Rechtbank Rotterdam, 18-02-2015 / C/10/450851 / HA ZA 14-508


ECLI:NL:RBROT:2015:1509

Inhoudsindicatie
Nasleep faillissement ziekenhuis. Vraag of toelatingsovereenkomst tussen failliet ziekenhuis en medisch specialisten is overgenomen in het kader van doorstart. Sprake van kwalitatieve rechten als bedoeld in artikel 6:251 BW? Onrechtmatig handelen doorstarter? Vrijheid doorstarter om overeenkomsten van failliet al dan niet over te nemen. Ongerechtvaardigde verrijking? Goodwill medische praktijk.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
C/10/450851 / HA ZA 14-508
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/358
  • NJF 2015/249
  • AR 2015/1899
  • GJ 2015/47
  • JOR 2015/275 met annotatie van mr. S.R. Damminga
  • GZR-Updates.nl 2015-0111 met annotatie van C.W.M. Verberne
  • INS-Updates.nl 2015-0098
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/450851 / HA ZA 14-508


Vonnis van 18 februari 2015


in de zaak van


1 [eiseres1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats2],

eisers,

advocaat mr. drs. B.P.H. Leijnse,


tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPIJKENISSE MEDISCH CENTRUM B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

2. de coöperatie

ZORG IN REGIO ZUID COÖPERATIEF U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de stichting

STICHTING MAASSTAD ZIEKENHUIS,

gevestigd te Rotterdam,

4. de stichting

STICHTING PROTESTANTS CHRISTELIJK ZIEKENHUIS IKAZIA,

gevestigd te Rotterdam,

5. de stichting

STICHTING HET VAN WEEL-BETHESDA ZIEKENHUIS,

gevestigd te Dirksland,

6. de maatschap naar burgerlijk recht

MAATSCHAP OOGHEELKUNDE MAASSTAD,

gevestigd te Rotterdam,

7. de maatschap naar burgerlijk recht

MAATSCHAP OOGHEELKUNDE IRIS,

gevestigd te Dirksland,

8. de maatschap naar burgerlijk recht

MAATSCHAP OOGHEELKUNDE IKAZIA ZH,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. T. van der Valk.




1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 3 september 2014 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 5 januari 2015;
  • - de pleitaantekeningen van beide partijen;
  • - de akte vermeerdering van eis en overlegging producties van eisers;
  • - de aanvullende producties van gedaagden;
  • - de brief van mr. Leijnse van 27 januari 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.



2De feiten

2.1.

Eisers zijn oogarts.


2.2.

Eiser sub 2 (hierna: [eiser2]) en eiseres sub 1 (hierna: [eiseres1]) zijn sinds 1 augustus 1991 respectievelijk 1 juni 1993 tot 24 juni 2014 werkzaam geweest bij het Ruwaard van Puttenziekenhuis te Spijkenisse, dat werd geëxploiteerd door (de rechtsvoorganger van) de Stichting Ruwaard van Puttenziekenhuis (hierna: SRPZ).


2.3.

De samenwerking van eisers met SRPZ vond plaats op basis van toelatingsovereenkomst, op grond waarvan eisers als medisch specialist zijn toegelaten tot het ziekenhuis om voor eigen rekening en risico de oogheelkundige praktijk uit te oefenen.


2.4.

De toelatingsovereenkomst bepaalt onder meer het volgende:


Goodwill

17.2

Tenzij het tegendeel schriftelijk is vastgelegd, heeft de medisch specialist recht

op goodwill ten aanzien van de uit hoofde van de onderhavige overeenkomst in het ziekenhuis verrichte werkzaamheden.

[…]

Artikel 24 Opzegging

24.1

Opzegging van deze overeenkomst door de stichting zal slechts plaatsvinden op

grond van gewichtige redenen van zodanig klemmende aard, dat redelijkerwijs van de stichting niet gevergd kan worden deze overeenkomst te continueren, […]”


2.5.

