Rechtbank Rotterdam, 10-03-2015 / ROT 14-3735


ECLI:NL:RBROT:2015:1583

Inhoudsindicatie
Handhavingsverzoek wegens opslaan van palen in de sloot. In beginsel moet er handhavend worden opgetreden. Geen zich op legalisatie.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
ROT 14-3735
Procedure
Bodemzaak
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/3735


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H. Martens,


en


de dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. D.T.G.H. Wilbers.



Procesverloop


Bij besluit van 29 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhaving afgewezen.


Bij besluit van 28 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [deskundige] (hierna: [deskundige]). Als derde-belanghebbende is [derde-belanghebbende] verschenen (hierna: [derde-belanghebbende]).


Overwegingen


1. Eiser is woonachtig op perceel [perceelnummer] en heeft daarnaast perceel [perceelnummer] in eigendom. [derde-belanghebbende] is woonachtig op de percelen [perceelnummer] en [perceelnummer]. De percelen [perceelnummer] en [perceelnummer] zijn naast elkaar gelegen en worden gescheiden door een scheisloot. Perceel [perceelnummer] ([derde-belanghebbende]) en perceel [perceelnummer] (eiser) zijn gescheiden door een scheisloot. Op de onderstaande kaart is de locatie van de palen (die door [derde-belanghebbende] in de scheisloot zijn gelegd) aangegeven met een zwart streepje onder de rode cirkel.
























Eiser heeft op 25 juli 2013 een handhavingsverzoek gedaan. Hij heeft verweerder verzocht op te treden tegen het opslaan van palen door [derde-belanghebbende] in de watergang. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om handhavend optreden afgewezen, omdat de palen de door- en afvoer van water niet hinderen.


Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In de bezwaarfase heeft verweerder in zijn reactie aan de bezwaarschriftencommissie van 7 februari 2014 bevestigd dat het opslaan van palen in de scheisloot strijdig is met artikel 4.1, eerste lid onder c van de Keur van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: Keur) en dat er in beginsel een handhavingsplicht bestaat. De palen in de sloot verhinderen de door- en afvoer van het water echter niet, zodat een waterstaatkundig belang ontbreekt en de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand moet blijven, aldus verweerder.


De bezwaarschriftencommissie van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: de bezwaarschriftencommissie) heeft op 4 maart 2014 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. De opslag van palen in de scheisloot is wel een overtreding van de Keur, maar handhavend optreden is onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies overgenomen.


2. In artikel 4.1 van de Keur staat dat verboden is zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

a. werkzaamheden te verrichten;

b. werken of opgaande (hout)beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen of aan te tasten;

c. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben of te (be)houden;


3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan daarvan afzien. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.


4. Niet in geschil is dat eiser sinds lange tijd zonder vergunning een tiental palen in de scheisloot heeft opgeslagen. De rechtbank is met eiser van oordeel, dat er sprake is van een overtreding van artikel 4.1, eerste lid onder c van de Keur. In beginsel moet dan handhavend moet worden opgetreden. Dit is namens verweerder ook bevestigd ter zitting en wordt ook onderkend door de bezwaarschriftencommissie.


5. Er bestaat geen concreet zicht op legalisatie. Er is slechts nog aan de orde de vraag of sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat handhaving onevenredig is en of verweerder daarvan heeft kunnen afzien. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarvoor is het volgende redengevend.


[derde-belanghebbende] heeft de palen sinds 1993 opgeslagen in de scheisloot. Gedurende de afgelopen 22 jaar zijn er bij verweerder geen klachten binnen gekomen over de opslag van de palen en heeft verweerder geen aanleiding gezien handhavend op te treden. De scheisloot is aan de kopse kant doodlopend en is gelegen tussen twee percelen van [derde-belanghebbende] zelf, te weten de percelen met de kadastrale nummers [perceelnummer] en [perceelnummer]. [derde-belanghebbende] is voornemens deze palen uiterlijk tot begin 2016 daar te laten liggen. [derde-belanghebbende] wil deze palen gaan gebruiken voor de verbouwing aan de boerderij. De palen vertegenwoordigen een financieel belang. Het opslaan van de palen in de sloot is noodzakelijk om de palen te conserveren.


Daar tegenover staat het belang van eiser bij zijn handhavingsverzoek. Eiser heeft gesteld dat zijn land onder water loopt doordat de palen de aan- en afvoer van het water beperken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk wateroverlast ondervindt. Er is al die jaren geen enkele melding bij verweerder gedaan over wateroverlast als gevolg van de palen in de watergang. Het moet er voor worden gehouden dat eisers verzoek om handhaving uitsluitend is ingegeven door de voortslepende burenruzie met [derde-belanghebbende].


Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser geen ongemak kan ondervinden van de opslag van de palen in de watergang, omdat de afwatering van de percelen van eiser niet afhankelijk kan zijn van de doodlopende watergang waarin de palen zijn opgeslagen. De afwatering van eisers perceel [perceelnummer] kan vanwege de afstand tot de locatie van de palen niet afhankelijk zijn van de scheisloot tussen de percelen [perceelnummer] en [perceelnummer] (waarin de palen liggen). Ook de afwatering van eisers perceel [perceelnummer] kan niet afhankelijk zijn van de watergang waarin de palen zijn opgeslagen. Het water loopt naar het laagste punt in het gebied en dat is gelegen ten zuidwesten van eisers perceel [perceelnummer]. Verweerder heeft de overtreding onder deze omstandigheden van zeer geringe aard en omvang kunnen achten.


Vaststaat dat er geen belangen van derden spelen, dat de palen de aan- en afvoer van water niet hinderen en dat er ook geen andere (algemene) belangen met handhaving zijn gediend (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS3204).


Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat het treffen van handhavingsmaatregelen onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en dat verweerder van handhavend optreden mocht afzien.


6. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.


7. Het beroep is ongegrond.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Kara, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2015.






De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen. rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.