Rechtbank Rotterdam, 25-02-2015 / 10/996537-10


ECLI:NL:RBROT:2015:1357

Inhoudsindicatie
Ponzi-fraude. Veroordelingen wegens oplichting bij aanbod financiële producten, overtreding van de Wet op het financiële toezicht, bedrieglijke bankbreuk en gewoontewitwassen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-03-03
Zaaknummer
10/996537-10
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996537-10

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

[adres],

raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9, 10 en 11 februari 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie, mr. P. van de Kerkhof, heeft gerekwireerd tot:

  • - vrijspraak van het onder 4 primair en 5 primair ten laste gelegde;
  • - bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 subsidiair en 5 subsidiair ten laste gelegde;
  • - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van viereneenhalf jaar, alsmede tot ontzetting van het recht om enig beroep in de financiële sector uit te oefenen voor de duur van vier jaren.


MOTIVERING VRIJSPRAKEN


Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, zoals onder 3 primair ten laste is gelegd, bedrieglijke bankbreuk begaan als (feitelijk) bestuurder bij de rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] noch aan, zoals onder 3 subsidiair ten laste is gelegd, het daartoe opdracht geven dan wel feitelijke leidinggeven daaraan. Weliswaar kan worden bewezen dat [verdachte rechtspersoon] geen (volledige) administratie heeft gevoerd, maar niet bewezen is dat dit niet is gevoerd ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers in het faillissement. De verdachte dient van deze feiten te worden vrijgesproken.


Ook kan niet bewezen worden dat, zoals onder 5 primair ten laste is gelegd, het de rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] is, die zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van een inkomensverklaring, aan welke verboden gedraging de verdachte leiding zou hebben gegeven. De verdachte dient van het feitelijke leidinggeven aan dit feit te worden vrijgesproken.



BEWIJSBESLISSING


Tenlastelegging en verweren


Aan de verdachte is, kort samengevat, onder 1 primair ten laste gelegd, dat hij tezamen en in vereniging met één of meer anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan (het medeplegen van) oplichting door [verdachte rechtspersoon] van (onder meer) zesentwintig met name genoemde personen. [verdachte rechtspersoon] heeft zich, aldus nog steeds de tenlastelegging, valselijk voorgedaan als een bonafide bemiddelaar in financiële diensten. [verdachte rechtspersoon] heeft die personen in strijd met de waarheid voorgespiegeld dat hun geld, in de meeste gevallen vrijgemaakt door het oversluiten van de hypotheek op hun woningen, door [verdachte rechtspersoon] in depot zou worden gehouden of zou worden belegd, en zou renderen. Eén van de kunstgrepen die [verdachte rechtspersoon] daarbij volgens de tenlastelegging heeft toegepast is het opmaken van schuldbekentenissen, die aan die personen ter hand werden gesteld. Blijkens het dossier werd die werkwijze onder de naam “maandlastregulering” toegepast en is die voorstelling van zaken vals geweest, omdat het geld niet in depot werd gehouden of belegd, maar werd gebruikt voor de bedrijfsvoering van [verdachte rechtspersoon]


Onder 2 primair is, kort samengevat, het aantrekken van gelden ten laste gelegd als feitelijke leiding geven aan overtreding van de Wet op het financieel toezicht, in die gevallen waarin de schuldbekentenissen als opvorderbare lening waren aangegaan met niet professionele marktpartijen, aangezien [verdachte rechtspersoon] daar geen vergunning voor had.


Onder 3 meer subsidiair is, kort samengevat, het medeplegen van feitelijke leiding geven aan het medeplegen van eenvoudige bankbreuk door [verdachte rechtspersoon] ten laste gelegd, bestaande in buitensporige uitgaven ten opzichte van de verdiensten van [verdachte rechtspersoon]


Onder 4 is, kort samengevat, ten laste gelegd het feitelijke leiding geven aan gewoontewitwassen (primair), dan wel het medeplegen van gewoontewitwassen (subsidiair).


Onder 5, tenslotte, is, kort samengevat, ten laste gelegd het medeplegen van feitelijke leidinggeven aan hypotheekfraude door het valselijk opmaken van een inkomensverklaring, medegepleegd door [verdachte rechtspersoon] dan wel het medeplegen daarvan als persoonlijke dader.


De verdachte heeft ontkend dat hij feitelijke leiding heeft gegeven en dat hij de aangevers van feit 1 van onjuiste of misleidende informatie heeft voorzien. Hij had geen oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening. Hij was er niet van op de hoogte dat de ingelegde gelden voor de bedrijfsvoering werden gebruikt. Namens hem is aangevoerd dat achter de schermen de medeverdachte [medeverdachte 1] de onderneming leidde en de gelden van de klanten incasseerde. Van de fraude die [verdachte rechtspersoon] en [medeverdachte 1] pleegden, had hij geen weet. Dat betekent ook dat het geld dat hij van of vanwege [verdachte rechtspersoon] heeft ontvangen, geen geld is, dat van misdrijf afkomstig is. De inkomensverklaring zoals bedoeld onder 5, tenslotte, is volgens de verdachte niet valselijk opgemaakt



Bewijsoverwegingen


De rechtbank oordeelt als volgt.


1. Aan dit vonnis is als bijlage II een lijst gehecht met bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de aangevers een hypothecaire lening en/of een geldleenovereenkomst hebben ondertekend en geld hebben overgemaakt naar [verdachte rechtspersoon] Die lijst maakt deel uit van deze bewijsbeslissing.


Op 18 december 2009 deed [aangever 1] aangifte en verklaarde, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ergens in 2007 werd ik telefonisch benaderd door een medewerker van een call-centrum. Deze gaf uitleg over het aangaan van een hypotheek. Ik ben op het aanbod ingegaan en heb ergens eind 2007 bezoek aan huis in Mariahout gehad van een [medeverdachte 2] van het bedrijf [verdachte rechtspersoon]. Op een blaadje heeft hij uitgebreid voorgerekend hoe het financiële plaatje er voor mij uit zou zien. Ik ben uiteindelijk op het aanbod in gegaan. Ik had een hypotheek, maar kon die bij hen tegen een lagere premie oversluiten.


Op 20 december 2009 heeft [aangever 1] verklaard:

Ik kreeg bezoek van [medeverdachte 2], de tussenpersoon van het bedrijf [verdachte rechtspersoon] Ik zou mijn maandlasten kunnen verlagen met een spaardepot erlangs. Het spaardepot, aangevuld met renteaangroei, zou via vaste maandtermijnen gedurende 10 jaren worden uitgekeerd.


Op 14 januari 2010 heeft [aangever 2] aangifte gedaan. Hij verklaarde, zakelijk weergegeven, als volgt:

In het begin van het jaar 2009 ben ik benaderd door een medewerker van het bedrijf [verdachte rechtspersoon]. Op 6 april 2009 kwam een man langs. Ik hoorde dat ik minder geld hoefde te betalen en dat ik iedere maand geld via een andere weg weer terug zou krijgen.

Ik heb toen een overeenkomst afgesloten om de hypotheek over te sluiten. Ik heb toen papieren ondertekend. Ik zag op mijn eerste bankafschrift dat er een bedrag van 648 euro werd afgeschreven naar de SNS bank. Toen ik nog een hypotheek bij de Amersfoortse had, betaalde ik een bedrag van 545 euro. Ik schrok dus dat ik meer moest betalen, terwijl beloofd is dat ik minder zou betalen. Ik zag ook dat ik een bedrag van ongeveer 148 euro moest betalen aan een maatschappij genaamd Interbank of iets dergelijks. Ik kwam erachter dat ik daar een doorlopend krediet had lopen, afgesloten door [verdachte rechtspersoon]. Ik hoorde dat dit doorlopend krediet betrekking had op een bedrag van 30.000 euro.

Ik kreeg later een brief thuis in Oudenbosch waar bovenaan stond schuldbekentenis met nummer SB060409. Op dit formulier stond dat [verdachte rechtspersoon] een bedrag van 49.000 euro te leen had gekregen van mij. Ik zag dat hierover ook rente betaald zou worden en dat een bedrag van 500 euro per maand op mijn rekening bijgeschreven zou worden. Ik zag dat het formulier was ondertekend door de heer [medeverdachte 1] en door mijzelf en door mijn vrouw, [betrokkene 1].


Op 4 mei 2010 heeft [aangever 3] aangifte gedaan. Zij verklaarde, zakelijk weergegeven, als volgt:

Eind 2006 / begin 2007 werd ik gebeld door een callcenter dat mijn interesse peilde voor een nieuwe hypotheek. Op 17 maart 2007 kwam [verdachte] bij mij thuis in Roosendaal. Hij kwam met een hypotheek constructie, namelijk het opeten van de overwaarde met lagere maandlasten. Ik moet er wel bij vermelden dat de overwaarde van de woning in een depot gezet zou worden op een soort spaarrekening, beheerd door of namens [verdachte rechtspersoon] Daaruit zou ik dan maandelijks een bedrag uitgekeerd krijgen.

Ik ben toen naar Baarn gegaan en daar is bij de notaris de hypotheekakte gepasseerd, in bijzijn van [verdachte] namens [verdachte rechtspersoon]. Ook werd de schuldbekentenis ondertekend waardoor er een depot van 32.000 euro ontstond, waaruit iedere maand een bedrag van 433 euro gestort werd op mijn Rabobank rekening.


[aangever 3] heeft alle relevante documenten die zij had, in kopie verstrekt aan de opsporingsambtenaren.