Op 5 juni 2014 heeft de rechtbank Den Haag twee stille bewindvoerders bij SRPZ benoemd. Aanleiding vormde de zorgelijke ontwikkeling van de financiële situatie waarin SRPZ zich bevond, mede als gevolg van door de inspectie geconstateerde problemen op de afdeling cardiologie van SRPZ. De bewindvoerders hadden tot taak door middel van een zogenoemde ‘pre-pack’ een overname van SRPZ te bewerkstelligen. Die overname is niet gerealiseerd.


2.6.

Op 24 juni 2014 is SRPZ op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard door de rechtbank Den Haag.


2.7.

Op diezelfde dag hebben de curatoren in het faillissement van SRPZ overeenstemming bereikt met gedaagde sub 1 (hierna: SMC), die toen nog i.o. was, over een doorstart. Die doorstart heeft vorm gekregen in een overeenkomst tot koop en verkoop (hierna: de koopovereenkomst) tussen de curatoren en SMC i.o., die onder andere als volgt bepaalt:


12. Wederzijdse verplichting en overname overeenkomsten

[…]

12.2

Verkoper zullen Koper in kennis stellen van contractspartijen die een termijn [aan] Verkopers hebben gesteld om aan te geven of lopende overeenkomsten, waarbij RVP [dat is SRPZ; toevoeging rb.] partij is (zoals huur, lease, telecom, verzekeringen, it, nutsvoorzieningen, abonnementen, enz.) worden overgenomen. Van aldus aan Verkopers gestelde termijnen die Verkopers aan Kopers hebben doorgegeven, alsmede aan Kopers gestelde termijnen, zullen Verkopers vervolgens aangeven welke van de desbetreffende lopende overeenkomsten Koper wenst over te nemen. Als een contractspartij medewerking afhankelijk stelt van de betaling van achterstallige verplichtingen, is het aan Koper om dat voor eigen rekening al dan niet te betalen of uit te onderhandelen met de betreffende contractspartij. Indien Koper de overeenkomst niet wenst over te nemen zullen verkopers de desbetreffende overeenkomst niet gestand doen. Eventuele vooruitbetalingen door RVP op

overeenkomsten die door Koper worden overgenomen, betrekking hebbend op de periode na Overdrachtsdatum, zullen door Koper aan Verkopers worden vergoed.”


2.8.

Enig aandeelhouder van SMC is gedaagde sub 2 (hierna: ZRZC). Oprichters en bestuurders van ZRZC zijn gedaagden sub 3, sub 4 en sub 5 (hierna in navolging van partijen: de C-ziekenhuizen). Aan de C-ziekenhuizen zijn maatschappen van oogheelkundigen verbonden, te weten gedaagden sub 6, sub 7 en sub 8 (hierna in navolging van partijen: de CO-vakgroepen).


2.9.

SMC heeft de toelatingsovereenkomsten tussen SRPZ en eisers niet overgenomen als bedoeld in artikel 12.2 van de koopovereenkomst. Wel heeft SMC met eisers (en overigens ook met de meeste andere specialisten van SRPZ) op 16 respectievelijk 17 juli 2013 een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van zes maanden gesloten. [eiseres1] heeft de arbeidsovereenkomst getekend met daarbij de opmerking “met behoud van mijn oude rechten”. De arbeidsovereenkomst met [eiser2] is met terugwerkende kracht ingegaan op 24 juni 2013, de arbeidsovereenkomst met [eiseres1] per 1 juli 2013. In de periode tussen 24 juni 2013 en 1 juli 2013 heeft [eiseres1] vanuit het gebouw van SMC gewerkt op basis van mondelinge overeenkomsten van opdracht.


2.10.

In de daarop volgende maanden heeft overleg plaats gevonden tussen verschillende geledingen binnen SMC en binnen de CO-vakgroepen over de vraag of en, zo ja, op welke wijze de van SRPZ overgekomen specialisten ook na afloop van de termijn van zes maanden een plaats konden krijgen binnen SMC en/of de CO-vakgroepen.


2.11.

Op 28 oktober 2013 is aan eisers bericht dat zij geen nieuwe arbeidsovereenkomst met SMC aangeboden zullen krijgen en dat zij als gevolg daarvan per 1 januari 2014 niet langer binnen het SMC werkzaam zullen zijn.


