Rechtbank Rotterdam, 12-03-2015 / ROT 14-2910


ECLI:NL:RBROT:2015:1615

Inhoudsindicatie
Vrijstelling op grond van artikel 6 van het Vrijstellings- en boetebesuit Wet Bpf 2000 voor bepaalde periode. Het betoog dat geen beperking in de tijdsduur aan de vrijstelling mocht worden verbonden en dat het in rekening gebrachte bedrag onevenredig hoog is, faalt. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2016-03-31
Zaaknummer
ROT 14-2910
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 14/2910


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2015 in de zaak tussen
Vila Benelux B.V., te Amstelveen, eiseres,

gemachtigde: mr. B.F.M. Evers,


en


de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Textielgoederen en Aanverwante Artikelen (Bpf TEX), verweerster,

gemachtigden: prof. dr. E. Lutjens en mr. B. Degelink.



Procesverloop


Bij besluit van 25 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft Bpf TEX het verzoek van eiseres om haar met ingang van 1 januari 2010 vrijstelling te verlenen van de verplichte deelname in het bedrijfstakpensioenfonds afgewezen.


Bij besluit van 3 januari 2013 (de rechtbank leest: 2014) heeft Bpf TEX aan eiseres op grond van artikel 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellings- en boetebesluit) alsnog vrijstelling verleend over de periode van 1 januari 2010 tot 1 januari 2015.


Bij besluit van 24 maart 2014 heeft Bpf TEX het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het besluit van 24 maart 2014 beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam] en K.W. Pijnakker, extern pensioenadviseur.

Bpf TEX heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Degelink.



Overwegingen


1. Bij uitspraak van 7 maart 2013, zaaknummer ROT 11/5484, heeft de rechtbank de eerdere beslissing op bezwaar van Bpf TEX van 10 november 2011, waarbij het primaire besluit werd gehandhaafd, vernietigd. Tevens is Bpf TEX opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Bpf TEX heeft aan deze opdracht gevolg gegeven met het besluit van 3 januari 2014.


2. Het besluit van 3 januari 2014 is reeds een (nieuwe) beslissing op bezwaar. Het bezwaar dat eiseres tegen dit besluit heeft gemaakt, heeft Bpf TEX ten onrechte niet als beroep aan de rechtbank doorgezonden. Nu niet is gebleken dat eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad, ziet de rechtbank aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal de gronden van 12 februari 2014 en van 29 april 2014 tezamen als beroepsgronden aanmerken, gericht tegen het bestreden besluit van 3 januari 2014. Het besluit van 24 maart 2014 zal de rechtbank als nadere motivering van het bestreden besluit aanmerken.


3. Bpf TEX heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat zij niet verplicht is om doorlopend vrijstelling te verlenen, aangezien niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden zoals gesteld in artikel 2 van het Vrijstellings- en boetebesluit. Bpf TEX is van opvatting dat met het verlenen van een tijdelijke vrijstelling voor de duur van het lopende verzekeringscontract voldoende tegemoet is gekomen aan de belangen van eiseres in verhouding tot het eigen belang van Bpf TEX. Door eiseres zijn geen zeer bijzondere omstandigheden aangetoond, die van dien aard zijn dat er bij eiseres of haar werknemers sprake is van zodanig zwaarwichtige belangen in verhouding tot het belang van Bpf TEX dat het belang van Bpf TEX hiervoor dient te wijken. Vanaf 1 januari 2015 zal eiseres opnieuw verplicht deelnemen in de pensioenregeling van en premie betalen aan Bpf TEX.

Aan de vrijstelling is onder meer het voorschrift verbonden dat eiseres de kosten betaalt van de behandeling van het verzoek, overeenkomstig bijlage 2 van het Vrijstellings- en boetebesluit. De kosten hiervan bedragen € 2.500,-.


4.1.

Op grond van artikel 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit kan op verzoek van een werkgever door het bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, 4a en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.


Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit kunnen aan de vrijstelling door het bedrijfstakpensioenfonds voorschriften worden verbonden ter verzekering van een goede uitvoering van de wet.


Op grond van artikel 7, vierde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit kan het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste lid, en 6 het voorschrift verbinden dat de werkgever een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds bij de vrijstelling lijdt. De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens bijlage 2 bij dit besluit, tenzij partijen anders overeenkomen.


4.2.

In bijlage 2 “Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel” bij het Vrijstellings- en boetebesluit is bepaald dat de hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling betrekking heeft op de volgende elementen:

te missen solidariteitsbijdragen als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds. (…)

de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.


5. Eiseres betoogt dat geen beperking in tijdsduur aan de vrijstelling mocht worden verbonden.


5.1.

Dit betoog faalt. Artikel 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit verzet zich niet tegen een tijdelijke vrijstelling en, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, is de beperking in tijdsduur geen voorschrift als bedoeld in artikel 7 van het Vrijstellings- en boetebesluit. Voor het oordeel dat Bpf TEX niet in overeenstemming met de uitspraak van 7 maart 2013 heeft besloten bestaat evenmin grond. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat Bpf TEX niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren per 1 januari 2010 vrijstelling te verlenen op de voet van artikel 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit. Dit getuigt van een terughoudende toetsing conform vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 november 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AR5680). Omdat de rechtbank ten tijde van de uitspraak niet kon beoordelen of (ook) op 1 januari 2010 werd voldaan aan de eisen van artikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit heeft zij niet zelf voorzien. Dat Bpf TEX eiseres niet ook nog na 1 januari 2015 vrijstelling heeft verleend is, gelet op afweging van het belang van eiseres om niet te worden geconfronteerd met dubbele pensioenlasten of een plotselinge wijziging van de arbeidsvoorwaarde pensioen binnen haar onderneming tegen het belang van Bpf TEX bij het creëren en handhaven van een bedrijfstakbrede, collectieve en solidaire regeling, naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk.


6. Eiseres betoogt dat het door Bpf TEX in rekening gebrachte bedrag voor de behandeling van het vrijstellingsverzoek onevenredig hoog is en gematigd dient te worden.


6.1.

Dit betoog faalt. Bpf TEX mocht deze kosten bij eiseres in rekening brengen op grond van artikel 7, vierde lid, van Vrijstellings- en boetebesluit, in samenhang gelezen met bijlage 2 van dit besluit. Bpf TEX heeft uitgelegd dat de kosten die zij maakt bij het behandelen van een vrijstellingsverzoek bestaan uit onder meer de kosten van de bestuursadviseur en de kosten van de fondsactuaris die de controle uitvoert op de gelijkheidwaardigheidsverklaring en dat deze kosten gemiddeld € 2.500,- per vrijstellingsverzoek bedragen. Het betreft een forfaitair bedrag dat Bpf TEX altijd in rekening brengt. Bpf TEX heeft ter zitting nog toegelicht dat de afhandelingsduur van het vrijstellingsverzoek en het aantal procedures dus geen invloed hebben gehad op de hoogte van het bedrag en dat, ook als de verzochte vrijstelling in eerste instantie direct was verleend, hetzelfde bedrag bij eiseres in rekening was gebracht.


7. Het beroep is ongegrond.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.