Eén van die documenten is de volgende schuldbekentenis, waarbij opvalt dat het nummer, SB/270707, kennelijk is gebaseerd op de datum waarop de schuldbekentenis is getekend, 27 juli 2007:


SB/270707


SCHULDBEKENTENIS


De ondergetekenden:


De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verdachte rechtspersoon], gevestigd te [adres verdachte rechtspersoon],

hiema te noemen: de schuldenaar;


verklaart wegens ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan:


[aangever 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] paspoort nummer [paspoortnummer], BSN nummer: [burger servicenummer]


wonende [adres], ongehuwd en geen geregistreerd partner, hierna te noemen: de schuldeiser,

de som van tweeëndertigduizend euro (€ 32.000,00), zulks onder de navolgende bepalingen:


1.De hoofdsom of het restant daarvan is eerst opeisbaar op of na 27 juli 2014.


2.Over de hoofdsom of het restant daarvan moet vanaf heden een rente worden betaald, berekend tegen vier procent (4,00%) per jaar is

driehonderddrieëndertig/duizendste procent (0,333%) per maand, te voldoen uiterlijk op de laatste dag van elke maand.


3.Aflossing van de lening zal eveneens geschieden uiterlijk op de laatste.dag van elke maand.


4.De schuldenaar verplicht zich maandelijks als onder de subs. 2 en 3 omschreven zonder korting of schuldvergelijking een bedrag groot vierhonderddrieëndertig euro (€ 433,00) zijnde de verschuldigde rente èn aflossing te storten op een rekening ten name van de schuldeiser.


In tweevoud getekend te Baarn op 27 juli 2007.


Namens de schuldenaar, de schuldeiser


[handtekening] [handtekening]

………………………… ………………………

[medeverdachte 1] [aangever 3]


2. Op 16 juli 2009 heeft [medeverdachte 1] een gesprek gevoerd met medewerkers van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandse Bank (DNB). Van dit gesprek is een verslag gemaakt. Over dit verslag heeft [medeverdachte 1] op 8 november 2010 tegenover verhorende ambtenaren van de FIOD-ECD verklaard:


Ik herken het getoonde gespreksverslag. lk herken mijn paraaf op de pagina's 1 tot en met 8 en op pagina 9 ook mijn handtekening.


In dit verslag staat, zakelijk weergegeven, dat [medeverdachte 1], aangeduid als PA, vertelt dat een maandlastregulering geen product is, maar een schuldbekentenis en dat het een creatief bedenksel is van [verdachte], aangeduid als AC. [medeverdachte 1] heeft ook verteld dat alleen [verdachte] en [medeverdachte 2], aangeduid als HD, de maandlastenregulering aan klanten adviseerden. Op de vraag van de AFM waarom [verdachte rechtspersoon] de maandlastenregulering heeft bedacht en ingezet, heeft [medeverdachte 1] geantwoord dat ze dit gedaan hebben voor het bedrijf. Volgens [medeverdachte 1] had [verdachte rechtspersoon] ook een lening aan de bank kunnen vragen, maar dat heeft [verdachte rechtspersoon] niet gedaan. De AFM heeft gevraagd wat er is gebeurd met het geld dat met de leningen is verkregen. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat [verdachte rechtspersoon] dit geld heeft geïnvesteerd in kantoren, personeel, informatisering en materieel, om revenuen uit de productie te kunnen halen. Oftewel, het geld is geheel op gegaan aan de bedrijfsvoering.


Ter terechtzitting op 9 februari 2015 heeft [medeverdachte 1] verklaard, dat de ingelegde gelden al vanaf het begin in 2005 werden gebruikt voor de bedrijfsvoering.


Door de gigantische investeringen die wij in [verdachte rechtspersoon] gedaan hebben, ging dat geld op in de bedrijfsvoering. Het geld van het eerste contract dat wij afsloten, hebben wij gebruikt voor de eerste investeringen in het kantoor. Dat moet ergens in september 2005 geweest zijn, bij aanvang van het bedrijf.


Uit het, door [medeverdachte 1] ondertekende, verslag van het gesprek met medewerkers van de AFM en DNB en zijn verklaring ter terechtzitting, blijkt dat hij heeft verklaard dat de werkwijze van de maandlastregulering wel degelijk is bedacht en van begin af aan is ingezet om de bedrijfskosten van [verdachte rechtspersoon] te financieren. Uit het gespreksverslag blijkt ook dat volgens [medeverdachte 1] [verdachte] en [medeverdachte 2] dit vanaf het begin hebben geweten.


De rechtbank is er van overtuigd dat de inhoud van dit gespreksverslag en van de verklaring van [medeverdachte 1] in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, aangezien deze inhoud wordt ondersteund door de volgende, onderling samenhangende bewijsmiddelen.


3. Uit het onderzoek naar de geldstromen binnen [verdachte rechtspersoon] is gebleken, zakelijk weergegeven, dat er door particulieren een bedrag van ruim € 4.900.000 aan leningen is verstrekt aan [verdachte rechtspersoon] De eerste geboekte storting heeft plaatsgevonden op 3 november 2005 en de laatste op 10 juli 2009. In totaal hebben 56 mensen een storting gedaan van minder dan € 50.000.


De overige inkomsten van [verdachte rechtspersoon] bestonden uit ontvangen provisies van

€ 813.635,-. Er is door [verdachte rechtspersoon] € 1.245.368,- van de leningen terugbetaald. De overige gelden zijn opgegaan aan salarissen en vergoedingen aan de leidinggevenden, aan salarissen van het overig personeel en overige bedrijfskosten. Er werden geen gelden gereserveerd om deze te laten renderen om zo de toegezegde aflossingen en rente te kunnen betalen.


4. Op 8 november 2010 heeft [medeverdachte 1], toen hem werd gevraagd naar de oprichting van [verdachte rechtspersoon], tegenover de verhorende ambtenaren van de FIOD-ECD het volgende verklaard:


Ik ben in eerste instantie benaderd door [medeverdachte 2]. Het enige doel van dit gesprek was om een bedrijfje op te richten. [medeverdachte 2] is door [verdachte] gestuurd om mij te benaderen. Ik ben hiervoor benaderd omdat ik over de juiste papieren beschikte. Een week nadat ik door [medeverdachte 2] ben benaderd hebben wij gedrieën de zaak doorgesproken. Op voorstel van [verdachte] zou ik directeur worden van het nieuw op te richten bedrijf. Alles wat binnen [verdachte rechtspersoon] gebeurde werd door ons drieën beslist bij meerderheid van stemmen. Wij hadden gelijke zeggenschap.


Deze verklaring, dat de drie verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] gezamenlijk een bedrijf hebben opgericht en geleid, komt overeen met de verklaringen die [verdachte] en [medeverdachte 2] hierover op de terechtzitting van 9 februari 2015 hebben afgelegd. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij en [verdachte] een eigen bedrijf wilden oprichten en dat hij met [medeverdachte 1] heeft besproken of deze wilde deelnemen. Later hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] gezamenlijk met [medeverdachte 1] over de oprichting van dit bedrijf gesproken. Dat zij dit bedrijf ook daadwerkelijk gezamenlijk hebben opgericht, blijkt uit de uitnodiging die is verstuurd om ter gelegenheid van die oprichting het glas te heffen:


[medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2]


nodigen u uit om samen ons kantoor op feestelijke wijze te openen. (Wij) zijn gesterkt in de daadwerkelijke oprichting van [verdachte rechtspersoon]


[medeverdachte 1]

[verdachte]

[medeverdachte 2]


5. Dat behalve [medeverdachte 1] ook [medeverdachte 2] en [verdachte] na de oprichting van het bedrijf een leidinggevende rol zijn blijven spelen, blijkt om te beginnen uit de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de verhorende ambtenaren van de FIOD-ECD op 9 november 2010:


Ik was de baas over de buitendienst.


Aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], maar ook aan [verdachte] werd, in elk geval aanvankelijk, hetzelfde salaris toegekend, namelijk een bruto maandloon exclusief vakantiegeld van 5.650,--. Hieruit leidt de rechtbank af, dat in elk geval in de ogen van deze drie (mede)verdachten zelf, hun bijdragen aan het bedrijf evenveel waard waren. Als dan twee van die drie een leidinggevende rol vervullen, is er alle aanleiding om te veronderstellen dat ook de derde een dergelijke rol zal hebben vervuld, zeker indien dat nog wordt ondersteund door de inhoud van de nu volgende bewijsmiddelen.


6. Uit Document 015 blijkt dat op 6 oktober 2006 onder de naam van [verdachte] een elektronisch bericht is verzonden aan [medeverdachte 1], [medeverdachte 2]@xs4all.nl,[medeverdachte 4] en[medeverdachte 3]:


Collega's (mede vennoten), De situatie, naar nu meer dan 1 jaar [verdachte rechtspersoon] We zijn met z'n allen hard aan het werk geweest, een aantal hobbels tegengekomen en verder ons pad gevolgd. Ons enig manco, bij de start, was..... hoe komen we aan adressen (leads). (...) We zijn gaan pionieren, brainstormen en tot de conclusie gekomen dat we ons enige manco konden elimineren, met een eigen Call Center. Ook dit is niet geen gemakkelijke weg (pad), die is ingeslagen. In het begin zijn we begonnen en deden wat we moesten doen. Het was bijna 24/7. (...) Nu naar 1 jaar is ons enige manco geëlimineerd! Ik ben er trots op, dat we zo ver zijn gekomen. Daarnaast is [verdachte rechtspersoon] een behoorlijk bedrijf geworden. lk stel voor om dit binnenkort te gaan vieren! Mijn instelling is, dat ik na ons vijven (vennoten) toe geen enkel punt verzwijg, dit doe ik wel als er een ander persoon bij is (...). We hebben een gouden bedrijf in handen. Ik heb een onvoorwaardelijk vertrouwen in ons vijven.


