Rechtbank Rotterdam, 12-02-2015 / C/10/452068 / FA RK 14-4307


ECLI:NL:RBROT:2015:1266

Inhoudsindicatie
Verzoeken van de verwekker en de bijzonder curator tot vernietiging van de erkenning afgewezen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-12
Publicatiedatum
2015-02-25
Zaaknummer
C/10/452068 / FA RK 14-4307
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2015-0069
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team familie 1


zaaknummer / rekestnummer: C/10/452068 / FA RK 14-4307


Beschikking van 12 februari 2015 betreffende de vernietiging van de erkenning / vervangende toestemming voor erkenning / gezag / contactregeling en informatieplicht


in de zaak van:


[verzoeker] ,

wonende te [adres 1]

hierna te noemen verzoeker dan wel de verwekker,

advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen,


- t e g e n -


[verweerster] ,

wonende te [adres 2],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. K.M. van Wijngaarden te Rotterdam.


e n


[verweerder] ,

wonende [adres 2],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. K.M. van Wijngaarden te Rotterdam.



De bijzondere curator over de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen de minderjarige, is:

mw. mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 22 mei 2014;

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 9 juli 2014, waarbij mr. H. van der Wal is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

- het verweerschrift van de vrouw en de man;

- het verslag van bevindingen van de bijzondere curator;

- het aanvullend verzoekschrift, gedateerd 10 september 2014;

- de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw en de man, ingekomen op

6 november 2014.



1.2.

Na aanhouding op 17 november 2014, heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden ter zitting van 22 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • - verzoeker, bijgestaan door mr. K.M.C. Jansen, namens mr. Jaminon;
  • - de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaat mr. Van Wijngaarden;
  • - de bijzondere curator;
  • - de raad voor de kinderbescherming, vertegenwoordigd door mevrouw T. Philippart.

2De vaststaande feiten


2.1.

De minderjarige is uit de vrouw geboren.


2.2.

Verzoeker is de verwekker van de minderjarige.


2.3.

De man heeft de minderjarige op 29 juni 2011 erkend.


2.4.

De vrouw en de man zijn sinds 11 juli 2013 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.


3De beoordeling


3.1.

De verzoeken van de verwekker strekken ertoe:

  • - de erkenning van de minderjarige door de man te vernietigen;
  • - te bepalen dat de bijzondere curator het verzoek tot vernietiging van de erkenning overneemt, althans daartoe toestemming aan de bijzondere curator te verlenen;
  • - hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige;
  • - hem en de vrouw gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige;
  • - een contact- en informatieregeling vast te stellen.

3.2.

De vrouw en de man verzoeken de verwekker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen en – voorwaardelijk – te beslissen dat zij gezamenlijk het gezag over de minderjarige zullen uitoefenen.


3.3.

De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat de erkenning door de man vernietigd dient te worden en dat het verzoek van de verwekker de minderjarige te mogen erkennen ingewilligd kan worden.


3.4.

De verwekker legt aan zijn verzoeken het volgende ten grondslag.

Hij en de vrouw hebben gedurende een jaar een affaire, gelijk te stellen met een affectieve relatie, gehad. Uit die relatie is de minderjarige geboren. Gedurende de zwangerschap van de vrouw heeft veelvuldig contact tussen hem en de vrouw plaatsgevonden, hetgeen na de geboorte is voortgezet. De verwekker heeft de vrouw en de minderjarige regelmatig bezocht, ook bezochten de vrouw, de man en de minderjarige de verwekker. De contacten tussen hem en de minderjarige vonden maandelijks plaats. Op enig moment heeft de vrouw te kennen gegeven het contact niet meer frequent te willen laten plaatsvinden. De minderjarige mag niet de dupe worden van een verstoorde verhouding tussen de verwekker en de vrouw. Thans heeft de vrouw het contact tussen de verwekker en de minderjarige geheel stopgezet, verstrekt zij hem nauwelijks informatie over de minderjarige en heeft zij kennelijk kunnen bewerkstellingen dat de man als ouder van de minderjarige wordt gezien en in dat kader het gezamenlijk gezag heeft verkregen.

