Rechtbank Rotterdam, 15-01-2015 / 14/3846


ECLI:NL:RBROT:2015:169

Inhoudsindicatie
De beroepsgrond dat verweerder niet bevoegd was, althans redenen had moeten zien niet de bevoegdheid aan te wenden, om voormelde naheffingsaanslag op te leggen, faalt. Hierbij betrekt de rechtbank dat de opsteller van de Verordening, de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht, wordt geacht te hebben voorzien dat de bevoegdheid tot naheffen ook ontstaat bij een relatief geringe tekortkoming in het nakomen van de verplichting verschuldigde belasting – in het geval van eiser € 0,16 - te betalen. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de hoogte van naheffingsaanslag heeft bepaald op € 60,60, faalt.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
14/3846
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht


Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 14/3846


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser], te Dordrecht, eiser,

en


de heffingsambtenaar van de gemeente Drechtsteden, verweerder,

gemachtigde: L. Souljé.



Procesverloop

Verweerder heeft eiser een hierna nader aan te duiden naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd.


Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij uitspraak op bezwaar van 28 mei 2014 (het bestreden besluit).


Eiser heeft bij brief van 6 juni 2014 beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Aanwezig waren eiser alsmede de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen


1. Op woensdag 8 januari 2014 om 15:57 uur stond de auto van eiser met kenteken

[kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de locatie Vest te Dordrecht. Bij een ter plaatse uitgevoerde controle heeft de parkeercontroleur vastgesteld dat er onvoldoende parkeerbelasting was betaald. Met het aanbrengen van een aanslagbiljet op de auto heeft de parkeercontroleur een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 60,60, bestaande uit € 2,60 belasting en € 58,- aan naheffingskosten.


2. De beroepsgrond dat verweerder niet bevoegd was, althans redenen had moeten zien niet de bevoegdheid aan te wenden, om voormelde aanslag op te leggen, faalt.

2.1.

Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald. De bevoegdheid tot naheffing is er uitsluitend als de verschuldigde belasting niet is voldaan. De naheffingsbevoegdheid ontstaat niet op de enkele grond dat niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, en van 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593). Van belang is dus (uitsluitend) of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan.

Op grond van artikel 1, lid één, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen (de Verordening) wordt onder de naam “parkeerbelasting” een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

Op grond van artikel 4, van de Verordening zijn de maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak vermeld in de bij deze Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel en gebiedsaanduiding. Op grond van A1 van de bijlage 1, genaamd Tarieventabel, behorende bij de Verordening, blijkt dat het uurtarief op de locatie Vest te Dordrecht € 2,60 bedraagt.

2.2.

Hoewel de tariefcode voor mobiel parkeren niet onduidelijk vermeld staat op de betreffende parkeerautomaat heeft eiser bij het parkeren voor de (goedkopere) tariefzone gekozen van € 1,60 per uur en is de verschuldigde belasting niet voldaan. Aangezien eiser er zelf voor heeft gekozen om de parkeerbelasting te voldoen door middel van mobiel parkeren, dient het intoetsen van een foutieve code voor het parkeergebied voor zijn rekening en risico te blijven. Verweerder is derhalve bevoegd om de naheffingsaanslag op te leggen.

Verweerder heeft van deze bevoegdheid in redelijkheid gebruik kunnen maken. Hierbij betrekt de rechtbank dat de opsteller van de Verordening, de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht, wordt geacht te hebben voorzien dat de bevoegdheid tot naheffen ook ontstaat bij een relatief geringe tekortkoming in het nakomen van de verplichting verschuldigde belasting – in het geval van eiser € 0,16 - te betalen. De opsteller heeft er desondanks niet voor gekozen die gevallen uit te zonderen voor naheffing. Evenmin heeft het college haar bevoegdheid nadere regels te geven hiervoor aangewend. Hierbij betrekt de rechtbank voorts dat verweerder op grond van artikel 10 van de Verordening niet bevoegd is om kwijtschelding te verlenen.


3. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de hoogte van naheffingsaanslag heeft bepaald op € 60,60, faalt.

3.1.1.

Op grond van artikel 234, lid drie, van de Gemeentewet wordt een naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Op de locatie Vest te Dordrecht bedraagt het uurtarief € 2,60 (zie 2.1. laatste zin).

3.1.2.

Op grond van artikel 234, lid vijf, van de Gemeentewet worden kosten in rekening gebracht ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.

Op grond van artikel 234, lid zes, van de Gemeentewet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.

Op grond van D1 van de bijlage 1, genaamd Tarieventabel, behorende bij de Verordening bedragen de kosten van de naheffingsaanslag € 58,00.

3.2.

Verweerder heeft de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur met een tarief van € 2,60. Vermeerderd met de kosten van € 58,-, behoort de naheffingsaanslag € 60,60 te bedragen.


4. Ook wat eiser voor het overige aanvoert, leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Schending van een andere rechtsregel stelt eiser niet en acht de rechtbank ook niet aanwezig als zij ambtshalve de rechtsgronden aanvult.


5. Het beroep is ongegrond.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.F. van Deyzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 januari 2015.





griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer).