Rechtbank Rotterdam, 03-03-2015 / 10/740227-14


ECLI:NL:RBROT:2015:1425

Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich in een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan het bestelen van hulpbehoevende (bejaarde) en kwetsbare personen en heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat deze mensen in de verdachte stelden als thuishulp. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-03-03
Zaaknummer
10/740227-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/740227-14

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1],

raadsman mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2014 en 17 februari 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. B. van Unnik heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 6 telkens primair en onder 7 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als die aanwijzingen inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek het Dok, de Waag of soortgelijke instelling.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 7

Het onder 7 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Op 3 juni 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de verdachte aan het [adres 1], waarbij twee laptops (merk HP en Acer) en twee tablets in beslag zijn genomen. Na onderzoek van de Digitale Opsporing van de politie werden op de twee laptops in totaal 144 foto’s en 103 films bevattende - kort gezegd - kinderporno aangetroffen, voornamelijk opgeslagen in de map users\[verdachte]\downloads, waarbij het merendeel is aangetroffen op de HP laptop die in de woonkamer stond.

De verdachte heeft niet betwist dat er kinderporno op de laptops stond, maar stelt - kort gezegd - dat niet zij, maar mogelijk anderen die ook toegang tot de laptops hadden de kinderporno daarop hebben gedownload/geplaatst.

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde op de zitting kan niet worden bewezen dat de verdachte zelf op zoek is geweest naar de aangetroffen kinderpornografische bestanden, noch dat de verdachte zelf een handeling heeft verricht waardoor deze bestanden op de laptops zijn opgeslagen. Tevens kan niet worden bewezen dat de verdachte - zoals in het proces-verbaal van bevindingen met nummer 1407031400.DZK staat vermeld - de bestanden middels externe hardware op de laptops heeft geplaatst. Dat de op de HP laptop aangetroffen kinderporno in een zelfde map stond als onder andere een werkrooster en een curriculum vitae van de verdachte is weliswaar verdacht, maar onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit geldt te meer, nu ook de partner van de verdachte, [betrokkene 1], bij de politie heeft verklaard dat buiten verdachte zelf meerdere personen de laptop gebruikten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen en films, (voorwaardelijk) opzettelijk en dus bewust in haar bezit heeft gehad in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. De mogelijkheid dat een ander deze bestanden op de laptops heeft gezet is niet uit te sluiten.

BEWIJS

Bewijsverweer

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling

Aan de verdachte worden (primair) een zestal diefstallen ten laste gelegd die in de kern hetzelfde verwijt betreffen: het stelen van goederen (voornamelijk sieraden) uit woningen in de periode van 25 oktober 2013 tot en met 19 mei 2014. De slachtoffers zijn hierbij steeds hulpbehoevende (bejaarde) vrouwen die één of meerdere malen per week zorghulp krijgen van (onder andere) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2].

De verdachte heeft (steeds) ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de ten laste gelegde diefstallen. Uit de stukken in het dossier dient - voor een bewezenverklaring - dan ook het tegendeel te blijken.

De verdachte heeft op de zitting verklaard in de ten laste gelegde periode werkzaam te zijn geweest als thuiszorgmedewerkster bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en dat zij in het kader van haar werkzaamheden op een lijst aftekende wanneer zij aan iemand zorg had verleend. Zij heeft voorts ter zitting verklaard dat zij de aftekenlijsten zoals die zich in het dossier bevinden herkende en dat zij inderdaad steeds degene was die die betreffende lijsten heeft afgetekend. De rechtbank zal hier - bij de bespreking van de afzonderlijke feiten - dan ook van uitgaan en stelt, mede gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) het volgende vast.

Feit 1

Op 21 mei 2014 heeft aangeefster [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal van sieraden en een geldbedrag, gepleegd op 14 mei 2014. Op die dag heeft een medewerkster van [bedrijf 2] zorghulp aan haar verleend. Op haar tafel lag een gouden ketting en een gouden ring en in haar handtas zat € 500,--. Een half uur na vertrek van deze medewerkster kwam aangeefster erachter dat de sieraden en het geldbedrag waren weggenomen. Uit de aftekenlijst in de zorgmap van aangeefster blijkt dat de verdachte degene is geweest die op 14 mei 2014 de zorghulp aan aangeefster heeft verleend. Daarnaast blijkt uit de aangifte dat tussen het moment dat de verdachte de woning van aangeefster heeft betreden en het moment waarop werd vastgesteld dat de goederen waren gestolen, geen andere mensen in de woning zijn geweest.