2.12.

In het novembernummer van het vaktijdschrift voor oogheelkunde hebben de C-ziekenhuizen en SMC een advertentie geplaatst waarmee werd geworven voor nieuwe oogartsen per 1 januari 2014. In september 2014 is een vergelijkbare advertentie geplaatst op de website van SMC.


2.13.

[eiseres1] heeft haar werkzaamheden in het SMC voortgezet tot 28 november 2013, [eiser2] tot 31 december 2013.


2.14.

Sinds hun vertrek bij SMC hebben eisers het grootste deel van de tijd elders als oogarts gewerkt, steeds op tijdelijke basis.



3Het geschil

3.1.

Eisers vorderen het volgende, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 284.084,-- aan [eiseres1] en € 224.861,-- aan [eiser2], vermeerderd met wettelijke rente;

hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 139.624,-- aan [eiseres1], vermeerderd met wettelijke rente;

primair gedaagden te gebieden aan [eiser2] een dienstverband aan te bieden voor onbepaalde tijd met overigens gelijke arbeidsvoorwaarden als in de tijdelijke arbeidsovereenkomst bedoeld in 2.9, subsidiair hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 73.069,-- aan [eiser2], vermeerderd met wettelijke rente;

hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een bedrag ter zake de buitengerechtelijke incassokosten;

hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.


3.2.

Gedaagden voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van eisers in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.



4De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is ter sprake gekomen in hoeverre betekenis toekomt aan de arbitrageclausule die is opgenomen in de toelatingsovereenkomsten. Ter comparitie hebben gedaagden uitdrukkelijk verklaard geen beroep te doen op die clausule. Dat betekent dat het geschil in volle omvang door de rechtbank kan worden beoordeeld.


wanprestatie

4.2.

Eisers baseren hun vordering in de eerste plaats op wanprestatie. Zij stellen zich op het standpunt dat de toelatingsovereenkomsten die zij hadden met SRPZ per faillissementsdatum zijn overgegaan op SMC, hetzij omdat zij bij de in 2.7 bedoelde koopovereenkomst zijn overgedragen, hetzij omdat zij kwalificeren als kwalitatief recht en als zodanig met de overgedragen goederen mee zijn overgegaan. De rechtbank verwerpt het standpunt van eisers op de navolgende gronden.


4.3.

De toelatingsovereenkomsten zijn gesloten tussen eisers en SRPZ, en dat impliceert dat eisers in beginsel slechts jegens SRPZ aanspraak kunnen maken nakoming van de in die overeenkomsten neergelegde verplichtingen van SRPZ. Niet van belang is dus dat eisers, zoals zij in hun pleitnota (sub 24) hebben aangegeven, van de curatoren niet te horen hebben gekregen dat dezen de toelatingsovereenkomsten niet gestand wensten te doen of dat eisers aan de curatoren geen termijn als bedoeld in artikel 12.2 van de koopovereenkomst hebben gesteld. Om te kunnen concluderen dat de toelatingsovereenkomsten door de curatoren in het faillissement van SRPZ zijn overgedragen aan SMC zal – afgezien van de vereiste instemming daarmee van eisers – sprake moeten zijn van aanbod en aanvaarding op dit punt, die neergelegd zijn in een akte (artikel 6:159 BW).


4.4.

Eisers hebben niet concreet gesteld dat een dergelijke overeenkomst tussen de curatoren en SMC tot stand is gekomen. Hun stellingen komen er in wezen op neer dat het ziekenhuis als zodanig per de faillissementsdatum is overgenomen en dat een dergelijke overname niet denkbaar is zonder dat ook de werkzaamheden van de in SRPZ werkzame specialisten zijn overgenomen. Er is, kortom, sprake van een overgang van de gehele onderneming en niet slechts van enkele activa – aldus eisers. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Ook als sprake is van een doorstart na faillissement van min of meer de gehele onderneming, kan die doorstart gestalte krijgen door middel van een overeenkomst tot koop en verkoop van activa. Feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake was van een andersoortige overdracht zijn gesteld noch gebleken. Voor de conclusie dat ook de toelatingsovereenkomsten met eisers als medisch specialisten zijn overgenomen is onvoldoende dat, zoals in het faillissementsverslag (productie 13 dagvaarding) wordt opgemerkt, “het ziekenhuis per faillissement datum (24 juni 2013, 0.00 uur) wordt gedreven voor rekening en risico van SMC”.


