitatieve) factoren:

de geredde waarde van het schip en de andere goederen;

de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;

de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;

e aard en ernst van het gevaar;

de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;

de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;

het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's;

de snelheid van de verleende diensten;

de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting;

de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners.


5.16.

Partijen maken een verschillende inschatting van de aard en de ernst van de situatie.

Volgens Cunado was de kans reëel dat het duwverband door de zuidwaartse stroom tegen het bunkerstation zou aankomen, waarbij ook schade aan het milieu en de stadskern van Zaltbommel mogelijk zou zijn. Vervolgens zou het duwverband dwarsvallen op de rivier en zonder verlichting, radar of marifoonverbinding een aanvaring met overige vaart kunnen veroorzaken. Ook bestond een kans op schade door het losbreken van duwbakken. Cunado acht aan hulploon een bedrag van € 100.000,-, te weten 0,9% van de door haar berekende geredde waarde van het duwverband, in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk. Ter staving van haar stellingen heeft Cunado verklaringen van de schippers van de ms. Cunado en Veerhaven 10 en een rapport van expertise van DEKRA Experts B.V. met bijlagen, waaronder een verklaring van de schipper van het ms. Cunado, in het geding gebracht.


In het rapport van DEKRA Experts B.V. is onder meer vermeld:


“(…)

6. Geredde waarde van het schip en andere goederen

De totale waarde wordt door mij als volgt ingeschat:

- duwboot Veerhaven 10 EUR 7.000.000,00

- zes duwbakken (gemiddelde leeftijd 19 jaar) EUR 2.400.000,00

- lading EUR 1.000.000,00

------------------------

Totaal EUR 10.400.000,00

(…)

8.1

Geredde waarde

Volgens mijn oordeel bedraagt deze waarde minimaal EUR 10.400.000,00.

8.2

Voorkomen/beperken schade aan milieu

Door adequaat handelen van de bemanning van de Cunado werd voorkomen dat de Veerhaven 10 in aanraking kwam met het bunkerstation. Indien dit wel was gebeurd, was de kans op milieuverontreiniging door olie van het bunkerstation groot geweest.

(…)

8.4

De aard en ernst van het gevaar

Indien niet adequaat was ingegrepen:

  • - Had de Veerhaven 10 aanzienlijke schade kunnen oplopen en veroorzaken aan het bunkerstation bij aanvaring hiervan, zeker gezien de totale massa van het duwverband.
  • - Was het duwverband dwars in de rivier gevallen en was schade aan de voorste bakken en één van de kribben aan de rechter oever niet ondenkbaar en zelfs heel waarschijnlijk geweest.
  • - Daarnaast was een stremming in de rivier opgetreden en was door de volle stroom op de vrijwel geheel afgesloten rivier een niet te voorspellen situatie ontstaan.

(…)

8.6

Tijd, kosten en verliezen

(…)

De geleden schade, drie beschadigde meerdraden, bedraagt circa EUR 600,00.

(…)

8.9

De uitrusting

Duidelijk moet worden gesteld dat de Cunado geen professionele hulpverlener is en dat derhalve dit een negatieve invloed op de hoogte van het hulploon heeft.

8.10

Doelmatigheid en waarde hulpverleningsvaartuig

De doelmatigheid is bewezen door de gunstige uitslag.

De verzekerde waarde van de Cunado bedraagt EUR 2.500.000,00.

De economische waarde, en dit is de waarde die in het geding is, wordt door mij begroot op EUR 2.100.000,00.

(…)”


5.17.

Veerhaven betwist niet dat sprake was van een kans op schade in het geval de gevaarlijke situatie had voortgeduurd, zij het beperkt tot - vanwege de geringe snelheid van het duwverband - relatief beperkte schade aan één duwbak. Veerhaven gaat in dat geval uit van een schade van € 15.620,-. Veerhaven beroept zich ter onderbouwing van haar verweer op het rapport van expertise van Halyard Survey B.V. met bijlagen, waaronder een verklaring van de schipper van ms. Veerhaven 10, en een nadere toelichting van deze expert in zijn brief d.d. 27 mei 2014.

In het rapport van Halyard Survey B.V. is onder meer vermeld:


“(…)

11. GESCHATTE KOSTEN INDIEN HET VERBAND OP DE KRIBBEN WAS GELOPEN

Wanneer het duwkonvooi niet geassisteerd zou zijn door het motorschip CUNADO en wanneer ook geen gebruik was gemaakt van de ankers van de andere bakken, dan zou het duwkonvooi mogelijk als gevolg van de aanwezige stroom verder over het achterschip zijn verzet. Het duwkonvooi zou dan naar alle waarschijnlijkheid buiten de vaargeul met een lage snelheid zijn vastgelopen met de bodembeplating / kim van de duwbak IMP 183 rond km 935 aan de rechter oever van de Waal (Noordzijde).