Feit 2

Aangeefster [slachtoffer 2] deed op 6 februari 2014 aangifte van diefstal van onder meer vier armbanden, zes gouden ringen, een jade ketting met jade hanger en ongeveer € 3.000,-, gepleegd in de periode van 27 december 2013 tot 3 februari 2014. Aangeefster heeft verklaard dat zij in deze periode nauwelijks bezoek heeft gehad en dat alleen de thuishulp in de slaapkamer kwam waar de goederen lagen. De verdachte heeft in genoemde periode via [bedrijf 2] bij het slachtoffer thuishulp verleend. In de woning van de verdachte zijn op 3 juni 2014 verschillende goederen aangetroffen, waaronder veel sieraden. Eén van deze sieraden heeft aangeefster als haar eigendom herkend.

Feit 3

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft op 19 mei 2014 aangifte gedaan van diefstal van een gouden schakelarmband tussen zondagavond 11 mei 2014 en zaterdag 17 mei 2014. De verdachte heeft op 13 mei 2014 zorghulp verleend aan aangeefster in haar woning en heeft ook op die dag aan juwelier [naam juwelier] een gouden schakelarmband verkocht. Na het tonen van deze armband aan aangeefster [slachtoffer 3] verklaarde zij dat deze armband sterke gelijkenis vertoonde met de bij haar weggenomen armband; de schakels, de sluiting, de breedte en de lengte kwamen precies overeen, maar ze twijfelde nog of het aantal schakels van haar armband ook 6 was. Uit nader onderzoek van de politie naar foto’s verstrekt door de zoon van aangeefster, blijkt dat ook haar armband 6 schakels had.

Feit 4

Op 29 april 2014 wordt door de dochter van de 97-jarige [slachtoffer 4] (mevrouw [betrokkene 2]) aangifte gedaan van diefstal van een gouden ketting tussen donderdagavond 24 april 2014 en zaterdagochtend 26 april 2014 en € 200,-- in de periode tussen zondag 20 april 2014 en zaterdag 26 april 2014. Op donderdag 24 april 2014 heeft de verdachte zorghulp verleent aan aangeefster. Op vrijdag 25 april 2014 heeft de verdachte sieraden aangeboden en verkocht aan juwelier [naam juwelier]. Van deze sieraden zijn foto’s gemaakt en deze zijn getoond aan mevrouw [betrokkene 2]. Deze heeft verklaard dat in ieder geval de hanger erg lijkt op die van haar moeder en dat zij de foto aan haar broer heeft getoond die de sieraden herkende als zijnde de sieraden van aangeefster

Feit 5

Aangeefster [slachtoffer 5] deed op 23 mei 2014 aangifte van diefstal van een groot aantal sieraden, gepleegd in de periode van 22 april 2014 tot en met 9 mei 2014. De verdachte heeft onder meer op 24 april 2014 bij aangeefster thuishulp verricht. Na het tonen van een aantal sieraden die bij de verdachte in haar woning op 3 juni 2014 zijn aangetroffen, herkent aangeefster een goudkleurige ketting met daaraan een klokje, een zilverkleurig horloge en een goud met zilverkleurig horloge (met zekerheid) als haar eigendom.

Feit 6

Aangeefster [slachtoffer 6] heeft op 4 november 2013 aangifte gedaan van diefstal van een aantal sieraden, gepleegd in de periode van 25 oktober 2013 tot en met 3 november 2013. De verdachte is onder meer op 2 en 3 november 2013 bij aangeefster thuis geweest om thuishulp te verlenen. Na het tonen door de politie van twee horloges die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte op 3 juni 2014, herkent aangeefster deze als haar horloges.

De rechtbank stelt vast dat alle hierboven besproken feiten duiden op diefstallen waarbij sprake is van een zelfde modus operandi. De slachtoffers zijn steeds hulpbehoevende (bejaarde) vrouwen die, (kort) na het bezoek van de verdachte als thuiszorgmedewerkster, sieraden en/of geld missen.