Ter terechtzitting op 9 februari 2015 heeft [verdachte] hierover verklaard, dat hij in dit bericht overenthousiast het woord vennoten (heeft) gebruikt. De rechtbank leidt hier uit af dat [verdachte] dit bericht inderdaad heeft verstuurd. Dat het woord “vennoten” volgens [verdachte] niet letterlijk moet worden genomen, neemt niet weg, dat dit bericht laat zien dat de genoemde personen, waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] alsmede [verdachte] zelf, een sturende rol hebben gespeeld bij de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Anders gezegd: zij konden in elk geval tot dat moment tezamen en in vereniging beschikken over de koers van het bedrijf.


7. Dat [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten dat die koers (nog steeds) mede bestond uit het gebruiken van ingelegde gelden voor bedrijfsvoering blijkt ook uit de processen-verbaal onder de nummers AH-88 en AH-089. Zakelijk weergegeven, blijkt daaruit dat op 8 november 2010 op het adres [adres] te Purmerend vier computers in beslag werden genomen. Die computers zijn onderzocht en er is een uitdraai gemaakt van het in die computers gevonden e-mailverkeer tussen [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Op deze uitdraai staan drie e-mails, hieronder weergegeven.


Een e-mail verzonden op dinsdag 26 februari 2008 om 9:35 uur van [medeverdachte 1] aan [verdachte] en [medeverdachte 2] met als onderwerp: "Betalingen", waarin te lezen is:

[verdachte], [medeverdachte 2],

De betalingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn ontvangen. [medeverdachte 1]


Een e-mail verzonden op dinsdag 26 februari 2008 om 9:55 uur van [verdachte] aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met als onderwerp: "RE:Betalingen", waarin te lezen is:

[medeverdachte 1], [medeverdachte 2], Goed bericht,

[betrokkene 2] € 51.500,00 (ontvangen)

[betrokkene 3] € 67.000,00 (ontvangen)

[betrokkene 4] € 47.000,00 (passage morgen)

[betrokkene 5] € 22.000,00 (passage donderdag)

[betrokkene 6]/[betrokkene 7] € 56.000,00 (binnen 3 weken)

[betrokkene 8] € 54.000,00 (binnen 3 weken)

lk stel voor [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [verdachte] een betaling van € 40.000,00 te laten toekomen (eventueel in gedeelten). Dat betekent, geen salaris over de periode februari 2008. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een bedrag van € 7.500,00 te laten toekomen. Dat betekent, geen salaris over de periode februari 2008.

Graag jullie reactie. [verdachte]


Een e-mail verzonden op dinsdag 26 februari 2008 om 10.14 uur van [medeverdachte 2] aan [verdachte] en [medeverdachte 1] met als onderwerp: “RE:Betalingen”, waarin te lezen is:

Mee eens. Inderdaad, om calamiteiten op te vangen, misschien nu 20.000 en eind maart nogmaals 20.000.

[medeverdachte 2]


De betalingen die worden genoemd in het e-mail verkeer van 26 februari 2008

tussen [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2], zijn met uitzondering van de betaling van [betrokkene 6]/[betrokkene 7], allen ontvangen op rekening van [verdachte rechtspersoon] Met alle genoemde personen, met uitzondering van opnieuw [betrokkene 6]/[betrokkene 7] zijn ook schuldbekentenissen aangegaan.


[adres] te Purmerend was de feitelijke verblijfplaats van [verdachte]. Gelet hierop, gelet op de bevindingen uit de vorige alinea en gelet op de namen waaronder de e-mailberichten zijn verstuurd, is bewezen dat deze berichten zijn gewisseld tussen [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Zij bewijzen (opnieuw) enerzijds dat deze drie een sturende rol in [verdachte rechtspersoon], hebben gespeeld en anderzijds dat [verdachte] en [medeverdachte 2] er van op de hoogte zijn geweest dat ingelegde gelden onder de betrokkenen binnen [verdachte rechtspersoon] werden verdeeld en aldus voor de bedrijfsvoering werden gebruikt.


8. De voortdurende betrokkenheid bij de bedrijfsvoering van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] enerzijds en het voortdurende gebruik van ingelegde gelden voor de bedrijfsvoering anderzijds blijkt uit de volgende twee e-mailberichten.


Op 27 april 2009 heeft[medeverdachte 1] een e-mail gestuurd, gericht aan [verdachte] en [medeverdachte 2], bijlage D-153, waarin deze onder andere schrijft (zakelijk weergegeven):


Verder heeft [betrokkene 9] zoals hij vertelt geen berichten ontvangen van de ABN-AMRO. Helaas heeft [medeverdachte 2] aangegeven dat wij de € 50.000,00 hebben gestort bij de ABN-AMR0 tegen een rente van 5,65%. Hij verwacht zoals dat ook ging bij de RABO bank spaarrekening een rekeningafschrift van de ABN-AMRO. Zeer vervelend, dit kan uiteraard niet.

Als jij of [medeverdachte 2] naar hem toegaat (hij vraagt om [verdachte]) om de SNS incasso te regelen dan ook dit uiteraard meenemen. Je zou kunnen zeggen dat betalingen van renten en aflossingen via de ABN-AMRO worden geregeld echter de klanten niet afzonderlijk een afschrift krijgen.

Voorzichtig mee omgaan gezien zijn hoge vordering.


Aan [betrokkene 9] zijn twee schuldbekentenissen afgegeven. Hij heeft op 29 januari 2009 € 102.000,- ingelegd en op 30 april 2009 € 50.000,-.


Eveneens op 27 april 2009 heeft [medeverdachte 1] een e-mail gestuurd aan [medeverdachte 2] en [verdachte], met de volgende inhoud:


[medeverdachte 2], jij bent onlangs bij [betrokkene 10]/[betrokkene 11] geweest. Uit hun brief blijkt echter dat zij de zaak volledig willen terugdraaien. Dit betekent dat wij het bedrag ad. € 22.000,00 moeten terugstorten. Lijkt mij zeer zinvol dat jij [betrokkene 10] belt en uitlegt dat wij het bedrag ad. € 330,-- op onze rekening nemen tot het moment dat de hypotheek aanvraag positief is afgerond. Zij hebben dus geen financieel nadeel van deze regeling. Enige oplossing denk ik.

In het negatieve geval kunnen wij geen lonen Call Center betalen alsook niet de meest belangrijke "depot" betalingen. Gaarne bericht.


Aan [betrokkene 10]/[betrokkene 11] is uiteindelijk geen schuldbekentenis afgegeven. Zij hebben wel op 23 maart 2009 een bedrag van 22.000,- op de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] gestort.


Uit deze berichten blijkt, dat tot in april 2009[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] wisten dat de ingelegde gelden werden gebruikt voor de bedrijfsvoering. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit in de periode daarna, tot aan het faillissement van [verdachte rechtspersoon] B.V, op 8 september 2009, anders is geweest.

9. [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben de werkwijze van de maandelijkse onttrekkingen en inzet van de ingelegde gelden ten behoeve van de bedrijfsvoering, in strijd met de aan de klanten gedane toezeggingen, ook aanvaard. Dit blijkt alleen al uit hun feitelijke betrokkenheid bij de werkwijze.


[verdachte] heeft ter terechtzitting op 9 februari 2015 het volgende verklaard:


Van de binnendienst kreeg je een lijstje. Daarmee ging ik naar de klant. Dan leverde ik het dossier in bij de binnendienst met een bezoekrapport, over wat de klant wilde.

Als mensen vragen stelden, ging je inventariseren wat de kosten en financiën van de klant waren en legde je de mogelijkheden voor. Na verloop van tijd wist ik wel dat er steeds meer klachten kwamen, dat klanten hun betalingen niet kregen. Ik werd dan op mijn 06 gebeld. Ik ging met die schuldbekentenissen naar de mensen toe ter tekening. Daar zaten ook bedragen tussen van onder de 50.000 euro, dat was mij bekend.


[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting op 9 februari 2015 verklaard:


Het product was een nieuwe hypotheek met gebruikmaking van de overwaarde.

Mijn rol was om met de klant te bekijken of het mogelijk was de maandlasten te verlagen.


Ik vertelde aan de klanten dat [verdachte rechtspersoon] een product met een depotrekening had. Op het moment dat de klant zei dat hij geïnteresseerd was om zijn overwaarde te gebruiken, werd er een berekening gemaakt door [medeverdachte 1] of de binnendienst en dan kon je dat bespreekbaar maken met de klant.


Het geld van een klant werd gestort op rekening van [verdachte rechtspersoon].


Ik wist wel van de schuldbekentenissen, ook dat het ging om bedragen van minder dan 50.000,-. Ik nam deze mee naar de klanten om te tekenen.


[medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting op 9 februari 2015 verklaard:


Ik tekende uiteindelijk het contract. Wij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2]) hadden altijd mondeling contact, de bedrijfsvoering werd altijd mondeling doorgenomen. Ik wist van de schuldbekentenissen. Als je zaken doorstuurt naar de boekhouder, betekent dat dat je alle documenten moet doorsturen, waaronder ook de schuldbekentenissen. Dat wilden wij niet, dat gaat hem niet aan.


Tenslotte heeft [medeverdachte 1] tegenover verhorende ambtenaren van de FIOD-ECD een verklaring afgelegd, die er op neer komt dat [verdachte rechtspersoon] geen vergunning had voor het aanbieden van opvorderbare leningen van minder dan 50.000 euro.


