Rechtbank Rotterdam, 15-01-2015 / ROT 14/647


ECLI:NL:RBROT:2015:151

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering van uitkering en toeslag en boeteoplegging wegens niet opgeven verblijf in België. Onzorgvuldig onderzoek. Instandlating rechtsgevolgen intrekking en terugvordering. Verlaging bestuurlijke boete. Geen opzet of grove schuld is aangetoond en verminderde draagkracht is aannemelijk.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-19
Zaaknummer
ROT 14/647
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/647


uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2015 in de zaak tussen
[Naam], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. S.B. Epozdemir,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.E. Molenaar.



Procesverloop


Bij besluit van 9 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen twee besluiten van 13 november 2013, strekkende tot herziening (lees: intrekking) van de werkloosheidsuitkering en toeslag van eiser met ingang van 31 december 2012 (lees: 1 januari 2013), tot terugvordering van ten onrechte verstrekte werkloosheidsuitkering en toeslag tot een bedrag van € 3.539,63 over de periode van 31 december 2012 (lees: 1 januari 2013) tot en met 31 maart 2013 en oplegging van een bestuurlijke boete van € 3.539,63 ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts is eiser verschenen.



Overwegingen


1.1

Eiser, die is gehuwd, heeft op 16 december 2012 een aanvraag ingediend om werkloosheidsuitkering in verband met het eindigen van zijn dienstverband vanaf 31 december 2012. Eiser heeft daarbij een woonadres in Rotterdam opgegeven. Bij besluit van 16 januari 2013 heeft verweerder eiser werkloosheidsuitkering en toeslag toegekend met ingang van 1 januari 2013 tot en met (uiterlijk) 31 maart 2013. Verweerder heeft blijkens betaalspecificaties vervolgens aan eiser gelden uitgekeerd, bestaande uit uitkering en toeslag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013. Bij besluit van 8 april 2013 heeft verweerder eiser bericht dat het recht op uitkering en toeslag is geëindigd per 1 april 2013.


1.2.

De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening te Antwerpen (België) heeft verweerder bericht dat eiser vanaf 12 augustus 2013 in België werkloosheidsuitkeringen heeft aangevraagd en dat hij in de periode van 31 december 2012 tot en met 31 maart 2013 in Nederland uitkeringen zou hebben genoten terwijl hij in België woont/werkt vanaf 19 april 2012. Bij die brief is een zogenoemd “getuigschrift van woonst” gevoegd die op 4 september 2013 is afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Schoten (België). Daarin is vermeld dat eiser sedert 19 april 2012 is ingeschreven in het vreemdelingenregister van Schoten op een in dat getuigschrift vermeld adres in die gemeente.


1.3

Verweerder heeft eiser bij brief van 29 oktober 2013, verzonden naar zijn woonadres te Schoten, bericht dat is gebleken dat eiser woonachtig is in België en dat dit gevolgen heeft voor zijn uitkering. Eiser is verzocht voor 12 november 2013 contact op te nemen. Eiser heeft dat nagelaten. Verweerder heeft vervolgens de besluiten van 13 november 2013 genomen, die zijn verzonden naar het adres te Schoten. Eiser heeft vervolgens op 24 november 2013 bezwaar gemaakt.


2.1.

Bij het bestreden besluit is onder meer overwogen dat eiser niet had vermeld dat hij in een Belgische gemeente zijn hoofdverblijfplaats had, dat een werknemer die buiten Nederland woont is uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkering en toeslag en dat eiser niet op geloofwaardige wijze heeft aangetoond dat hij ten tijde in geding niet in België zijn hoofdverblijfplaats had door te verklaren dat hij en zijn vrouw afwisselend in Nederland en België verbleven om zogenoemde EU-rechten op te bouwen.