De verwekker acht het in het belang van de minderjarige dat de biologische band tussen hen bevestigd wordt in een juridische band, zodat familierechtelijke betrekkingen tussen hen ontstaan, alsook dat hij gezamenlijk met de vrouw het ouderlijke gezag over de minderjarige kan uitoefenen en bovenal dat hij een regelmatig contact met de minderjarige kan onderhouden en omtrent haar ontwikkeling en welzijn geïnformeerd wordt. De erkenning door de man van de minderjarige dient te worden vernietigd, nu deze erkenning door misbruik van omstandigheden aan de zijde van de vrouw tot stand is gekomen. De verwekker heeft jegens de vrouw altijd kenbaar gemaakt een actieve vaderrol in het leven van de minderjarige te willen vervullen. Bij de vrouw was derhalve bekend dat de verwekker de minderjarige wilde erkennen en uiteindelijk ook tezamen met haar het ouderlijk gezag over de minderjarige wilde uitoefenen.

Uit vaste jurisprudentie vloeit voort dat de in de gevallen waarin de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen, de met toestemming van de moeder gedane erkenning door de verwekker kan worden aangetast indien de moeder – in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder, telkens in verband met de belang van het kind – in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming aan de

niet-verwekker heeft kunnen komen. De verwekker heeft in deze niet of niet tijdig om vervangende toestemming kunnen vragen, nu hem nooit bekend is geweest of überhaupt het vermoeden is gerezen dat de vrouw de man tot juridische vader van de minderjarige zou maken. Indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de verwekker in dezen wel in de gelegenheid is geweest om vervangende toestemming te vragen, dan blijkt uit vaste jurisprudentie dat de verwekker de erkenning kan aantasten indien de moeder haar toestemming tot erkenning door een ander dan de verwekker heeft gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. Ook aan dit criterium is in dezen voldaan. De verwekker wenst de minderjarige te erkennen, opdat de relatie met het kind rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking.

De vrouw weigert thans ieder contact tussen de verwekker en de minderjarige. Hij betwist dat contact met de minderjarige thans niet in het belang van de minderjarige zou zijn.

Hij wenst omtrent de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige op de hoogte te worden gehouden.


3.5.

De vrouw en de man betwisten dat de erkenning door de man is gedaan slechts met het oogmerk om de belangen van de verwekker te schaden. De erkenning door de man heeft plaatsgevonden in het belang van de minderjarige. Het oogmerk was het legaliseren van de feitelijke situatie.

Op grond van de wet, artikel 1:205 lid 1 BW, komt de verwekker de mogelijkheid van vernietiging van de erkenning niet toe. Tijdens de zwangerschap heeft de verwekker niet naar voren gebracht dat hij de minderjarige als zijn kind wilde erkennen, terwijl hij wist dat hij het toen nog ongeboren kind had verwekt. De vrouw en de man waren zich van deze wens van de verwekker dan ook niet bewust. De vrouw betwist ten zeerste de verwekker te hebben aangegeven dat zij hem in de gelegenheid zou stellen om het kind te erkennen.

Indien de verwekker in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning al ontvankelijk zou zijn, dan is zijn verzoek verjaard, nu het meer dan een jaar na de geboorte van de minderjarige is ingediend, dan wel meer dan een jaar na de kennisneming van de erkenning door de man. Bij een afweging van de belangen van verzoeker bij erkenning tegen de belangen van de vrouw en de minderjarige bij niet-erkenning zijn de vrouw en de man van mening, gelet op de gedragsstoornis van de minderjarige, dat tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat de vernietiging van de erkenning en de erkenning door de verwekker het reële risico tot gevolg heeft dat de minderjarige in haar

sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling zal worden geschaad. Toewijzing van gezag aan de verwekker is niet in het belang van de minderjarige. De verwekker kan in zijn verzoek tot vaststelling van een contactregeling niet worden ontvangen, omdat er tussen hem en de minderjarige geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377 a BW. Daarnaast verzetten de belang van de minderjarige zich tegen toewijzing van dat verzoek. De verwekker kan niet worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling. Daarnaast is de verzochte regeling te belastend voor hen.