10. Uit een berekening van de FIOD-ECD is gebleken dat [verdachte] in totaal

€ 628.103,66 van [verdachte rechtspersoon] heeft ontvangen via de bankrekeningen

[bankrekeningnummer] t.n.v.[betrokkene 12], bij de verdachte in gebruik en [bankrekeningnummer] t.n.v.[medeverdachte 5], de echtgenote van de verdachte, waarop [verdachte] een bijdrage aan haar hypotheek en zijn bonussen liet storten. De verdachte heeft dit niet gemotiveerd betwist.


Wat [medeverdachte 1] betreft staat in het proces-verbaal onder AH-056, zakelijk weergegeven, dat op 7 juni 2010 van de curator [curator] gescande afschriften zijn ontvangen van twee bankrekeningen ten name van [medeverdachte 1], te weten: rekeningnummer [bankrekeningnummer] met mutaties over de periode 15 september 2005 tot en met 30 juni 2009; en rekeningnummer [bankrekeningnummer] met mutaties over de periode 2 oktober 2008 tot en met 25 juni 2009.


[medeverdachte 1] heeft over het gebruik van zijn rekening [bankrekeningnummer], zakelijk weergeven, als volgt verklaard:

(nadat hem voorgehouden is dat er veel betalingen van de rekening [bankrekeningnummer] van [verdachte rechtspersoon] naar rekeningnummer [bankrekeningnummer] t.n.v.[medeverdachte 1] hebben plaatsgevonden en hem om een reactie is gevraagd)

"Over en weer hebben er betalingen plaatsgevonden van de genoemde rekeningen. lk heb een heel overzicht gemaakt en dit aan de AFM verstrekt. De reden dat ik mijn privé-rekening ter beschikking heb gesteld aan [verdachte rechtspersoon] is er voor een deel in gelegen dat wij problemen zagen ontstaan bij [verdachte rechtspersoon] en wij waren bang dat er beslag op de rekening van [verdachte rechtspersoon] zou worden gelegd, zodat wij niet meer aan onze betalingsverplichting zouden kunnen voldoen. Aangezien ik toch meestal de betalingen deed heb ik mijn privé-rekening ter beschikking gesteld, zodat het saldo op de rekening van [verdachte rechtspersoon] laag was bij een eventuele beslaglegging."

De zakelijke ontvangsten (naar de rechtbank begrijpt: de ontvangsten vanaf een rekening van of ten gunste van [verdachte rechtspersoon]) bedragen € 1.803.087,41. De zakelijke uitgaven

(naar de rechtbank begrijpt: naar een rekening van of ten behoeve van[verdachte rechtspersoon]) bedragen € 1.280.178,26. Per saldo heeft[medeverdachte 1] € 522.909,15 ontvangen.


Wat [medeverdachte 2] betreft zijn blijkens het proces-verbaal onder nummer AH-057, zakelijk weergegeven, van de ABN-AMRO bank de dagafschriften betreffende de bankrekening 49.79.10.217 ten name van [medeverdachte 2] over de periode 03 oktober 2005 tot en met 31 augustus 2010 ontvangen. Het totaal van [verdachte rechtspersoon] ontvangen bedrag is berekend op € 195.925,88. De verdachte heeft dit niet betwist.


11. Op grond van het bovenstaande is, onder 1 primair, bewezen dat de aangevers door [verdachte rechtspersoon] zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen. De voorwendselen waaronder dit gebeurde waren vals, in die zin dat de aangetrokken gelden in strijd met de voorstelling van zaken niet in depot werden gehouden, maar werden gebruikt voor de bedrijfsvoering. De (mede)verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben binnen [verdachte rechtspersoon] allen een leidinggevende positie gehad en tezamen en in vereniging bepaalden zij dat de ingelegde gelden werden besteed aan de bedrijfsvoering. Deze vaststellingen zijn voldoende voor het bewijs van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Bewijs dat de verdachte zelf wist dat de kosten van bedrijfsvoering de inkomsten uit provisies en dergelijke te boven gingen, is niet nodig.


Evenmin is bewijs nodig dat de verdachten op de hoogte waren van elk van de bewezenverklaarde gedragingen. Immers, zij waren op de hoogte van het voorkomen van soortgelijke gedragingen en hebben, hoewel daartoe bevoegd en gehouden, maatregelen ter voorkomen daarvan achterwege gelaten. Sterker, zij hebben die gedragingen, voor zover niet concreet dan toch in het algemeen bevorderd.


12. Eveneens is, onder 2 primair, bewezen dat [verdachte rechtspersoon] opzettelijk bedrijfsmatig buiten besloten kring opvorderbare gelden heeft aangetrokken van andere dan professionele marktpartijen, terwijl daarvoor geen vergunning was verleend. Immers, een professionele marktpartij is (voor zover hier van belang) een persoon of vennootschap van wie opvorderbare gelden worden aangetrokken indien de eerste vordering dan wel de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen ten minste € 50.000,- betreft dan wel betreffen (artikel 3 lid 2, aanhef en onder b van het Besluit definitiebepalingen Wet op het financiele toezicht, hierna: Wft). Gelet op bovenstaande bewijsoverwegingen en de in Bijlage II opgenomen bewijsmiddelen is bewezen dat 56 personen in de ten laste gelegde periode een storting hebben gedaan van minder dan € 50.000,-, dat dit besloten lag binnen de werkwijze zoals deze door [verdachte rechtspersoon] werd uitgevoerd en dat zowel [medeverdachte 1], [verdachte] als [medeverdachte 2] daarvan wisten en dit ook uitvoerden.


13. Verder is onder 3 meer subsidiair bewezen dat [verdachte rechtspersoon] ten opzichte van de inkomsten buitensporig veel geld heeft verteerd aan loonkosten en uitkeringen rekeningcourant, aan kosten van het callcenter in Enschede en het kantoor in Rotterdam en aan autokosten.


14. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, is het medeplegen van feitelijke leidinggeven aan gewoontewitwassen door[verdachte rechtspersoon] door [medeverdachte 1],

[verdachte] en [medeverdachte 2], onder 4 primair, bewezen. Immers, uit het bovenstaande is gebleken dat de ingelegde gelden zijn verworven door middel van oplichting en derhalve uit misdrijf afkomstig zijn. Uit in elk geval de boven aangehaalde verklaringen van[medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte rechtspersoon] de gelden, zoals deze in bijlage III in het bijzonder zijn bewezen, op haar bankrekening dan wel op de bankrekening van [medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen door middel van overboekingen en gebruikt voor de bedrijfsvoering. Dit betekent wel dat de rechtbank vrijspreekt van het witwassen van het geld voor zover dit door de (mede)verdachte(n) privé is gebruikt of privé is omgezet door contante opnames.


Wat betreft de concrete verwijten van het witwassen zijn door de verdediging geen verweren gevoerd of standpunten ingenomen die de rechtbank tot een uitdrukkelijke overweging nopen. Wel overweegt de rechtbank, dat aannemelijk is dat [medeverdachte 1],

[verdachte] en [medeverdachte 2] geen opzet hebben gehad op elk van de concrete, in de tenlastelegging genoemde, bedragen. Dit staat echter niet in de weg aan het bewijs van het medeplegen van feitelijke leidinggeven aan gewoontewitwassen. In het kader van het bewijs van medeplegen volstaat wat dit betreft algemene wetenschap.


In dat kader is van belang de verklaring van [medeverdachte 4] tegenover de verhorende ambtenaren van de FIOD, waaruit onder meer blijkt dat [medeverdachte 2], in verband met de financiële problemen bij [verdachte rechtspersoon], geld van klanten op de bankrekening van [betrokkene 13] heeft laten storten. Vanaf die rekening werd het geld, na overleg daartoe tussen de verdachte en onder meer diens medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2], verdeeld. Tevens werd er een bedrag gestort op de, destijds bij de verdachte in gebruik zijnde, bankrekening van[betrokkene 12].


15. Wat betreft het ten laste gelegde feit onder 5, de valselijk opgemaakte inkomensverklaring van [medeverdachte 5] van € 82.000,-, heeft de raadsman van de verdachte bij pleidooi het volgende aangevoerd.


[medeverdachte 1] kwam met de volgende berekening voor het inkomen van € 82.000:

Maandelijks stort [verdachte rechtspersoon] van het netto-inkomen van [verdachte] een bedrag van € 2.250 (wat daadwerkelijk vanaf januari 2006 is ook gedaan). 12 x € 2.250 = € 27.000.

27.000 netto is 54.855 bruto (zie berekening loonwijzer periode 2006), plus het bruto salaris van [medeverdachte 5] uit arbeid € 26.675 = € 81.530. Geen 225 Sr. m.b.t. de inkomensverklaring.


Dit verweer mist feitelijke grondslag en wordt verworpen, dus nog los van het feit dat inkomens niet bij elkaar opgeteld behoren te worden en dat de verdachte dat gezien zijn achtergrond als financieel adviseur moet hebben geweten.


[medeverdachte 1] heeft als getuige ter terechtzitting immers ontkent dat hij een dergelijke berekening heeft gemaakt. Er zijn verder geen aanwijzingen die het standpunt van de verdachte ondersteunen. Dat [medeverdachte 1] die berekening heeft gemaakt, is derhalve niet aannemelijk geworden. Nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de inkomensverklaring heeft ondertekend, acht de rechtbank bewezen dat hij die verklaring ook heeft ingevuld.


Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat een netto salaris van € 27.000,- bruto niet (ruim) het dubbele is. Welke berekeningsmethode de raadsman heeft gebruikt is niet duidelijk. De verwijzing naar de loonwijzer 2006 is onduidelijk en een berekening is niet aan het pleidooi gehecht. Nu ook overigens aanwijzingen ontbreken is derhalve evenmin aannemelijk geworden dat [medeverdachte 5] in de genoemde periode weldegelijk een inkomen heeft gehad van € 82.000,-.