2.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet zonder nader onderzoek had mogen overgaan tot intrekking, terugvordering en boeteoplegging. Eiser heeft in zijn beroepschrift en ter zitting gesteld dat hij werkzaam was in Nederland, stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van Rotterdam en dat hij zich voorts in 2011 had ingeschreven in de gemeente Mersem/Antwerpen (België) en in april 2012 in Schoten. Eiser betwist voorts de hoogte van de terugvordering. Eiser komt zelf uit op betalingen van totaal € 2.725,89 (netto) en heffingen van € 813,80. Eiser meent dat niet een brutobedrag teruggevorderd zou moeten worden. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het boetebedrag onevenredig is, omdat geen rekening is gehouden met zijn beperkte draagkracht die blijkt uit de aflossingscapaciteit die verweerder heeft vastgesteld.


3. Uit artikel 25 van de Werkloosheidswet (WW) en artikel 12 van de Toeslagenwet (TW) volgt dat eiser gehouden was uit eigen beweging die informatie aan verweerder te verstrekken die relevant was voor het bepalen van het recht op uitkering en toeslag. Gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW en artikel 4a, eerste lid, van de TW bestaat geen recht op uitkering of toeslag indien de werknemer buiten Nederland woont (of verblijf houdt anders dan wegens vakantie). Uit artikel 2, eerste lid, van de WW volgt dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar een natuurlijk persoon woont. Voor wat betreft de TW ziet de rechtbank geen aanleiding van een ander beoordelingscriterium uit te gaan.


4. Verweerder heeft de intrekking van uitkering en toeslag gestoeld op artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, WW en artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW. Vast staat dat eiser noch bij zijn aanvraag om uitkering noch gedurende enig tijdstip in de periode van uitkering aan verweerder heeft opgegeven dat hij stond ingeschreven in de Belgische gemeente Schoten. Daarmee staat echter – anders dan verweerder blijkens het bestreden besluit meent – nog niet vast dat eiser niet in Nederland verbleef. Verweerder heeft op dit punt nagelaten enig onderzoek te verrichten, doch heeft in bezwaar geoordeeld dat eiser niet op geloofwaardige wijze heeft aangetoond dat hij niet in België zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door na te laten enig onderzoek te verrichten naar de feitelijke verblijfplaats van eiser ten tijde in geding. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt op grond van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking, voor zover het ziet op de intrekking van de uitkering en toeslag en de terugvordering.


5. De rechtbank ziet aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering van uitkering en toeslag in stand kunnen worden gelaten.


5.1.

Daartoe overweegt de rechtbank, mede gelet op het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting, als volgt. De inschrijving in België en het hebben van woonruimte aldaar, afgezet tegen het niet hebben van zelfstandige woonruimte in Nederland, omdat eiser blijkbaar stond ingeschreven op het GBA-adres van zijn ouders in Rotterdam, brengt het vermoeden met zich dat eiser zijn hoofdverblijf in België had. Eiser heeft in bezwaar verklaard perioden in België te hebben verbleven en perioden in Nederland te hebben verbleven. De periode dat hij in Nederland zou hebben verbleven was de periode dat hij in Nederland werkte en vervolgens uitkering en toeslag ontving, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser echter verklaard dat hij steeds afwisselend in Nederland en België verbleef. Gelet op de omstandigheid dat hij en zijn vrouw zelfstandige woonruimte hadden in België en zijn vrouw naar hij stelt om verblijfsrechtelijke redenen in België verbleef, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf in België had. Hiermee staat voldoende genoegzaam vast dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.

Dit wordt niet anders indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat thans niet meer met volledige zekerheid kan worden vastgesteld waar eiser in de in geding zijnde periode woonde of verblijf hield, nu hij door het niet meedelen aan verweerder van zijn inschrijving in een Belgische gemeente zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen.


5.2.