Volgens vaste jurisprudentie mag, indien uit het geheel van het bewijsmateriaal ter zake van een reeks van delicten een herkenbaar en gelijksoortig (gedrags)patroon kan worden vastgesteld, gebruik worden gemaakt van zogenaamd schakelbewijs: bewijsmiddelen die op zichzelf beschouwd redengevend zijn voor het bewijs van uitsluitend een bepaald strafbaar feit kunnen bij deze stand van zaken ook de bewezenverklaring van andere strafbare feiten, en met name de betrokkenheid van verdachte daarbij, - bijkomend - ondersteunen. Gelet op het herkenbaar en gelijksoortig gedragspatroon gebruikt de rechtbank de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van de feiten 2 tot en met 6, ook voor feit 1.

Met betrekking tot de specifiek door de raadsman per feit aangevoerde verweren wordt nog het volgende overwogen.

Aangevoerd is dat in de tenlastelegging goederen voorkomen die niet expliciet in de aangifte van één of meer aangeefsters zijn genoemd. Dit dient aldus de raadsman te leiden tot de conclusie dat de betreffende aangifte minder betrouwbaar is, dan wel tot vrijspraak van de diefstal van die goederen.

Dit verweer wordt verworpen. De slachtoffers van de onderhavige feiten betreffen voornamelijk (hoog)bejaarde vrouwen die - gelet op hun hoge leeftijd - begrijpelijkerwijs (mogelijk) niet direct alle goederen (kunnen) herinneren die zij missen. Wél hebben zij verschillende sieraden - ook een aantal die niet expliciet in de aangifte zijn genoemd - na confrontatie herkend als hun eigendom. Dit zijn sieraden die door de verdachte aan juweliers zijn verkocht, dan wel die door de politie bij verdachte thuis zijn aangetroffen op 3 juni 2014. De rechtbank acht daarom geen redenen aanwezig om te twijfelen aan de verklaringen van de slachtoffers.

Daarnaast is ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat de armband afgebeeld op pagina 175 van het dossier, wat betreft het aantal schakels, niet overeenkomt met de armband zoals afgebeeld op pagina 48 van het dossier, zodat niet kan worden vastgesteld dat de bij juwelier [naam juwelier] in beslag genomen armband de armband betreft die bij aangever [slachtoffer 3] is weggenomen.

De foto op pagina 175 van het dossier betreft echter - zoals ook te lezen valt - een vrijwel identieke armband als de armband van aangeefster [slachtoffer 3], met dien verstande dat de op pagina 175 afgebeelde armband een armband van een vriendin van [slachtoffer 3] is, die in tegensteling tot de armband van [slachtoffer 3], 7 ‘spijltjes’ breed is. Volgens de aantekeningen van de zoon op de foto op pagina 175 was de armband van zijn moeder ([slachtoffer 3]), zoals deze op pagina 174 van het dossier staat, echter maar 6 spijltjes breed. Ook de door de verdachte bij juwelier [naam juwelier] verkochte armband, afgebeeld op pagina 48 van het dossier, heeft 6 spijltjes. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag en wordt om die reden verworpen.

Ten slotte is ten aanzien van feit 5 aangevoerd dat door aangeefster [slachtoffer 5], tijdens haar verhoor op 6 juni 2014, sieraden zijn herkend op basis van foto’s, terwijl die foto’s niet conform het gestelde in het proces-verbaal van verhoor zijn. Dit proces-verbaal mag volgens de raadsman dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.

Ook dit verweer wordt verworpen. In het door de raadsman aangeduide proces-verbaal worden door aangeefster [slachtoffer 5] - na het tonen van een aantal foto’s - sieraden herkend als haar eigendom. Bij dit proces-verbaal is een fotobijlage gevoegd waarop alle in het proces-verbaal getoonde en beschreven sieraden staan afgebeeld. Kennelijk is in het proces-verbaal van verhoor abusievelijk verwezen naar de onjuiste foto in de bijlage. Dit kan echter worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving, doet niet af aan de herkenning door de aangeefster en leidt derhalve niet tot de conclusie dat het proces-verbaal van verhoor van het bewijs moet worden uitgesloten. Uit de omschrijving van de sieraden zoals deze door aangeefster worden herkend, blijkt immers duidelijk om welke sieraden (en foto’s) het gaat.