Bewezenverklaring


De overtuiging dat de verdachte het onderstaande bewezenverklaarde heeft begaan is, behalve op de bovenstaande overwegingen en de reeds genoemde bijlage II, gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage III. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 meer subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1. primair.


[verdachte rechtspersoon] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 8 september 2009 te Rotterdam en Enschede en Breda en Oudenbosch en

Almere en elders in Nederland,

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te

bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van

verdichtsels,

onder meer de hierna genoemde personen heeft bewogen tot


* het aangaan van (een) schuld(en), waaronder,

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], uit Breda , te weten:

het (over)sluiten van een (hypothecaire) lening op of omstreeks 3 november

2008

en

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], uit Rijswijk, te

weten: het (over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 61.000,-- op of

omstreeks 19 mei 2009 te Rijswijk (Gld.)


en

[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], uit Kaatsheuvel, te

weten het (over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 35.000,-- op of omstreeks 5 april 2007


en

[slachtoffer 7], uit Vlijmen, te weten: het

sluiten van een geldleenovereenkomst groot euro 70.000,-- , op of omstreeks 6 februari 2007


en

[slachtoffer 8], uit Mariahout, te weten:

het (over)sluiten van een hypotaire lening groot euro 28.000,-- , in of

omstreeks de maand oktober 2007


en

[slachtoffer 9], uit Heerhugowaard, te weten: het

(over)sluiten van een hypothecaire lening , op of omstreeks 21 januari 2009 te Baarn groot euro

102.000, -- en

op of omstreeks 4 april 2009 te Heerhugowaard groot euro 50.000,--

en

[slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11], uit Roosendaal en Nispen, te weten: het sluiten van een

geldleenovereenkomst groot euro 47.250,-- op of omstreeks 19 februari 2008 te

Nieuw-Lekkerland


en

[slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13], uit Oudenbosch, te weten: het sluiten van een (krediet)overeenkomst en het

sluiten van een geldleenovereenkomst groot euro 49.000,-- op

of omstreeks 6 april 2009 te Oudenbosch

en

[slachtoffer 14], uit Nistelrode, te weten: het

(over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 140.000,-- op of

omstreeks 13 augustus 2008 te Dordrecht


en

[slachtoffer 15], uit Roosendaal , te weten: het

(over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 32.000,-- op

of omstreeks 27 juli 2007, te Baarn


en

[slachtoffer 16], uit Almere, te weten: het sluiten

van een (mondelinge) geldleenovereenkomst groot euro 21.750,-- op of

omstreeks 28 mei 2009 te Almere

en

[slachtoffer 17], uit Spijkenisse, te weten:

sluiten van een hypotheciare lening

groot euro 45.000,-- op of omstreeks 11 februari

2009 te Spijkenisse


en

[slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 19], uit Opheusden, te

weten: het sluiten van een geldleenovereenkomst

groot euro 17.000,-- op of omstreeks 5 februari 2009 te Opheusden


en

[slachtoffer 20], uit Tilburg , te weten: het

(over)sluiten van een hypotheciare lening en/of het sluiten van een

geldleenovereenkomst groot euro 72.800,-- , op of

omstreeks 18 februari 2009 te Tilburg


en

[slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 22], uit Terheijden

te weten: het (over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 31.500,-- , op of omstreeks 13 januari 2009 te Terheijden


en

[slachtoffer 23] en/of[slachtoffer 24], uit Tilburg,

te weten: het (over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 45.000,-- op of

omstreeks 19 maart 2009 te Tilburg


en

[slachtoffer 25] en/of [slachtofffer 26], uit Cuyck, te weten:

het (over)sluiten van een hypothecaire lening groot euro 26.495,-- , in de maand april 2009, te Cuyck


en

* de (girale) afgifte van geldbedragen, waaronder


[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], uit Rijswijk, tot

afgifte van euro 61.000,--

in de maand mei 2009


en

[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], uit Kaatsheuvel, tot

afgifte van euro 35.000,-- in de maand april

2007


en

[slachtoffer 7], uit Vlijmen , tot afgifte van

euro 70.000,-- in of omstreeks de maand

februari 2007


en

[slachtoffer 8], uit Mariahout, tot afgifte van

euro 28.000,-- in of omstreeks de maand

oktober 2007




en

[slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] uit Roosendaal en Nispen, tot afgifte van euro 47.250,-- in of omstreeks de maand februari 2008


en

[slachtoffer 9], uit Heerhugowaard, tot afgifte van

euro 102.000,-- in de maand

januari 2009 en euro 50.000,--

in de maand april 2009


en

[slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13], uit Oudenbosch, tot afgifte van euro 19.000,-- op of omstreeks 8 april 2009

en van euro 30.000,-- in of omstreeks de maand april 2009


en

[slachtoffer 14], uit Nistelrode, tot afgifte van

een geldbedrag totaal groot euro 140.000,-- op of omstreeks 15 augustus 2008, althans in de maand augustus

2008


en

[slachtoffer 15], uit Roosendaal tot afgifte van

euro 32.000,-- in de maand juli 2007


en

[slachtoffer 16], uit Almere, tot afgifte van

euro 21.750,-- in de maand juni

2009


en

[slachtoffer 17], uit Spijkenisse tot afgifte van

euro 45.000,-- in de maand februari 2009


en

[slachtoffer 18] en [slachtoffer 19], uit Opheusden, tot

afgifte van een geldbedrag totaal groot euro 17.000,-- in de maand februari 2009

en

[slachtoffer 20], uit Tilburg tot afgifte

van een geldbedrag totaal groot euro 72.800,-- in de maand februari 2009


en

[slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 22], uit Terheijden ,

tot afgifte van euro 31.500,-- in

de maand november 2008 en van euro 38.957,07 in de maand januari 2009


en

[slachtoffer 23] en/of [slachtoffer 24], uit Tilburg,

tot afgifte van euro 39.078

in maand november 2008 en van euro 5.922,-- in de maand maart 2009


en

[slachtoffer 25] en/of [slachtofffer 26], uit Cuyck, tot

afgifte van euro 26.495,-- in de

maand april 2009,


immers heeft [verdachte rechtspersoon] met voren omschreven oogmerk


valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

voornoemde personen benaderd en hen - zakelijk weergegeven -

voorgespiegeld en/of hen voorgehouden dat

- door het oversluiten van een/hun (oude) hypotheek en/of

- door het (in combinatie met het) in depot storten bij [verdachte rechtspersoon] van de

(vrijgekomen) geld(en) uit de verhoging van de hypotheek en/of

- door het in depot bijstorten van gelden afkomstig van krediet-

overeenkomsten

- althans door het in depot storten van de (uitgeleende) gelden op de

bankrekening van [verdachte rechtspersoon]

- ( gedurende de looptijd van de schuldbekentenis) de maandelijkse lasten

zouden dalen en/of

- de (vrijgekomen) geldbedragen zouden worden belegd en/of gespaard en/of

bij een of meer van voornoemd(e) perso(o)n(en) de navolgende

listige kunstgreep aangewend, te weten:


- het verstrekken van schuldbekentenissen,


waardoor die voornoemde personen werden

bewogen tot het aangaan van schulden (hypotheken en/ en/of

waardoor meer van die personen werden bewogen tot de

afgifte van bovenbedoelde geldbedragen,


aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen, hij, verdachte, tezamen en in vereniging met

anderen feitelijke leiding heeft gegeven;


2.


[verdachte rechtspersoon] in de periode vanaf 1

januari 2007 tot en met 30 mei 2009 te Rotterdam en Oudenbosch en

Almere en Spijkenisse en/ Opheusden en Tilburg en elders in

Nederland,

meermalen opzettelijk bedrijfsmatig , buiten besloten kring, opvorderbare gelden

van anderen dan professionele marktpartijen, te weten onder meer


- van [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], in de maand

april 2007, een bedrag groot euro 35.000,--


en

- van [slachtoffer 15], in de maand juli 2007,

een bedrag groot euro 32.000,--



en

- van [slachtoffer 8], uit Mariahout, in de maand oktober 2007, een bedrag groot euro

28.000,-- ,


en

- van[slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] , in

de maand februari 2008, een bedrag groot euro 47.250,-


en

- van [slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 22], in de

maand november 2008,

in de maand januari 2009, een bedrag groot euro 38.957,07


en

- van [slachtoffer 23] en/of [slachtoffer 24], in

de maand november 2008, een bedrag groot euro 39.078,-- en/of

in de maand maart 2009, een bedrag groot euro 5.922,00


en

- van [slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 19] , in de maand

februari 2009, een bedrag groot euro 10.000,--

en in de maand februari 2009, een bedrag groot euro 7000,--


en

- van [slachtoffer 17], , in de maand februari

2009, een bedrag groot euro 45.000,--


en

- van [slachtoffer 12], en/of [slachtoffer 13],

in de maand april 2009, een bedrag groot euro 49.000,--


en

- van [slachtoffer 25] en/of [slachtofffer 26], in de maand

april 2009, een bedrag groot euro 26.495,--


en

- van [slachtoffer 16], in de maand mei 2009, een

bedrag groot euro 21.750,--


heeft aangetrokken en/of ter beschikking heeft

verkregen en ter beschikking heeft gehad,


aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met

anderen feitelijke leiding heeft gegeven;


3 meer subsidiair.


