Rechtbank Rotterdam, 11-02-2015 / C/10/11/1118 R


ECLI:NL:RBROT:2015:1683

Inhoudsindicatie
weigering schone lei. Ten aanzien van de terugvordering zijn er feiten en omstandigheden bekend geworden die ten tijde van de toelating reeds bestonden en indien toen bekend reden zouden zijn geweest om de toelating tot de schuldsaneringsregeling te weigeren. Schuldenares heeft de terugvordering ook niet uit eigen beweging aan de bewindvoerder gemeld.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-03-12
Zaaknummer
C/10/11/1118 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie


weigering schone lei


insolventienummer:[nummer]

uitspraakdatum: 11 februari 2015


Bij vonnis van deze kamer van 14 oktober 2011 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:


[naam ][naam ]

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

schuldenares,

bewindvoerder: T.P.F. Eisses.


1De procedure


De bewindvoerder heeft schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.


De bewindvoerder heeft op 22 september 2014 een brief en op 25 september 2014 een faxbericht naar de rechtbank gezonden met daarin de laatste stand van zaken.


De beëindiging is vervolgens behandeld ter terechtzitting van 26 september. De schuldenares, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A. van Gemeren, en

de heer N. Pavljasevic, namens de bewindvoerder, zijn ter terechtzitting verschenen.

Ter terechtzitting is de behandeling van de beëindiging aangehouden tot 14 januari 2015 om schuldenares in de gelegenheid te stellen nog aanvullende informatie omtrent de Kinderopvangtoeslag 2010 aan de rechtbank te overleggen.


De bewindvoerder heeft op 8 december 2014 en 5 januari 2015 een brief en op 13 januari 2015 een faxbericht met de laatste stand van zaken aan de rechtbank gezonden.

Mr. J.A. van Gemeren heeft op 13 januari 2015 aanvullende informatie aan de rechtbank gezonden.


De behandeling van de beëindiging is ter terechtzitting van 14 januari 2015 voortgezet.

De schuldenares, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A. van Gemeren, en de bewindvoerder, zijn ter terechtzitting verschenen.


De uitspraak is bepaald op heden.


2De standpunten


De bewindvoerder heeft op 13 januari 20154 een faxbericht naar de rechtbank gestuurd met daarin de laatste stand van zaken. De bewindvoerder heeft gemeld dat hij uit de door de advocaat van schuldenares aangeleverde stukken niet kan opmaken wat er met de ontvangen gelden van de belastingdienst is gebeurd en dat hij daarom geen nader standpunt kan innemen over het al dan niet verlenen van de schone lei aan schuldenares.


Schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat haar jongste kind alleen de laatste drie maanden van het jaar 2010 naar de kinderopvang is geweest. Voorts heeft schuldenares verklaard dat zij zelf nooit een toeslag heeft aangevraagd waar zij geen recht op had en dat zij twee keer een correctie aan de belastingdienst heeft door gegeven. Ook heeft schuldenares verklaard dat de Kredietbank Rotterdam en de kinderopvangorganisatie enkele malen geld hebben teruggestort aan de belastingdienst. Tenslotte heeft schuldenares verklaard dat zij één van de bankrekeningnummers waar de toeslag naar is overgemaakt niet kent en ook niet weet van wie dit rekeningnummer wel is. Schuldenares heeft gesteld dat er wellicht door derden misbruik is gemaakt van haar persoonsgegevens.


3De beoordeling


De rechtbank stelt op grond van het dossier en uit de door schuldenares overgelegde documenten vast dat schuldenares voor de aanvraag tot toelating tot de schuldsaneringsregeling al op de hoogte was dan wel op de hoogte had moeten zijn van het feit dat er een terugvordering Kinderopvangtoeslag 2010 was. Deze terugvordering is echter niet opgenomen op de bij het verzoek tot toelating overgelegde schuldenlijst.


Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ten aanzien van deze terugvordering feiten en omstandigheden bekend geworden die ten tijde van de toelating van schuldenares tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die, indien toen bij de rechtbank bekend, reden zouden zijn geweest het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen, overeenkomstig artikel 288, eerste lid, van de Faillissementswet. Indien immers op de toelatingszitting bekend was geweest dat schuldenares een terugvordering van de Kinderopvangtoeslag 2010 had, was zij naar verwachting niet tot de schuldsaneringsregeling toegelaten.


Schuldenares heeft deze terugvordering ook niet uit eigen beweging op later tijdstip aan de bewindvoerder gemeld en derhalve ook niet aan haar informatieverplichting voldaan.


Voorts is de rechtbank van oordeel dat schuldenares niet dan wel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er misbruik is gemaakt van haar persoonsgegevens. Schuldenares heeft geen bewijzen zoals een aangifte aan de rechtbank overgelegd.


De schone lei wordt daarom geweigerd.


De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.


4De beslissing


De rechtbank:


- stelt vast dat de schuldenares toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;


- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares, eindigen op 14 oktober 2014;


- stelt het salaris van de bewindvoerder tot 1 oktober 2012 vast op € 504,00 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en vanaf 1 oktober 2012 op

€ 1.153,45 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt deze bedragen, voor zover deze niet uit de boedel kunnen worden voldaan, ten laste van schuldenares;


- stelt de door de bewindvoerder gemaakte reiskosten vast op € 48,69.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter-plaatsvervanger, en bij zijn afwezigheid getekend door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van

mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.