3.6.

De bijzondere curator heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het belang van de minderjarige is indien de bloedband met de vrouw en de verwekker wordt vastgelegd, zodat de minderjarige weet wie haar biologische vader is. Zij verzoekt haar toestemming te verlenen het verzoek van de verwekker tot vernietiging van de erkenning door de man over te nemen. De ongestoorde verhouding tussen de minderjarige en haar moeder en de belangen van de minderjarige zullen door de erkenning door de verwekker niet worden geschaad. In het belang van de minderjarige verzoekt de bijzondere curator het verzoek van de verwekker tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.


3.7.

De rechtbank overweegt als volgt.


3.7.1.

Ten aanzien van het verzoek van de verwekker tot vernietiging van de erkenning door de man


Artikel 1:205 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank kan worden ingediend:

door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.


Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de voor de beantwoording van de vraag of de verwekker de door een niet-verwekker met toestemming van de moeder verrichte erkenning ongedaan kan maken van groot belang is dat aan de verwekker in artikel 1:204 lid 3 BW de bevoegdheid is toegekend om de minderjarige met vervangende toestemming van de rechter te erkennen. Indien de verwekker van zijn mogelijkheid om de minderjarige te erkennen geen gebruik heeft gemaakt, is er geen reden om de verwekker achteraf nog de gelegenheid te geven om de erkenning door een andere man te vernietigen, tenzij door de moeder toestemming tot erkenning door een niet-verwekker, is gegeven met slechts als oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. In dat geval zou er op grond van vaste rechtspraak aan de zijde van de moeder sprake zijn van misbruik van bevoegdheid waardoor de erkenning door de andere nietig is.


Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verwekker ten tijde van zijn relatie met de vrouw geen gebruik heeft gemaakt van zijn mogelijkheid om de minderjarige te erkennen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is er dan in beginsel geen reden om hem achteraf alsnog de gelegenheid te geven om de erkenning door de man te vernietigen, tenzij de vrouw door haar levensgezel de minderjarige te laten erkennen geen ander doel had dan de belangen van de verwekker te schaden. Naar het oordeel van de rechtbank had de vrouw met de erkenning als doel het belang van de minderjarige te dienen en het legaliseren van de feitelijke situatie, waarin de minderjarige met de vrouw en de man in gezinsverband samenleven. Onbetwist is dat de vrouw na de ontdekking van de zwangerschap de verwekker heeft te kennen gegeven dat zij haar relatie met de man niet zou verbreken. Het was reeds voor de geboorte van de minderjarige duidelijk dat de vrouw met de man de minderjarige in “gezinsverband” zou opvoeden. Dat de vrouw samen met de man en kind de verwekker heeft bezocht in diens woonplaats en dat de verwekker na de geboorte van het kind heeft gelogeerd in de woning van de vrouw en de man is in overeenstemming met de stelling van de vrouw dat zij samenlevingsrelatie met de man zou voortzetten maar de minderjarige haar “biologische vader” niet wilde onthouden en samen met de man een contactregeling met de verwekker heeft nagestreefd. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat bij de erkenning door de man het schaden van het belang van de verwekker het enige oogmerk van de vrouw was. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om af te wijken van de hoofdregel, dat, indien de verwekker van de mogelijkheid om de minderjarige te erkennen geen gebruik heeft gemaakt, er geen reden is om de verwekker achteraf alsnog de gelegenheid te geven om de erkenning door een andere man te vernietigen.

De rechtbank zal het desbetreffende verzoek van de verwekker dan ook afwijzen.


3.7.2.

Ten aanzien van het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning door de man


Uit artikel 1:205 lid 1 BW volgt dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, kan worden ingediend door het minderjarige kind zelf. Een minderjarig kind wordt in zaken van afstamming vertegenwoordigd door een bijzondere curator, in casu mr. Van der Wal. De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige alle omstandigheden in overweging moeten worden genomen teneinde te komen tot een oordeel wat gelet op het belang van de minderjarige wenselijk is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin het belang van een zeer jeugdig kind meebrengt dat over de ontkenning van het vaderschap of de vernietiging van een erkenning niet eerder wordt beslist dan dat het kind zich zelf daar een redelijk oordeel over kan vormen. De minderjarige woont vanaf haar geboorte in gezinsverband met de vrouw en de man.

Zij wordt door hen verzorgd en opgevoed. De vrouw en de man hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de minderjarige, zodra zij daaraan toe is, zullen vertellen wie haar biologische vader is. Immers de man en de vrouw hebben met het oog hierop met verwekker afspraken gemaakt over de contacten tussen verwekker en de minderjarige. Deze afspraken zijn ook uitgevoerd. Dat er nu geen contact meer is tussen de minderjarige en de man vindt zijn oorsprong in een inmiddels verstoorde verstandhouding tussen de verwekker enerzijds en de man en de vrouw anderzijds. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat in deze zaak de enkele vaststelling dat de erkenner niet de biologische vader is onvoldoende is om tot vernietiging van de erkenning over te gaan.

Daarbij komt dat de minderjarige, zoals blijkt uit het overlegde behandelplan van M4care, door het Erasmus MC, Sophia Kinderziekenhuis is gediagnostiseerd met PDD-NOS. Zij is geplaatst op een medisch kinderdagverblijf. Mede gelet op de gedragsstoornis van de minderjarige is rust in de opvoedingssituatie van groot belang voor de minderjarige. De vernietiging van de erkenning door de man met gevolg het in deze procedure gedane verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning door de man, valt naar het oordeel van de rechtbank te voorzien dat bij vernietiging van de erkenning door de man er risico’s zijn dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

De rechtbank zal het desbetreffende verzoek van de bijzondere curator dan ook afwijzen.


3.7.3.

Ten aanzien van de verzoeken van de verwekker en de bijzondere curator tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige en het verzoek van de verwekker tot het belasten van hem en de vrouw met het gezamenlijk gezag over de minderjarige

Nu de verzoeken tot vernietiging van de erkenning van de minderjarige door de man zullen worden afgewezen, brengt dat met zich mee dat de verzoeken van de verwekker en de bijzondere curator tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige en het verzoek van de verwekker tot het belasten van hem en de vrouw met het gezamenlijk gezag over de minderjarige eveneens dienen te worden afgewezen.


3.7.4.

Ten aanzien van de verzoeken van de verwekker tot vaststelling van een omgangs- en informatieregeling


De rechtbank acht zich onvoldoende ingelicht om reeds thans een beslissing te nemen omtrent de verzoeken van de verwekker tot vaststelling van een omgangs- en informatieregeling. De raad voor de kinderbescherming zal worden verzocht een onderzoek in stellen naar de vraag of omgang in het belang van de minderjarige kan worden geacht en zo ja, met welke omvang en frequentie.


4De beslissing


De rechtbank:


4.1.

wijst af de verzoeken van de man tot vernietiging van de erkenning, tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning en tot het belasten van hem en de vrouw met het gezamenlijk gezag over de minderjarige;


4.2.

wijst af de verzoeken van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning en tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning;


En alvorens verder te beslissen:


4.3.

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de vaststelling van een omgangs- en informatieregeling wordt aangehouden tot 1 juli 2015 pro forma;


4.4.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking tot de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;



4.5.

bepaalt dat - zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen - partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna - indien nodig - de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.



Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van griffier B. Prooij op 12 februari 2015.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.