dat [verdachte rechtspersoon] op tijdstippen in het jaar 2006

en 2007 en 2008 en op tijdstippen in de

periode van 1 januari 2009 tot en met 7 september 2009 in de gemeente

Rotterdam en Enschede en Purmerend en elders in Nederland,

terwijl [verdachte rechtspersoon], bij vonnis van de rechtbank te

Rotterdam van 8 september 2009 in staat van faillissement is verklaard, ter

eenvoudige bankbreuk, buitensporige verteringen heeft gepleegd,

immers staan de in de hiervoor aangegeven periodes de uitgaven, de salarissen van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of de onkostennota's en/of de (geleasde) auto's niet in verhouding tot de

ontvangsten, aangezien de (exploitatie)kosten van [verdachte rechtspersoon] in de jaren

2006, en 2007 en 2008 en (gedeeltelijk) 2009 aanmerkelijk hoger

lagen dan de opbrengsten

aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen, hij, verdachte, tezamen en in vereniging met

anderen feitelijke leiding heeft gegeven;


4 primair.


dat [verdachte rechtspersoon] in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 7 september 2009 in de gemeente Rotterdam

en Purmerend en Almere en elders in Nederland,

van het plegen van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt,


immers [verdachte rechtspersoon] BV toen aldaar voorwerpen, te weten: geldbedragen verworven en voorhanden gehad en

een gedeelte van die gelden (giraal) overgedragen en/of gebruikt

immers werd in het jaar 2006, euro 28.690,-- en euro 6.240,-- en

euro 45.000,-- en euro 26.000,-- van de

(derden)bankrekening van (een) notaris(en) overgeboekt naar een

(privé)bankrekening ten name gesteld van[betrokkene 12] (45.67.95.715),

feitelijk in gebruik bij verdachte [verdachte] en


werden in de periode van 15 september 2005 tot en met 30 juni 2009

van de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] (rek.nr. [bankrekeningnummer]),

geldbedragen overgeboekt naar de

(privé)bankrekening (rek.nr. [bankrekeningnummer]) ten name gesteld van

medeverdachte [medeverdachte 1], (tot een totaalbedrag groot euro

1.709.312,97 ), en

werd in het jaar 2006, een totaalbedrag groot euro 63.035--,

en in het jaar 2007 een totaalbedrag

groot euro 122.847,42 en in het jaar

2008 een totaalbedrag groot euro 151.643,16 overgeboekt van de bankrekening ten name gesteld

van [verdachte rechtspersoon] ([bankrekeningnummer]) naar een (privé) bankrekening ten name

gesteld van[betrokkene 12], ([bankrekeningnummer]), feitelijk in gebruik bij

verdachte [verdachte]

en

werd in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 15 juni 2009

van de bankrekening ten name gesteld van [verdachte rechtspersoon] (rek.nr.

[bankrekeningnummer]), een totaalbedrag groot euro 160.531,25 overgeboekt naar de privérekening (rek.nr.

[bankrekeningnummer]) ten name gesteld van medeverdachte[medeverdachte 5] en


werden in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 25 juni 2009

van de bankrekening ten name van [verdachte rechtspersoon], (rek.nr.

[bankrekeningnummer]) geldbedragen overgeboekt naar de

privérekening (rek.nr. [bankrekeningnummer]) van medeverdachte [medeverdachte 2],

(per saldo een totaalbedrag groot Euro 187.541,23 )


werd in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 1 juni 2009

van de bankrekening ten name van [verdachte rechtspersoon] (rek.nr.[bankrekeningnummer]),

een totaalbedrag groot euro 127.788,26 overgeboekt naar de privérekening (reknr. [bankrekeningnummer]) ten

name van medeverdachte [medeverdachte 4]

en


werd in het jaar 2008 een totaalbedrag groot euro 7.800,00 ,

en in het jaar 2009 een totaalbedrag

groot euro 29.034,95

overgeboekt van de bankrekening ten name gesteld van (mede)verdachte [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] ([bankrekeningnummer]) naar een (privé)bankrekening ten name gesteld van

[betrokkene 12], (nr.[bankrekeningnummer]), feitelijk in gebruik bij verdachte [verdachte]

[verdachte]

en


werd in de maanden juli 2009 en augustus 2009 een totaalbedrag

groot euro 23.150,-- overgemaakt van de bankrekening ten name gesteld van

[betrokkene 13] ([bankrekeningnummer]) naar de bankrekening

ten name gesteld van[betrokkene 12], ([bankrekeningnummer]), feitelijk in gebruik bij

verdachte [verdachte] ,


terwijl [verdachte rechtspersoon] wist dat

die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren uit oplichting enovertreding van de Wet op het financieel

toezicht,


aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen, hij, verdachte, tezamen en in vereniging met

anderen feitelijke leiding heeft gegeven;


5 subsidiair.


hij, verdachte, op of omstreeks 14 december 2005, te Rotterdam en/of Purmerend, in elk geval in Nederland,

een (ongedateerde) inkomensverklaring (ten behoeve van het aangaan van een

hypothecaire lening betreffende het onderpandadres [adres]

[adres]),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt ,

immers hij, verdachte, heeft toen en daar valselijk in strijd met de waarheid


-zakelijk weergegeven-


* opdie inkomensverklaring op naam van leningnemer 1:[medeverdachte 5] een

jaarinkomen van euro 82.000,-- ingevuld en


* op die inkomensverklaring op naam van leningnemer 1:[medeverdachte 5] na

(lezing van) de zinsnede: "Aldus verklaren wij, ieder voor zich en gezamenlijk,

dat een adequate overweging is gemaakt om deze lening aan te gaan en dat het

door ons opgegeven inkomen gelijk is aan het werkelijke inkomen. De adviseur

verklaart hierbij ook dat de hypothecaire lening geschikt is voor de client."

die inkomensverklaring laten ondertekenen door leningnemer 1:[medeverdachte 5]

en die inkomensverklaring in de functie van adviseur van [verdachte rechtspersoon]

voorzien van zijn naam en handtekening,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.



STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


1. primair.

oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

2.

opzettelijke overtreding van artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;


3 meer subsidiair.

eenvoudige bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

4 primair.

witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

5 subsidiair.

valsheid in geschrift.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf en bijkomende straf die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


[verdachte rechtspersoon] heeft zich, gedurende een periode van in totaal ruim drieënhalf jaar, schuldig gemaakt aan oplichting en verschillende financiële misdrijven. Kortgezegd komt het erop neer dat [verdachte rechtspersoon] haar slachtoffers lucratieve financiële producten heeft aangesmeerd, hieruit bestaande dat [verdachte rechtspersoon] het geld dat de slachtoffers door het oversluiten van een hypotheek bij een bank leenden, zou beleggen of in elk geval zou laten renderen en dat de slachtoffers een maandelijks bedrag van [verdachte rechtspersoon] zouden krijgen. Dit zou, zo werd door [verdachte rechtspersoon] beloofd, per saldo leiden tot lagere maandlasten voor de slachtoffers. Het door [verdachte rechtspersoon] aldus binnengehaalde geld – uiteindelijk een totaalbedrag van bijna 5 miljoen euro – werd echter helemaal niet belegd of in bijvoorbeeld een spaardepot gehouden. Het werd grotendeels gebruikt voor de eigen ‘bedrijfsvoering’ en voor privéuitgaven van de leidinggevenden en hun families. Slechts een bedrag van ruim 1,2 miljoen euro werd terug betaald aan de inlegger. Maar juist daardoor konden de verdachte de schijn ophouden van een bonfida financieel adviseur. Echter, van meet af aan moet het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat het achterwege laten van het beleggen van ingelegde gelden er toe zou leiden dat [verdachte rechtspersoon] niet zou kunnen voldoen aan haar verplichting om maandelijks een aflossing met rente aan de slachtoffers te betalen. De werkwijze heeft alle kenmerken van een zogeheten piramidespel of Ponzi-fraude: aan de beleggers van het eerste uur kon alleen (een deel van) het ingelegde geld worden terugbetaald doordat nieuwe slachtoffers werden gevonden die hun geld aan [verdachte rechtspersoon] toevertrouwden.

Aldus heeft [verdachte rechtspersoon] zich schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde feiten. De verdachte heeft, als drijvende kracht en intellect achter de handel en wandel van [verdachte rechtspersoon], feitelijke leiding gegeven aan deze verboden gedragingen.


Dit zijn zeer ernstige feiten, met ernstige en ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers van [verdachte rechtspersoon] [verdachte rechtspersoon], mede onder leiding van de verdachte heeft een spoor van financiële ellende achtergelaten bij haar slachtoffers, meestal niet bepaald kapitaalkrachtige particulieren. Zo zien deze zich nu geconfronteerd met verhoogde (soms zelfs verdubbelde) hypotheeklasten en alle daarmee gemoeide financiële gevolgen, zorgen en stress. Daarnaast is, door de wijze van handelen door [verdachte rechtspersoon], in zijn algemeenheid het vertrouwen in het handelsverkeer, meer in het bijzonder het vertrouwen in de financiële dienstverlening geschaad en is gepoogd de opbrengsten van vorengenoemde misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken.


De verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door, ter verkrijging van een hypotheek voor zijn echtgenote, een inkomensverklaring daartoe valselijk op te maken, door daarop in strijd met de werkelijkheid een te hoog jaarinkomen in te vullen. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat gesteld mag worden in een dergelijk schriftelijk stuk, dat de basis vormt voor het aangaan van een hypotheekovereenkomst, doelbewust geschonden.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf, is in aanmerking genomen dat de verdachte, blijkens de mededeling daartoe door de officier van justitie ter terechtzitting, op 3 februari 2012 onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


Namens Reclassering Nederland is op 22 december 2009 omtrent de verdachte een adviesrapport opgemaakt. Van de inhoud van dit rapport is kennisgenomen.