Het duwkonvooi was nimmer in de richting van het bunkerschip gedreven. Door de aanwezige stroomrichting zou het duwkonvooi altijd zijn verdaagd richting de kribben.

(…)

De totale schade als gevolg van een mogelijk vastlopen van de duwcombinatie zou dus in ieder geval nooit meer hebben bedragen dan EUR 15.620,.”


5.18.

De door partijen ingeschakelde experts zijn het erover eens dat de aard en de ernst van het gevaar niet precies kunnen worden bepaald, want afhankelijk is van onbekende factoren, met name de richting en sterkte van de stroming. Partijen zijn het er wel over eens dat het duwverband naar alle waarschijnlijkheid tegen de kribben was aangekomen maar zij twisten over de vraag welke verdere gevolgen dit zou hebben gehad. Veerhaven heeft niet weersproken dat het duwverband binnen tien minuten al 20 graden over bakboord was gedraaid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de stroming ter plaatse in ieder geval sterk genoeg was om het duwverband dwars te laten vallen wanneer geen hulp was verleend. Mede gelet op de grote massa en lengte van het duwverband, schat de rechtbank de kans vrij groot dat het duwverband, dat al aan het krabben was, steeds meer snelheid zou ontwikkelen en met een verhoogde snelheid tegen de kribben aan de linker en/of rechter oever aan was gelopen met als gevolg schade van betekenis aan de kribben en het duwverband, met name aan het onderdeel of die onderdelen dat/die de kribben als eerste zou(den) hebben geraakt. Voorts wordt de kans redelijk geacht dat het onderdeel of die onderdelen door de verhoogde snelheid en grote massa van het duwverband losgebroken zou(den) zijn. Tot slot was er een kleine kans dat een duwbak zou zijn gezonken. In het rapport van DEKRA Experts B.V. wordt uitgegaan van een geredde waarde van een duwbak van € 400.000,- (€ 2.400.000,- : 6) en die van de lading van een duwbak € 166.666,- (€ 1.000.000,- : 6). De waarde van de duwboot en de zes duwbakken wordt door Halyard Survey B.V. in een nader rapport bepaald op € 7.825.000,-, waarbij geen verdeling is aangegeven tussen de waarde van de duwboot enerzijds en de duwbakken anderzijds. Voor de bepaling van de hoogte van het hulploon geven de door beide experts genoemde bedragen voldoende indicatie en acht de rechtbank het niet noodzakelijk nader bewijs op dit punt te verlangen. Beide partijen schatten de bergingskosten van één of twee duwbakken rond de € 250.000,-.

De schade aan de kimbeplating wordt door Veerhaven op € 15.620,- geschat, maar die schatting acht de rechtbank aan de lage kant, aangezien Veerhaven bij de berekening heeft verondersteld dat het duwverband met een lage snelheid tegen de kribben zou zijn aangelopen. De schade aan de uitrusting van het ms. Cunado van € 600,- is door Veerhaven onvoldoende gemotiveerd betwist en wordt ook meegenomen bij het vaststellen van het hulploon.


5.19.

De rechtbank heeft onvoldoende aanwijzingen om te verwachten dat nog andere schade zou zijn opgetreden. Veerhaven heeft gemotiveerd betwist dat het duwverband afdreef in de richting van het bunkerstation. Het had op de weg van Cunado gelegen, op wie hier de bewijslast rust, om te onderbouwen dat de richting en sterkte van de stroming ter plaatse zodanig was dat aannemelijk is dat het duwverband in aanraking was gekomen met het verder weg gelegen bunkerstation. Bij gebreke van die nadere onderbouwing heeft de rechtbank onvoldoende reden om te verwachten dat het bunkerstation zou zijn geraakt en dat als gevolg daarvan (milieu)schade aan de stadskern van Zaltbommel zou zijn ontstaan. Tot slot acht de rechtbank de kans te verwaarlozen dat een aanvaring met een ander schip zou zijn gevolgd. Voor zover andere schepen niet al waren gealarmeerd door de algemene melding van de Veerhaven 10 aan de Verkeerspost Tiel en zij als gevolg van valse echo’s vanwege de nabijheid van de brug in verwarring zouden zijn, dan is aannemelijk dat zij door andere scheepvaart, zoals de Cunado zelf, tijdig gealarmeerd zouden zijn.