Hetgeen onder 5.1 is overwogen brengt met zich dat eisers werkloosheidsuitkering kan worden ingetrokken op de grond dat hij verweerder niet heeft meegedeeld dat hij buiten Nederland woonde of verbleef (artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, WW en artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW), dan wel op de grond dat door het bij de aanvraag om werkloosheidsuitkering niet meedelen van de inschrijving in een Belgische gemeente en het afleggen van tegenstrijdige en niet verifieerbare verklaringen niet (meer) kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat (artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, WW en artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder c, van de TW; vgl. CRvB 22 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5845, r.o. 4.7). Het bepaalde in de artikelen 63 tot en met 65 van Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, leidt niet tot een andere conclusie.


5.3.

Verweerder heeft terecht de uitkering en toeslag ingetrokken. Gelet op artikel 36a, eerste lid, van de WW en artikel 20, eerste lid, van de TW was verweerder gehouden de ten gevolge van het intrekkingsbesluit ten onrechte verstrekte uitkering en toeslag terug te vorderen. De eigen berekening van eiser van hetgeen hij aan uitkering en toeslag (netto en bruto) heeft ontvangen wijkt niet af van de berekening die verweerder heeft gemaakt, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de vaststelling van het terugvorderingsbedrag voor onjuist te houden. Verweerder heeft voorts terecht de bruto-uitkering en bruto-toeslag teruggevorderd (vgl. CRvB 11 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2829). In hetgeen eiser heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan verweerder van intrekking en terugvordering had dienen af te zien.


5.4.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan verder onderzoek en verdere besluitvorming door verweerder achterwege blijven en kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor wat betreft de intrekking en de terugvordering.


6. Uit artikel 27a van de WW en artikel 14a van de TW volgt dat de boetewaardige gedraging bestaat uit het niet nakomen van artikel 25 van de WW en artikel 12 van de TW. Met betrekking tot de boeteoplegging stelt de rechtbank voorop dat artikel 27a van de WW en artikel 14a van de TW gelezen in samenhang met het Boetebesluit socialezekerheidswetten vanwege de invoering van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving per 1 januari 2013 voorzien in een bestuurlijke boete die ten hoogste gelijk is aan het benadelingsbedrag indien sprake is van inlichtingenverzuim die het ontstaan van een benadelingsbedrag tot gevolg heeft. Indien geen sprake is van benadeling bedraagt de boete volgens artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten € 150,-. Uit artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten volgt verder dat de bestuurlijke boete wordt verlaagd bij verminderde verwijtbaarheid en dat de bestuurlijke boete wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.


7. Het verblijf in België dan wel de inschrijving in een Belgische gemeente is een relevant feit voor het kunnen vaststellen van het recht op uitkering. Omdat het nalaten daarvan melding te maken inlichtingenverzuim oplevert en eiser hiervan niet alleen objectief, maar ook subjectief een verwijt – in de zin van artikel 5:41 van de Awb – kan worden gemaakt, is sprake van een boetewaardige gedraging. Van dringende redenen om van boeteoplegging af te zien is de rechtbank niet gebleken. Waar van opzet of grove schuld niet blijkt, gaat de rechtbank er onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) vanuit dat de mate van verwijtbaarheid een boete rechtvaardigt van 50% van het benadelingsbedrag, zodat de maximale boete € 1.769,82 zou bedragen. Mede gelet op het feit dat verweerder geboden nader onderzoek achterwege heeft gelaten en in aanmerking nemend dat uit het invorderingsbesluit van 12 december 2013 kan worden afgeleid dat eiser over een geringe financiële draagkracht beschikt ziet de rechtbank aanleiding om de boete te matigen naar 50% daarvan, zodat deze, na afronding op een veelvoud van € 10,- overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, wordt bepaald op € 890,-. De rechtbank acht dit een evenredige sanctie.


8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 487,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor zover het de intrekking en terugvordering betreft;
  • - herroept het besluit van 13 november 2013 tot boeteoplegging;
  • - stelt de boete vast op een bedrag van € 890,-;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover het de boeteoplegging betreft;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 487,-, te betalen aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. R.J.A.M. Cooijmans en

mr. L.H. Waller, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.