4.5.

Daarbij komt dat andere omstandigheden erop wijzen dat de toelatingsovereenkomsten met eisers juist niet zijn overgenomen. Eisers hebben gesteld dat zij in de periode na het faillissement hun werkzaamheden onverminderd hebben voortgezet. Dat staat op zichzelf niet ter discussie. Vast staat echter ook dat zij dit hebben gedaan op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die zij met SMC hebben gesloten. Het moge zou zijn dat eisers met het sluiten van deze arbeidsovereenkomsten hun “oude rechten”, zoals [eiseres1] onderaan de arbeidsovereenkomst heeft opgemerkt, niet hebben willen prijsgeven, maar in elk geval duidt het aangaan van deze arbeidsovereenkomsten erop dat SMC er vanuit ging dat zij de toelatingsovereenkomsten niet heeft overgenomen. Voor de periode tussen de datum van het faillissement (24 juni 2013) en de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst van [eiseres1] (1 juli 2013) geldt dat zij heeft gewekt op basis van mondelinge overeenkomsten van opdracht van SMC, waarvoor zij per handeling of per uur werd betaald, zoals [eiseres1] ter comparitie uitdrukkelijk heeft bevestigd. De met [eiser2] op 17 juli 2013 tot stand gekomen arbeidsovereenkomst is met terugwerkende kracht ingegaan op 24 juni 2013. Geen van eisers heeft de werkzaamheden na het faillissement dus voor wat betreft de onderliggende rechtsverhoudingen op de oude voet voortgezet. Verder staat vast dat eisers na 24 juni 2013 anders dan voorheen salaris van SMC hebben ontvangen, en dus niet meer zelf honorarium hebben gedeclareerd aan zorgverzekeraars of patiënten. Ten slotte wijst de rechtbank er op dat namens SMC i.o. al op 24 juni 2013 aan de medisch specialisten van SRPZ is gemeld dat “alle toelatingsovereenkomsten” als gevolg van het faillissement zijn “komen te vervallen” (productie 15 dagvaarding). Al deze gebeurtenissen en uitlatingen wijzen erop dat eisers vanaf de datum van het faillissement hun werkzaamheden niet langer verrichtten op basis van de toelatingsovereenkomsten. In elk geval volgt uit deze gebeurtenissen dat dit de bedoeling van SMC was en dat die bedoeling voor eisers kenbaar was. Eisers konden er dus niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hun toelatingsovereenkomst mede in de koopovereenkomst tussen de curator en SMC betrokken was.


4.6.

Bij dagvaarding hebben eisers er nog op gewezen dat zij nog altijd in het zogenoemde AGB-register zijn opgenomen als vrijgevestigde specialist met een oogheelkundige praktijk op de locatie van SMC. Voor zover eisers hiermee beogen te onderbouwen dat (ook) SMC ervan uitgaat dat de toelatingsovereenkomst met SRPZ door SMC is overgenomen, verwerpt de rechtbank dat standpunt. Het enkele feit dat eisers op een bepaalde wijze zijn geregistreerd, is onvoldoende voor de conclusie dat tussen eisers en SMC een overeenkomst tot stand is gekomen, te meer nu gesteld noch gebleken is dat SMC voor de door eisers bedoelde registratie heeft zorg gedragen.


4.7.