5.20.

Bij de vaststelling van het hulploon wordt voorts rekening gehouden met de tijd die gemoeid was met de hulpverlening, waarbij de rechtbank rekent met de actieve hulpverlening van 00:30 à 00:45 uur en met de daarop volgende passieve hulpverlening van 1:25 uur. Veerhaven heeft de noodzaak van het stand-by blijven van het ms. Cunado vanwege de kans dat het duwverband weer door zijn ankers zou breken onvoldoende gemotiveerd weersproken.

De rechtbank ziet aanleiding voor een verhoging van het hulploon vanwege de snelheid en vakkundigheid waarmee de bemanning van het ms. Cunado hulp heeft verleend en het onweersproken 100% gunstige gevolg van de hulpverlening.

Factor j legt bij het vaststellen van het hulploon geen bijzonder gewicht in de schaal, nu vaststaat dat het ms. Cunado geen professioneel hulpvaartuig is.


5.21.

Rekening houdend met de geredde waarde van één of twee onderdelen van het duwverband met lading, het voorkomen van schade aan de kribben, de door het ms. Cunado gebruikte tijd en gemaakte kosten, het 100% gunstig gevolg van de hulpverlening, en de snelheid en vakkundigheid van de hulpverlening, acht de rechtbank aan hulploon een bedrag van € 40.000,- in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk.


Expertisekosten

5.22.

Cunado vordert een bedrag van € 1.850,00 aan expertisekosten op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW. Dit artikel kan echter niet als grondslag voor expertisekosten dienen, in het geval hulploon wordt gevorderd en toegewezen. Anders dan bij de buitengerechtelijke kosten (artikel 6:96, lid 2 onder c, BW, vgl. de A-G (onder punt 12) bij Hoge Raad 05 december 1997, LJN ZC2517, NJ 1998, 400) blijkt niet dat de wetgever heeft bedoeld dat deze kosten ook verschuldigd zijn ter zake van andere vorderingen dan die tot schadevergoeding. Een vordering tot betaling van hulploon behelst geen vordering tot schadevergoeding. Cunado heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld voor toewijzing van de expertisekosten op een andere grondslag.


Buitengerechtelijke kosten

5.23.

Cunado vordert een bedrag van € 1.775,00 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Veerhaven heeft niet weersproken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zodat een redelijke vergoeding daarvoor toewijsbaar is. Voor de tarieven die worden geacht redelijk te zijn wordt in het Rapport BGK-integraal aangehaakt bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van het gevorderde bedrag is niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Overeenkomstig de tarieven die gelden onder de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten is een bedrag van € 1.175,00 toewijsbaar.


Wettelijke rente

5.24.

De rente over het hulploon is toewijsbaar vanaf 27 april 2013, te weten de uiterste betaaldatum die in de aanmaning van de advocaat van Cunado is gesteld. Niet is gebleken dat Veerhaven op een eerder moment in verzuim is gekomen. Cunado beroept zich in dit verband op een e-mail d.d. 6 december 2012 van de door haar ingeschakelde expert van DEKRA Expertise B.V., uit welke e-mail volgens haar blijkt dat Veerhaven het gevorderde hulploon niet wil vergoeden. De rechtbank overweegt dat uit deze e-mail niet meer blijkt dan dat Veerhaven een tegenbod heeft gedaan van € 7.500,-. Dit kan niet worden aangemerkt als een mededeling van Veerhaven waaruit Cunado moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat de buitengerechtelijke kosten al door Cunado zijn betaald of anderszins rentedragend zijn geworden.


Proceskosten

5.25.

Veerhaven wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Cunado vastgesteld op € 3.829,00 aan griffierecht, € 87,44 aan dagvaardingskosten en € 1.788,00 (2 punten x tarief € 894,00) aan salaris voor de advocaat. De nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten zijn als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar.



6De beslissing

De rechtbank


veroordeelt Veerhaven te betalen aan Cunado een bedrag van € 40.000,- aan hulploon, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 27 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening,


veroordeelt Veerhaven te betalen aan Cunado een bedrag van € 1.175,00 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten,


veroordeelt Veerhaven in de proceskosten, aan de zijde van Cunado begroot op € 5.704,44, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,


veroordeelt Veerhaven in de nakosten begroot op € 131,-, te vermeerderen met € 68,- ingeval het vonnis moet worden betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der voldoening,


verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.

2031/32