In het voordeel van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.


Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van de volgende bijzondere omstandigheden:

  • - de ingewikkeldheid van de zaak;
  • - de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop;
  • - de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Van dergelijke omstandigheden is in de onderhavige zaak geen sprake.


De hierboven bedoelde termijn begint te lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij door het openbaar ministerie zou worden vervolgd. De termijn eindigt bij het uitspreken van het vonnis door de rechtbank.

Ten aanzien van de thans bewezen verklaarde feiten, kan als beginpunt van de redelijke termijn worden genomen de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten op

8 november 2010. Tot aan de dag van de uitspraak is derhalve een termijn van ruim 51 maanden verstreken. Daarmee is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM, met ruim 27 maanden overschreden. Die overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte. De overschrijding van de redelijke termijn zal dan ook worden gecompenseerd door het opleggen van een gevangenisstraf van kortere duur dan de straf die zou zijn opgelegd wanneer de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. In beginsel zou de rechtbank voor de bewezen feiten en de rol die de verdachte daarbij heeft gespeeld, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden passend hebben gevonden. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn wordt die straf bekort met één vijfde deel. Daarnaast wordt er, gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, tevens rekening mee gehouden dat de verdachte na de periode waarin de onderhavige feiten zijn gepleegd, onherroepelijk is veroordeeld wegens andere (maar wel soortgelijke) feiten.


Gelet bovendien op de aard, omvang en duur van de thans bewezen verklaarde feiten, zal aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte in de toekomst wederom soortgelijke feiten zal plegen en aldus ter bescherming van potentiële toekomstige consumenten, als bijkomende straf ontzetting van de uitoefening van enig beroep in de financiële sector voor de duur van drie jaren worden opgelegd.


Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.





VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL


Om reden dat de officier van justitie heeft gesteld dat na te noemen vorderingen van de benadeelde partijen alle betrekking hebben de zaken tegen de verdachten [medeverdachte 1],

[verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en op dit uitgangspunt van de officier van justitie geen verweer is gevoerd, verstaat de rechtbank dat alle vorderingen ook in de zaak tegen de verdachte zijn gedaan.


[benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verdachte rechtspersoon] (hierna:`ook[benadeelde partij 1]), gevestigd te Rotterdam.

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vertegenwoordigt met diens vordering in totaal 76 cliënten en vordert aldus een totaalbedrag van € 3.777.296,54 aan materiële schade.


Gedurende het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank al op de eerste zittingsdag en nadien meermalen aangegeven behoefte te hebben aan toelichting op de vordering van de curator en heeft zij de officier van justitie meermalen gevraagd of de benadeelde partijen, in het onderhavige geval meer in het bijzonder [benadeelde partij 1], behoorlijk waren uitgenodigd voor de zitting. Aanvankelijk heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partij waren opgeroepen. Uiteindelijk heeft de rechtbank van de officier van justitie een afschrift gekregen van een e-mailwisseling tussen het openbaar ministerie en het kantoor van [benadeelde partij 1], waaruit volgens de officier van justitie zou moeten blijken dat[benadeelde partij 1] niet ter terechtzitting aanwezig wenste te zijn en van oproeping van de curator kon worden afgezien. Gezien het omvangrijke karakter van de vordering van[benadeelde partij 1], had de rechtbank echter aangegeven behoefte te hebben aan toelichting op en verduidelijking van deze vordering. Nu de rechtbank deze toelichting en verduidelijking niet heeft gekregen, zou een oplossing kunnen zijn de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden, teneinde alsnog [benadeelde partij 1] ter terechtzitting op te roepen. Echter, een dergelijke exercitie zou een zware belasting van het strafgeding opleveren. Gelet op het feit dat in elk geval tegen [verdachte] en[medeverdachte 1] ook nog een civiele procedure loopt, de curator het strafgeding kennelijk niet belangrijk genoeg heeft gevonden om te verschijnen en de officier van justitie de curator als benadeelde partij kennelijk niet belangrijk genoeg heeft gevonden om hem hoe dan ook op te roepen, is die zware belasting ook een onevenredige belasting. De benadeelde partij [benadeelde partij 1] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.


[benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2], wonende te Tiel. De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 8.365,68 aan materiële schade.


Hoewel de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als zodanig niet is vermeld in de ten laste gelegde en thans bewezen verklaarde feiten, is zij, nu zij aan de hand van het thans bewezen verklaarde kan worden aangewezen als direct slachtoffer daarvan, ontvankelijk in haar vordering.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde feiten, zodat de vordering, nu deze genoegzaam is onderbouwd, zal worden toegewezen.


Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij [benadeelde partij 2] betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


[benadeelde partij 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3], wonende te Mariahout. De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van € 40.356,87 aan materiële schade.


Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] rechtstreeks schade is toegebracht door de onder 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde feiten.

Blijkens het zich in het onderliggende dossier bevindende ‘overzicht schuldbekentenissen’ (bijlage D-021) is door dan wel namens [verdachte rechtspersoon] een totaalbedrag van

€ 3456,91 aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] reeds terugbetaald. Dit bedrag zal derhalve in mindering worden gebracht op het totaal gevorderde bedrag aan materiële schade, in die zin dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen. Ten aanzien van het resterende bedrag, te weten een bedrag van € 36.899,96, zal dit deel van de vordering, nu dit genoegzaam is onderbouwd en het de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen.


Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij [benadeelde partij 3] betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 3] van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


[benadeelde partij 4] namens [benadeellde partij 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd – namens haar overleden echtgenoot de benadeelde [benadeellde partij 5] – [benadeelde partij 4] wonende te Hoorn. De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een bedrag van € 23.650,- aan materiële schade.


Hoewel de benadeelde [benadeellde partij 5] als zodanig niet is opgenomen in voormelde ten laste gelegde en thans bewezen verklaarde feiten, is de benadeelde partij [benadeelde partij 4] wel ontvankelijk in haar vordering, nu haar overleden echtgenoot aan de hand van het thans bewezen verklaarde kan worden aangewezen als direct slachtoffer daarvan.


Vast is komen te staan dat aan de overleden echtgenoot van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] rechtstreeks schade is toegebracht door de onder 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde feiten, zodat de vordering, nu deze genoegzaam is onderbouwd, zal worden toegewezen.

Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij [benadeelde partij 4] betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 4] van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


[benadeelde partij 6]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 6], wonende te Amsterdam. De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert een bedrag van € 58.687,93 aan materiële schade.

Hoewel de benadeelde partij [benadeelde partij 6] als zodanig niet is opgenomen in voormelde ten laste gelegde en thans bewezen verklaarde feiten, is zij, nu zij aan de hand van het thans bewezen verklaarde kan worden aangewezen als direct slachtoffer daarvan, ontvankelijk in haar vordering.


Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 6] rechtstreeks schade is toegebracht door de onder 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde feiten.

Blijkens het zich in het onderliggende dossier bevindende ‘overzicht schuldbekentenissen’ (bijlage D-021) is door dan wel namens [verdachte rechtspersoon] een totaalbedrag van

€ 6.446,10 aan de benadeelde partij [benadeelde partij 6] reeds terugbetaald. Dit bedrag zal derhalve in mindering worden gebracht op het totaal gevorderde bedrag aan materiële schade, in die zin dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen. Ten aanzien van het resterende bedrag, te weten een bedrag van € 52.241,83, zal dit deel van de vordering, nu dit genoegzaam is onderbouwd en het de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen.


Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij [benadeelde partij 6] betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 6] van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


[benadeelde partij 7]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 7], wonende te Hoofddorp. De benadeelde partij [benadeelde partij 7] vordert een bedrag van € 333.951,79 aan materiële schade. Deze vordering bestaat uit kosten van een nieuwe hypotheek, gemiste annuïteiten, verlies op de verkoop van een huis en kosten voor rechtsbijstand.


Hoewel de benadeelde partij [benadeelde partij 7] als zodanig niet is opgenomen in voormelde ten laste gelegde en thans bewezen verklaarde feiten, is zij, nu zij aan de hand van het thans bewezen verklaarde kan worden aangewezen als direct slachtoffer daarvan, ontvankelijk in haar vordering.


Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 7] rechtstreeks schade is toegebracht door de onder 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde feiten.

Blijkens het zich in het onderliggende dossier bevindende ‘overzicht schuldbekentenissen’ (bijlage D-021) is door dan wel namens [verdachte rechtspersoon] een totaalbedrag van

€ 110.000,- van de benadeelde partij ontvangen. [verdachte rechtspersoon] heeft € 8.571,58 aan de benadeelde partij [benadeelde partij 7] terugbetaald. Dit bedrag zal derhalve in mindering worden gebracht op het totaal gevorderde bedrag aan materiële schade, in die zin dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen. De vordering wat betreft het overige zal niet ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende vast staat dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het strafbare feit, dan wel een vordering van rechtsbijstand betreft. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 101.428,42.


Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij [benadeelde partij 7] betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 7] van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.421,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 28, 31, 47, 51, 57, 63, 225, 326, 339, 340 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.