Eisers hebben subsidiair een beroep gedaan op artikel 6:251 BW. Zij betogen dat de rechten en verplichtingen uit de toelatingsovereenkomsten op SMC zijn overgegaan omdat het hier gaat om kwalitatieve rechten en daar tegenoverstaande verplichtingen die onlosmakelijk met het overgedragen goed zijn verbonden. Volgens eisers heeft SRPZ als gevolg van de overdracht van het ziekenhuis (“de onderneming”) geen belang meer bij haar recht op zorgverlening door de medisch specialisten die met haar een toelatingsovereenkomst hadden, zodat het recht op die zorgverlening van rechtswege is overgegaan op SMC. Ook dit standpunt deelt de rechtbank niet. Wat er ook zij van de vraag of hier op zichzelf sprake is van een kwalitatief recht als bedoeld in artikel 6:251 BW, hoe dan ook volgt uit de uitlatingen en gedragingen van SMC jegens eisers dat zij de overgang van het recht niet aanvaardt. De rechtbank wijst op de in 4.5 genoemde omstandigheden die, in onderlinge samenhang beschouwd, tot geen andere conclusie kunnen leiden. Een eventuele overgang van het kwalitatieve recht, en dus ook de door eisers bedoelde corresponderende verplichtingen van SMC, vervalt daarmee (artikel 6:251 lid 3 BW).


4.8.

Eisers hebben zich voorts voorwaardelijk op vernietiging van de arbeidsovereenkomsten wegens dwaling beroepen. Dit beroep op vernietiging behoeft niet te worden beoordeeld, omdat eisers bij een eventuele vernietiging van die arbeidsovereenkomsten geen belang hebben. Ook als die arbeidsovereenkomsten worden vernietigd, dan leidt dat er immers niet toe dat de toelatingsovereenkomsten alsnog geacht moeten worden door SMC te zijn overgenomen.


4.9.

Het voorgaande betekent dat geen toelatingsovereenkomst tussen SMC en eisers tot stand is gekomen, zodat eisers aan een dergelijke overeenkomst geen aanspraken kunnen ontlenen. De primaire grondslag van wanprestatie kan daarom niet tot toewijzing van de vorderingen leiden.


onrechtmatige daad

4.10.

Eisers leggen in de tweede plaats onrechtmatig handelen van gedaagden aan hun vorderingen ten grondslag. Volgens eisers handelen gedaagden onzorgvuldig en in strijd met de Mededingingswet en met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en maken gedaagden voorts inbreuk op persoonlijke rechten van eisers. Bij het vormgeven van de doorstart hebben gedaagden volgens eisers onvoldoende acht geslagen op de gerechtvaardigde belangen van eisers, met name hun gerechtigdheid tot de oogheelkundige praktijk en met goodwill-aanspraken, en hebben gedaagden zich een economische machtspositie verworven waarvan ze vervolgens misbruik hebben gemaakt. Ook hebben gedaagden zonder valide redenen de samenwerking met eisers beëindigd. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.


4.11.

Voorop gesteld moet worden dat SMC als de doorstartende partij in beginsel vrij stond wel of niet een overeenkomst, in welke vorm dan ook, aan eisers aan te bieden. Een partij die bereid is onderdelen van een failliete onderneming over te nemen is in beginsel immers niet verplicht om alle onderdelen van die failliete onderneming over te nemen. De doorstarter is hier vrij in. Dat betekent dat de beslissing van SMC om de toelatingsovereenkomst tussen SRPZ en eisers niet over te nemen in beginsel niet kan leiden tot het oordeel dat dit onzorgvuldig of volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer onbetamelijk is. Contractspartijen van de failliet hebben slechts aanspraken jegens de boedel. Dat de curatoren de toelatingsovereenkomsten niet gestand hebben willen of kunnen doen, gaat SMC of de overige gedaagden in beginsel niet aan.


4.12.