De overige verweren van de raadsman vinden zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, zodat daarop niet expliciet zal worden ingegaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zes diefstallen. De verdachte is bij alle aangeefsters thuis geweest om zorghulp te verlenen en daarnaast is er een (groot) aantal gestolen sieraden bij de verdachte thuis aangetroffen. Verder heeft zij gedurende de ten laste gelegde periode verschillende juweliers bezocht, waarbij zij sieraden - waarvan een aantal door de aangeefsters herkend is als hun eigendom - te koop heeft aangeboden en ook daadwerkelijk heeft verkocht. Desgevraagd heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven hoe deze goederen bij haar terecht zijn gekomen, dan wel hoe zij de sieraden die zij heeft aangeboden bij de juweliers, in bezit heeft gekregen. De verklaring van de verdachte dat deze sieraden erfstukken betreffen van overleden familieleden wordt, gelet op het voorgaande maar ook gelet op de grote hoeveelheid sieraden die bij de verdachte thuis is aangetroffen en die de verdachte in het verleden al bij verschillende juweliers heeft verkocht, ongeloofwaardig geacht.

Conclusie

De verweren van de raadsman worden verworpen. De onder 1 tot en met 6 telkens primair ten laste gelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 6 telkens primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij op 14 mei 2014 te Capelle aan den IJssel in een woning, gelegen aan de [adres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting en ring (goud) en 500 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

zij in de periode van 27 december 2013 tot en met 03 februari 2014 te Capelle aan den IJssel in een woning, gelegen aan de [adres 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 4 armbanden (goud en zilver en jade) en 6 ringen (goud) en één ketting (jade) en 3.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2];

3.

zij op 13 mei 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas, in een woning, gelegen aan of nabij de [adres 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (schakel)armband (goud), toebehorende aan [slachtoffer 3];

4.

zij op 24 april 2014 te Rotterdam in een woning, gelegen aan de [adres 5], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting (goud) en 200 euro, toebehorende aan [slachtoffer 4];

5.

zij in de periode van 22 april 2014 tot en met 9 mei 2014 te Rotterdam in een woning, gelegen aan de [adres 5] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ketting voorzien van een klokje/uurwerk en een horloge (zilver) en een horloge (goud en zilver) en andere sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 5];

6.

zij in de periode van 25 oktober 2013 tot en met 3 november 2013 2014 te Rotterdam in een woning, gelegen aan de [adres 5] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee horloges (zilver- en/of goudkleurig) en andere sieraden toebehorende aan [slachtoffer 6].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De onder 1 tot en met 6 telkens primair bewezen feiten leveren telkens op:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van enkele maanden zes maal schuldig gemaakt aan het bestelen van hulpbehoevende (bejaarde) en kwetsbare personen. De verdachte is zonder enig respect of gevoel voor de kwetsbare positie van de slachtoffers overgegaan tot deze diefstallen en heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat deze mensen in haar stelden als thuishulp. De goederen die de verdachte heeft gestolen betroffen voornamelijk sieraden die vooral veel emotionele waarde voor de slachtoffers vertegenwoordigden. Diefstal veroorzaakt schade en in het algemeen bij de benadeelde gevoelens van onrust en onveiligheid. Dit geldt des te meer voor oudere of hulpbehoevende mensen die weinig het huis uit komen en geheel moeten kunnen vertrouwen op de zorgverleners die bij hen aan huis komen. Dat het handelen van de verdachte bij de slachtoffers grote impact heeft gemaakt en leidt tot een aantasting van het vertrouwen dat oudere mensen moeten kunnen hebben in thuiszorginstellingen, blijkt ook uit de verklaring van [slachtoffer 5] op de zitting. De rechtbank acht het handelen van de verdachte dan ook zeer laakbaar.

Bij dergelijke feiten past het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2015 eerder een geldboete heeft betaald terzake diefstal.

Daarnaast is bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf gelet op het door GGZ reclassering Limburg over de verdachte opgemaakte rapport, gedateerd 22 augustus 2014 en het door Bouman GGZ over de verdachte opgemaakte voortgangsverslag, gedateerd 12 februari 2015. Deze rapporten houden - samenvattend en voor zover van belang - het volgende in. De verdachte rookt sinds haar vijftiende levensjaar marihuana en gebruikt wel eens cocaïne. Daarnaast is alcoholgebruik een probleem. De verdachte lijkt een gebrekkig probleembesef te hebben. Op grond van het recidiverisico (dat als matig wordt ingeschat), de criminogene factoren en de eventuele interventies in het verleden, is een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd. De reclassering adviseert dan ook een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en de verplichting tot het volgen van een ambulante behandeling bij de forensische verslavingszorg.