BESLISSING

De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 subsidiair, 3 meer subsidiair en 5 primair heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 meer subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


ontzet de verdachte van de uitoefening van enig beroep in de financiële sector voor een tijd de duur van de gevangenisstraf met 3 (drie) jaren te boven gaand;


verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verdachte rechtspersoon] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de benadeelde partij [curator] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;


wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te Tiel toe tot een bedrag van € 8.365,68 aan materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover een of meer van zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] te betalen € 8.365,68 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 8.365,68 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 76 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te Mariahout toe tot een bedrag van € 36.899,96 aan materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover een of meer van zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij Hagelaars te betalen € 36.899,96 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 36.899,96 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 219 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4], wonende te Hoorn toe tot een bedrag van € 23.650,- aan materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover een of meer van zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] te betalen € 23.650,- tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 23.650,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 153 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6], wonende te Amsterdam toe tot een bedrag van € 52.241,83 aan materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover een of meer van zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 6] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] te betalen € 52.241,83 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 52.241,83 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 292 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7], wonende te Hoofddorp toe tot een bedrag van € 101.428,42 aan materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover een of meer van zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 7] gemaakt, tot op heden begroot op € 1.421,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] te betalen € 101.428,42 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 101.428,42 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 365 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.




Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. E.M. Havik en P. Volker, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2015.


De oudste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.


1 Indien in onderstaande voetnoten wordt verwezen naar het dossier, wordt daarmee bedoeld het overzichtsprocesverbaal (OPV) inzake [verdachte rechtspersoon], dossiernummer 46140, inclusief bijlagen, opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren op 1 februari 2011. Indien wordt verwezen naar een ambtshandeling (AH) betreft dit een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, als bijlage gevoegd bij het OPV. Indien wordt verwezen naar een document (D), betreft dit een overig schriftelijke bescheid dat als bijlage is gevoegd bij het OPV. Alles, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. De overige schriftelijke bescheiden worden alleen gebruikt in verband met de andere bewijsmiddelen.
2 Dossier, p. 1464
3 Dossier, p. 1468
4 Dossier D-020, p. 1893-1897
5 Dossier, p. 1030
6 T&C Sv (10e druk), aantekening 6 bij art. 341. 6. Medeverdachte (lid 3) De verklaring van medeverdachten mogen als zodanig niet tegen elkaar worden gebruikt. Niet gevoegde zaken De rechtspraak hanteert echter een zeer beperkt begrip medeverdachte: slechts degene die samen met de verdachte op dezelfde aanklacht in dezelfde instantie tegelijk in gevoegde zaken terecht staat. Zie onder andere HR 27 mei 1929, NJ 1929, p. 1329. De praktijk ontwijkt de onbruikbaarheid van medeverdachten in elkaars zaak eensdeels door de zaken tegelijkertijd te behandelen, doch uitdrukkelijk niet gevoegd. Zie ook A.C. Diesfeldt en M.J.A. Duker, ‘Artikel 341 lid 3 Sv: behouden, schrappen of vervangen?’, DD 2013/73. Horen van medeverdachten als getuigen Ook is het niet ongebruikelijk de ‘medeverdachten’ niet als verdachten maar als getuigen (onder ede) in elkaars zaak te horen (zie ook J.F. Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht 2011, onderdeel 5.3). De verklaringen die de verdachte als getuige heeft afgelegd in een strafzaak van een medeverdachte, mogen ook in zijn eigen zaak voor het bewijs worden gebruikt. Het gaat hier dan om een elders dan ter terechtzitting gedane opgave van de verdachte in de zin van art. 341 lid 2. Een dergelijke opgave kan volgens de Hoge Raad tot het bewijs meewerken als daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt (HR 2 maart 2010, NJ 2010/148). De verklaring moet dan wel in het dossier van verdachte zijn gevoegd. De Hoge Raad heeft hieromtrent nog bepaald dat de toewijzing van het verzoek om het proces-verbaal van de terechtzitting in de zaak tegen een medeverdachte in het dossier van verdachte te voegen, niet in strijd is met art. 341 lid 3, noch met enig beginsel van een behoorlijke procesorde (HR 6 april 2010, NJ 2010/148).
7 Dossier, AH-099, p. 949
8 Dossier, AH-031, p. 425
9 Als noot 8, (zakelijk weergegeven): totaal loonkosten bestuur over de periode 2005-2009[medeverdachte 1], [verdachte],[medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 4]: € 976.336,00 (p. 425-426) totaal rekening courant met [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 4]: € 552.710,00 (p. 426); Loonkosten callcenter Enschede en kantoor Rotterdam € 991.148,00 (p. 427); Overige bedrijfskosten € 1.664.962,00, waaronder autokosten in de periode 2006-2009: € 251.544 (p. 427). Uitgaven aan auto's Uit het onderzoek komen tweemaal kosten naar voren welke te maken hebben met auto's. Enerzijds zijn er de autokosten zoals vermeld onder de overige bedrijfskosten i.c. € 251.544,00, welke voornamelijk bestaan uit de leasekosten van de bedrijfsauto's bij BMW Financial Service. Anderzijds zijn er de uitgaven aan auto's € 55.165,00, waarbij het gaat om de auto's in bezit bij [verdachte rechtspersoon] (p. 428).
10 Dossier, OPV, p. 58.
11 Dossier, p. 1031.
12 Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting op 9 februari 2015: [medeverdachte 1] en ik hebben elkaar in zomer 2005 ontmoet. Ik heb hem toen gevraagd of hij open stond in een samenwerking in een financiële organisatie. Ik heb toen gezegd dat we dat samen met [verdachte] zouden doen. We hebben het bedrijf bedacht met zijn drieën. Verklaring [verdachte] op 9 februari 2015: Het klopt, dat ik bij de oriëntatiebijeenkomst aanwezig was. Daar werden de mogelijkheden van samenwerking besproken. [medeverdachte 1] had de kennis en de diploma’s. Wij hebben het zo besproken dat [medeverdachte 1] de binnendienst zou doen. [medeverdachte 2] en ik zouden de verkoop doen.
13 Dossier, D-015, p. 1884.
14 Dossier, p. 1106. Ter terechtzitting op 9 februari 2015 heeft [medeverdachte 2] hierover opgemerkt: Ik had een leidinggevende rol in de buitendienst.
15 Dossier, D-0157 en p. 2131 wat betreft [medeverdachte 2]; D-0158 en p. 2134 wat betreft [verdachte] en D-0157 en p. 2137 wat betreft [medeverdachte 1].
16 Tijdens de terechtzitting van 9 februari 2015 heeft [medeverdachte 2], gevraagd of [medeverdachte 2]@xs4all.nl) zijn adres was, geantwoord: Toenmalig.
17 Dossier, p. 867-871.
18 Dossier, OPV, p. 59.
19 Dossier, D-021, p. 1898 en 1899: SB030308 [betrokkene 4]; SB200208 [betrokkene 3]; SB280208, [betrokkene 5]; SB270208, [betrokkene 4]; SB090408,[betrokkene 8]
20 Dossier, OPV, p. 10: [verdachte] is op 10 augustus 2006 gehuwd [medeverdachte 5] (V08). [medeverdachte 5] staat in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna GBA) ingeschreven op het adres[adres] Purmerend. Verklaring van P. [medeverdachte 1] op 8 november 2011: Op uw vraag waar [verdachte] woonde, kan ik u zeggen dat hij gewoon bij zijn vrouw in Purmerend woont, Dossier, p. 1033.
21 Dossier, AH-060, p. 601.
22 Dossier, D-021, p. 1899: SB210109 en SB040409, J.N.M. [betrokkene 9].
23 Dossier, D-014, p. 1867.
24 Dossier, D-0154, p. 2124.
25 Dossier, D-014, p. 1866.
26 Dossier, P-181, p. 2238-2239: De rechtbank verklaart [verdachte rechtspersoon] in staat van faillissement op 8 september 2009.
27 Wat[medeverdachte 1] en [verdachte] betreft, blijkt uit Document 0152, p. 2118, dat kennelijk de schriftelijke weergave is van e-mail berichten tussen deze beide (mede)verdachten, dat zij op 29 mei 2009 nog spreken over de inzet van ingelegde gelden voor bedrijfsvoering: Van: [medeverdachte 1] Verzonden: vrijdag 29 mei 2009 14:54 Aan: [verdachte] Onderwerp: RE: [verdachte], Oke, wordt betaald uit [betrokkene 14], maandag aanstaande. Prettig week-end [medeverdachte 1] Oorspronkelijk bericht Van: [verdachte] Verzonden: vrijdag 29 mei 2009 14:41 Aan: [medeverdachte 1] Onderwerp: FW: [medeverdachte 1], Ontvangen betalingsherinnering van Tele2. Zie de tijdsdruk/sanctie. [verdachte]
28 Dossier V02-06 (verklaring [medeverdachte 1] op 9 november 2010): Ik wist niet dat voor het aantrekken van geld beneden de 50.000 euro een vergunning nodig was. Als ik het had geweten dan had ik dit nooit gedaan (p. 1043).
29 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting op 9 februari 2015: [betrokkene 12] heeft een bankrekening aan mij ter beschikking gesteld.
30 Dossier, verklaring van[medeverdachte 5] op 9 november 2010: Ik kreeg € 2250 van zijn salaris per maand. Dat was echt nodig want de hypotheek is er één met variabele rente. Op een gegeven moment moest ik rond de € 1900 per maand betalen. lk kreeg dit geld direct van [verdachte rechtspersoon] op mijn rekening gestort (p. 1215). [verdachte] heeft mij verteld dat hij bonussen had verdiend en deze werden op mijn rekening gestort om aankopen te kunnen doen. Het was steeds exact het bedrag dat wij moesten betalen voor de aankopen en geen cent meer (p. 1217).
31 Dossier, AH-23-1, p. 389
32 Dossier, p. 587-588
33 Dossier, p. 588
34 Dossier, p. 589
35 Dossier, p. 590
36 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099 en de CAG, 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1939, in het bijzonder de overwegingen onder de nummers 4.9 tot met 4.14 met algemene beschouwingen over medeplegen
37 Dossier V05-056(verklaring [medeverdachte 4] op 9 november 2010)