Tegen deze achtergrond is dus niet van belang dat eisers tot twee maal toe aan SMC hebben gevraagd om een toelatingsovereenkomst en dat SMC die verzoeken zondermeer heeft afgewezen (dagvaarding sub 6.12). Op SMC rustte nu eenmaal geen verplichting om welke overeenkomst dan ook met eisers te sluiten, of de oogheelkundige praktijk van eisers nu wel of niet in het profiel van SMC paste en of er binnen SMC nu wel of niet behoefte bestaat aan oogartsen. Dat is niet anders voor het besluit van SMC om na afloop van de arbeidsovereenkomst niet opnieuw een overeenkomst met eisers aan te gaan. De arbeidsovereenkomsten eindigden van rechtswege, zoals zij uitdrukkelijk bepalen (producties 21 en 22 dagvaarding), en er is geen grond om aan te nemen dat op SMC enigerlei verplichting rustte om een nieuwe overeenkomst aan te bieden. Dit zou anders zijn als door gedaagden op dit punt verwachtingen waren gewekt, maar dat hebben eisers niet, en zeker niet voldoende concreet, gesteld. Ter zitting is naar voren gekomen dat het eisers met name ook stoort dat zij van de zijde van gedaagden geen reden hebben gehoord voor het niet voortzetten van de samenwerking. Dat eisers dit dwars zit, acht de rechtbank voorstelbaar, maar het niet meedelen van een reden maakt het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst niet onrechtmatig. Uit de uitlatingen van de zijde van gedaagden ter zitting leidt de rechtbank af dat de CO-vakgroepen geen heil zagen in een vruchtbare verdere samenwerking. Gegeven het ontbreken van een juridische verplichting om de arbeidsovereenkomst te verlengen, stond het gedaagden vrij om deze reden bij de beslissing over het al dan niet voortzetten van de samenwerking mee te laten wegen en tevens om daar doorslaggevend gewicht aan toe te kennen.


4.13.

Uit de stellingen van eisers kan worden afgeleid dat gedaagden volgens eisers hebben samengespannen met het voorop gezette doel om de praktijk van eisers zonder financiële vergoeding te kunnen overnemen. Ter zitting hebben eisers zich uitgelaten in bewoordingen die neerkomen op diefstal, met name vanwege de verloren gegane goodwill. Eisers zien (ook) hier echter over het hoofd dat eventuele goodwill samenhangt met het bestaan van de toelatingsovereenkomst die zij hadden (of hebben) met SRPZ en dat zij aan die toelatingsovereenkomsten geen aanspraken jegens gedaagden kunnen ontlenen. Dat gedaagden met opzet hebben aangestuurd op het faillissement van SRPZ met het doel te kunnen profiteren van tot het vermogen van eisers behorende goodwill, kan niet worden afgeleid uit de door eisers gestelde en/of gebleken feiten en omstandigheden, zulks mede gelet op de gemotiveerde betwisting door gedaagden van die stelling. Dat in het overleg tussen de C-ziekenhuizen en de CO-vakgroepen op enig moment is gesproken over mogelijke claims ter zake van goodwill door de specialisten van SRPZ (dagvaarding sub 3.48), wijst niet op enige vorm van vooropgezet plan. In de gegeven omstandigheden is immers niet onbegrijpelijk dat de CO-vakgroepen zich over mogelijke claims zorgen maakten, daargelaten dat die vrees – gelet op het voorgaande – niet bewaarheid zal worden. Dat woordvoerders van de C-ziekenhuizen of SMC zich in de hectiek na het faillissement niet steeds juridisch helemaal correct hebben uitgelaten, is evenmin een aanwijzing dat gedaagden er bewust op hebben aangestuurd dat zij zonder vergoeding van de praktijken van eisers konden profiteren.


4.14.

De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat het eisers op zichzelf vrij stond hun oogheelkundige praktijk elders voort te zetten, al dan niet direct na het faillissement of na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In elk geval is gesteld noch gebleken dat eisers op dit punt door gedaagden zijn belemmerd. Uit de stellingen van eisers (pleitnota sub 46) moet veeleer worden afgeleid dat de opstelling van zorgverzekeraar CZ op dit punt een probleem vormde (in die zin dat CZ niet met eisers zou willen contracteren als zij buiten SMC om een oogheelkundige praktijk wilden voeren), maar CZ is geen partij in deze procedure en niet valt in te zien dat gedaagden een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de opstelling van CZ.


4.15.