Ten slotte is gelet op het door de psycholoog [naam psycholoog] over de verdachte opgemaakte rapport, gedateerd 13 augustus 2014. Dit rapport houdt - samenvattend en voor zover van belang - het volgende in. Er is sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag, van misbruik van alcohol en van een persoonlijkheidsstoornis NAO met voornamelijk borderline en narcistische trekken. Hiervan was ook sprake op het moment dat het ten laste gelegde zich voordeed. Alle factoren overziend, is vermoedelijk sprake geweest van enige mate van vermindering van de keuzevrijheid van handelen. Geadviseerd wordt dan ook de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Nu de conclusie van de psycholoog gedragen wordt door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank dit advies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de vrijspraak voor feit 7, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Een gevangenisstraf van na te noemen duur wordt passend en geboden geacht, waarbij een gedeelte in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd. De straf dient de verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van soortgelijke feiten. Voor dat doel zullen als bijzondere voorwaarden worden opgelegd een verplicht reclasseringstoezicht en het volgen van een ambulante behandeling bij Het Dok, De Waag of soortgelijke instelling.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen laptops verbeurd te verklaren.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 7 ten last gelegde kan een verbeurdverklaring als bijkomende straf niet worden opgelegd. Wel zal de rechtbank overgaan tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen laptops. Deze voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kunnen, gelet op de daarop aangetroffen kinderpornografische bestanden, dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Daarnaast is het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen, nu zich daarop kinderpornografische bestanden bevinden, van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de in beslag genomen tablets zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Feit 4

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 4], wonende te Rotterdam, ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.200,-- aan materiële schade.

Vastgesteld wordt dat niet alle door de benadeelde partij opgesomde goederen waarvoor een schadevergoeding wordt gevorderd, in de ten laste legging voorkomen. Nu echter al deze goederen wel in het dossier voorkomen als gestolen goed en nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Feit 5

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 5], wonende te Rotterdam, ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit.

Op het voegingsformulier dat door de benadeelde partij is ingediend staat geen schadebedrag ingevuld. Desgevraagd heeft de benadeelde partij op de zitting laten weten geen schadebedrag te vorderen, maar slechts kenbaar heeft willen maken welke gevolgen het feit voor haar heeft gehad.

Gelet op het voorgaande zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Feit 6

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 6], wonende te Rotterdam, ter zake van het onder 6 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 865,-- aan materiële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 6 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36b, 36f, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 6 telkens primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen bij de forensische polikliniek De Waag, Het Dok, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door de forensische polikliniek van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling zullen worden gegeven;

- de veroordeelde zal, mocht de reclassering dit noodzakelijk achten, zich ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek klinisch laten opnemen voor de duur van maximaal zeven weken, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- verklaart onttrokken aan het verkeer:

- G4647670 Notebook

- G4647606 Computer

- gelast de teruggave aan verdachte van:

- G4647611 Tablet

- G4647757 Tablet Polaroid;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te Rotterdam toe tot een bedrag van € 865,-- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] te betalen € 865,-- (achthonderd vijfenzestig euro);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 865,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te Rotterdam toe tot een bedrag van € 1200,-- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] te betalen € 1.200,-- (twaalfhonderd euro);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 1.200,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.K. Rapmund, voorzitter,

en mrs. M.V. Scheffers en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2015.

Bijlage I bij vonnis van 3 maart 2015.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij

op of omstreeks 14 mei 2014 te Capelle aan den IJssel in/uit een woning,

gelegen aan of nabij de [adres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een ketting en/of ring (goud) en/of 500 euro,

in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(Art. 310 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

op of omstreeks 14 mei 2014 te Capelle aan den IJssel opzettelijk

een ketting en/of ring (goud) en/of 500 euro, in elk geval enig(e) goed(eren)

en/of geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en

welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking

van/als thuiszorgmedewerker (in dienst bij / werkzaam voor het uitzendbureau

[bedrijf 3]), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Art. 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

2.

zij

in of omstreeks de periode van 27 december 2013 tot en met 03 februari 2014

te Capelle aan den IJssel in/uit een woning, gelegen aan of nabij de [adres 3],

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

4 armbanden (goud en/of zilver en/of jade) en/of 6 ringen (goud) en/of één

ketting (jade) en/of 3.000 euro, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