Ook de verwijten terzake schending van de Mededingingswet treffen geen doel. Daargelaten of sprake is van een markt voor oogheelkundige zorg waarop gedaagden een machtspositie hebben (eisers hebben niet onderbouwd om welke reden die markt geografisch beperkt zou zijn tot Voorne-Putten), hoe dan ook is niet gebleken van misbruik door gedaagden van hun eventuele machtspositie. Het verwijt van eisers, zoals ter zitting onder woorden gebracht, komt erop neer dat zij geen contracten kunnen sluiten met zorgverzekeraars, omdat deze belang hebben bij een goed functionerend SMC. Hiervan kan gedaagden echter geen verwijt worden gemaakt. Het gestelde handelen in strijd met het kartelverbod hebben eisers bij dagvaarding niet concreet onderbouwd en zij zijn daarop in hun pleitnota niet teruggekomen, hoewel gedaagden op het ontbreken van een onderbouwing bij antwoord hadden gewezen. Indien eisers wensten dat de rechtbank hun stelling dat is gehandeld in strijd met het kartelverbod inhoudelijk zou beoordelen, hadden zij die stelling concreet moeten onderbouwen. In dat geval hadden gedaagden daar gemotiveerd op kunnen reageren, waarna de rechtbank over de onderbouwde standpunten van partijen had kunnen oordelen. Nu een voldoende onderbouwing van de zijde van eisers ontbreekt, dient de rechtbank het standpunt dat gedaagden hebben gehandeld in strijd met het kartelverbod reeds op die grond te verwerpen.


4.16.

Van onrechtmatig handelen van gedaagden is dus geen sprake. Ook op deze grondslag komen de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.


ongerechtvaardigde verrijking

4.17.

Eisers stellen zich op het standpunt dat gedaagden ongerechtvaardigd zijn verrijkt, omdat zij in feite de praktijk van eisers hebben overgenomen en daardoor profiteren van de door eisers opgebouwde goodwill zonder dat gedaagden enige vergoeding voor die goodwill aan eisers hebben betaald. Ten aanzien van deze derde grondslag overweegt de rechtbank het volgende.


4.18.

Eisers ontleenden hun praktijk, en dus ook hun eventuele goodwill, aan hun toelatingsovereenkomst met SRPZ. Met het faillissement van SRPZ is die toelatingsovereenkomst waardeloos geworden, in die zin dat SRPZ haar verplichtingen uit hoofde van de toelatingsovereenkomsten niet meer kon of behoefde na te komen. De schade van eisers is dus een gevolg van het faillissement van SRPZ. Aannemelijk is dat anderen van het faillissement van SRPZ hebben geprofiteerd, in die zin dat patiënten die, in het geval SRPZ niet zou zijn gefailleerd, naar dat ziekenhuis zouden gaan als gevolg van het faillissement naar SMC gingen, en overigens ook naar andere ziekenhuizen in de regio die niet tot de C-ziekenhuizen behoren, zo is ter zitting gebleken. Niet gezegd kan echter worden dat deze eventuele verrijking van SMC en andere ziekenhuizen ongerechtvaardigd is. Derden mogen nu eenmaal profiteren van het faillissement van een concurrent. Het faillissement vormt zo bezien de rechtvaardigingsgrond voor de eventuele verrijking van SMC en anderen. Bijzondere omstandigheden kunnen dit wellicht anders maken, maar dergelijke omstandigheden zijn onvoldoende gesteld of gebleken. In verband daarmee verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen terzake de vraag of sprake is geweest van een vooropgezet plan om eisers buiten de deur te zetten (zie 4.13). Dit maakt de onderhavige situatie wezenlijk anders dan de gevallen uit de door eisers aangehaalde rechtspraak, waarin sprake was van intrekking van een apothekersvergunning op initiatief van een concurrerende apotheker.


4.19.

De vorderingen zijn dus ook niet op grond van ongerechtvaardigde verrijking toewijsbaar.


slotsom

4.20.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen moeten worden afgewezen.


4.21.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht 3.829,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punt × tarief € 2.580,00)

totaal € 8.989,00



5De beslissing

De rechtbank


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 8.989,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


5.3.

veroordeelt eisers in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat eisers niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,


5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.




Dit vonnis is gewezen door C. Bouwman, mr. Th. Veling en mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.

[1980/1729/531]