(Art. 310 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

in of omstreeks de periode van 27 december 2013 tot en met 03 februari 2014

te Capelle aan den IJssel opzettelijk 4 armbanden (goud en/of zilver en/of

jade) en/of 6 ringen (goud) en/of één ketting (jade) en/of 3.000 euro, in elk

geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e)

goed(eren) en/of geldbedrag verdachte uit hoofde van haar persoonlijke

dienstbetrekking van/als thuiszorgmedewerker (in dienst bij / werkzaam voor

het uitzendbureau [bedrijf 3]), in elk geval anders dan door misdrijf

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Art. 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

3.

zij

op of omstreeks 13 mei 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,

in/uit een woning, gelegen aan of nabij de [adres 4], met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (schakel)armband (goud), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(Art. 310 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

op of omstreeks 13 mei 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,

opzettelijk een (schakel)armband (goud), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke

dienstbetrekking van/als thuiszorgmedewerker (in dienst bij / werkzaam voor

het uitzendbureau [bedrijf 3]), in elk geval anders dan door misdrijf

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Art. 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

4.

zij

op of omstreeks 24 april 2014 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan of

nabij de [adres 5], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een ketting (goud) en/of 200 euro, in elk geval enig goed

en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(Art. 310 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

op of omstreeks 24 april 2014 te Rotterdam opzettelijk een ketting (goud)

en/of 200 euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en welk goed en/of geldbedrag verdachte uit hoofde van haar

persoonlijke dienstbetrekking van/als thuiszorgmedewerker (in dienst bij /

werkzaam voor het uitzendbureau [bedrijf 3]), in elk geval anders dan

door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Art. 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

5.

zij

in of omstreeks de periode van 16 maart 2014 tot en met 19 mei 2014 te

Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres 5] met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ketting voorzien van

een klokje/uurwerk en/of een horloge (zilver) en/of een horloge (goud en/of

zilver) en/of een of meer andere sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte;

(Art. 310 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

in of omstreeks de periode van 16 maart 2014 tot en met 19 mei 2014

te Rotterdam opzettelijk een gouden ketting voorzien van een klokje/uurwerk

en/of een horloge (zilver) en/of een horloge (goud en/of zilver) en/of een of

meer andere sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke

dienstbetrekking van/als thuiszorgmedewerker (in dienst bij / werkzaam voor

het uitzendbureau [bedrijf 3]), in elk geval anders dan door misdrijf

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Art. 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij

op of omstreeks 03 juni 2014 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten

een gouden ketting voorzien van een klokje/uurwerk en/of een horloge (zilver)

en/of een horloge (goud en/of zilver) en/of een of meer andere sieraden,

heeft voorhanden gehad, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans

door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(Art. 416/417bis Wetboek van Strafrecht)

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

6.

zij

in of omstreeks de periode van 25 oktober 2013 tot en met 03 november 2013

2014 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres 5] met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

twee horloges (zilver- en/of goudkleurig) en/of een of meer andere sieraden,

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(Art. 310 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

in of omstreeks de periode van 25 oktober 2013 tot en met 03 november 2013

te Rotterdam opzettelijk twee horloges (zilver- en/of goudkleurig) en/of een

of meer andere sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar

persoonlijke dienstbetrekking van/als thuiszorgmedewerker (in dienst bij /

werkzaam voor het uitzendbureau [bedrijf 3]), in elk geval anders dan

door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Art. 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

7.

zij

in of omstreeks de periode van 15 april 2014 tot en met 03 juni 2014 te

Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, één of meermalen (telkens) een (groot aantal)

afbeelding(en), te weten 144 foto('s) en/of 103 film(s) - en/of (een)

gegevensdrager(s), te weten één of meer computer(s), in bezit heeft gehad,

terwijl die afbeeldingen (foto's en/of films) en/of gegevensdrager(s) een of

meer afbeeldingen van seksuele gedragingen bevatten,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven -

bestonden uit (onder meer):

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of (een)

vinger(s)/hand van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van

18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het oraal en/of vaginaal penetreren, met de penis en/of (een) vinger(s)/hand,

van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de

leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken, met (een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(en)

(en/of de mond/tong, van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken, met (een) vinger(s)/hand en/of (een)

voorwerp(en), van de geslachtsdelen en/of de billen van een (ander) persoon

door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze

perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of opgemaakt is/zijn en/of poseert/poseren in

een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte)

houding(en) (op een wijze) die niet bij haar/hun leeftijd past/passen

en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de

wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten

en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of

strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het lichaam van een perso(o)n(en)

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt;

(art. 240b Wetboek van Strafrecht)