Rechtbank Rotterdam, 12-03-2015 / 10/701001-14


ECLI:NL:RBROT:2015:1712

Inhoudsindicatie
Twee medeverdachten hebben door middel van illegaal vuurwerk, te weten twee stuks Cobra 6, rond de jaarwisseling in een woonwijk een parkeerautomaat tot ontploffing gebracht waardoor twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en de parkeerautomaat is vernield. Door de verdachte is hieraan bijgedragen door toe te staan dat de tweede Cobra 6, die van hem was, hiervoor zou worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een faciliterende rol gespeeld en heeft hij niet de benodigde mate van betrokkenheid gehad om hem als medepleger te kwalificeren. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplichtigheid aan het medeplegen van vernieling. zie ook ECLI:NL:RBROT:2015:1713 en ECLI:NL:RBROT:2015:1714
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-16
Zaaknummer
10/701001-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/ 701001-14

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres],

raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 3 februari 2015, 12 februari 2015 en 10 maart 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. T. Slieker heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair, en subsidiair en 2 primair, en subsidiair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 primair en 4 primair

ten laste gelegde;

- toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht;

- veroordeling van de verdachte tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 200

uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest;

- veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden

voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zich houden

aan de meldplicht, het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en

deelnemen aan een behandeling door een GGZ-instelling, zoals Lucertis of een soortgelijke

instelling.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsvrouw. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte ook van het onder 1 meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 1], dan wel de medeplichtigheid daaraan, en het onder 2 meer subsidiair, meest subsidiair, op twee na uiterst subsidiair en op één na uiterst subsidiair het medeplegen van (een poging tot) zware mishandeling van[slachtoffer 2], danwel de medeplichtigheid daaraan, dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht namelijk niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en/of de medeverdachte(n) [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]) en/of [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2]) de opzet, ook niet in de voorwaardelijke zin, had(den) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2]. Hieromtrent wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte en/of de medeverdachten wist(en) dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft/hebben aanvaard dat door de kracht van de ontploffing van de parkeerautomaat veroorzaakt door een Cobra 6, aan mensen die zich op een afstand van 25 meter of meer bevonden, zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en de medeverdachten ook zelf aanmerkelijk zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat verdachte en de medeverdachten de aanmerkelijke kans op de koop toe hebben genomen dat hij en/of zijn mededaders als gevolg van het afsteken van het illegale vuurwerk in een parkeerautomaat zelf ernstig lichamelijk letsel zouden oplopen. De ernst van de gevolgen van het handelen van de verdachte en de medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] mag er niet toe leiden dat de grenzen van het opzet worden opgerekt.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat ook het onder 1 uiterst subsidiair en onder 2 uiterst subsidiair ten laste gelegde medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, het onder feit 3 primair ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen en het onder feit 4 primair ten laste gelegde medeplegen van vernieling, niet wettig en overtuigend zijn bewezen en dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, zoals ook blijkt uit de hieronder vermelde bewijsoverwegingen, namelijk slechts een faciliterende rol gespeeld en heeft hij niet de benodigde mate van betrokkenheid gehad om hem als medepleger te kwalificeren.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

3.

subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer

ontploffing(en) teweeg heeft gebracht in/aan een parkeerautomaat, staande op

de kruising van de Den Hertighstraat en de Wolphaertsbocht,

immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

toen daar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met een Cobra 6, in elk geval een stuk (zwaar)

vuurwerk, ( die dat door verdachte en/of zijn mededader(s) met tape was bevestigd

aan die parkeerautomaat), ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

en/of (vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het

door die (eerdere) ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft

geplaatst en/of (vervolgens) dat (tweede) stuk vuurwerk (Cobra 6) aangestoken,

ten gevolge waarvan (wederom) een ontploffing is ontstaan en/of die

parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk is ontploft,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parkeerautomaat en/of zich in de buurt

bevindende voorwerpen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) zich in de buurt bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

4.

subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een

parkeerautomaat (nummer 1658, staande op de Wolphaertsbocht), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Rotterdam, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers

heeft verdachte ten behoeve van het veroorzaken van (een) ontploffing(en),

althans vernielen, aan/van die parkeerautomaat een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) geleverd aan die [medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn,

verdachte's, stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6), (en/of waarna dat stuk zwaar vuurwerk aan/in die parkeerautomaat door die [medeverdachte 1] tot ontploffing werd gebracht).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Het verweer

Door de raadsvrouw is ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten primair integrale vrijspraak bepleit op grond van het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Door de raadsvrouw is hiertoe aangevoerd dat de verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij het tot ontploffing brengen van de parkeerautomaat. Zij stelt dat de verdachte niet op de hoogte was van het plan om de parkeerautomaat op te blazen, dat de verdachte niet bij de parkeerautomaat heeft gestaan en hij ook geen bemoeienis heeft gehad met het plakken van het vuurwerk op de parkeerautomaat en het aansteken van het vuurwerk. Bovendien is aangevoerd dat de verdachte op het moment dat hij instemde met het gebruik van zijn Cobra 6 door de medeverdachte [medeverdachte 1], niet wist dat de medeverdachte [medeverdachte 1] die Cobra 6 wilde gebruiken om de parkeerautomaat op te blazen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De feiten

De rechtbank stelt op basis van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de avond en nacht van 31 december 2013 naar 1 januari 2014 was de medeverdachte [medeverdachte 1] samen met verdachte op straat illegaal vuurwerk (waaronder meerdere keren illegaal vuurwerk genaamd Cobra 6) aan het afsteken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, dat hij 6 Cobra’s 6 had en dat de medeverdachte [medeverdachte 1] er 6 had. Ook de medeverdachte [medeverdachte 2] was, samen met zijn tweelingbroer, op straat. In de buurt van de kruising van de Wolphaertsbocht en de Den Hertigstraat bevond zich een grote groep, met name jongeren. Toen in die groep bekend werd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte beschikten over illegaal vuurwerk, ontstond in de groep het idee om de parkeerautomaat aan de Wolphaertsbocht op te blazen met dat illegale vuurwerk. Vervolgens werd aan dit plan uitvoering gegeven. De medeverdachte [medeverdachte 2] en de medeverdachte [medeverdachte 1] plakten samen een Cobra 6 met behulp van tape op de parkeerautomaat. Toen er politie langs kwam rijden, renden de verdachte en de medeverdachten weg, maar kort nadat de politie weer was vertrokken, werd de vastgeplakte Cobra 6 aangestoken door de medeverdachte [medeverdachte 1], waarna deze ontplofte. Door deze eerste ontploffing was er een gat ontstaan in de parkeerautomaat. Vervolgens plaatste medeverdachte [medeverdachte 1] met instemming van verdachte een tweede Cobra 6 in het gat van de parkeerautomaat. De medeverdachte [medeverdachte 1] stak deze tweede Cobra 6 aan. Hierna volgde er een enorme klap, waarbij er onderdelen van de parkeerautomaat en de beschermkap die door de gemeente Rotterdam ter bescherming tegen het vuurwerk daarop was bevestigd, met hoge snelheid alle kanten opvlogen. Een veertienjarige jongen, genaamd [slachtoffer 1], die ongeveer 40 meter verderop stond en de heer[slachtoffer 2], die op een afstand van ongeveer 25 meter van de parkeerautomaat stond, werden door deze onderdelen geraakt. [slachtoffer 1] kreeg een groot stuk ijzer tegen zijn hoofd, waardoor hij levensgevaarlijk gewond is geraakt. De heer[slachtoffer 2], had zijn arm en hand voor zijn hoofd gehouden en is gewond geraakt aan zijn hand en hoofd.

De rol van de drie medeverdachten

Over de hiervoor geschetste gang van zaken is geen discussie, maar met betrekking tot de rol die de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gespeeld in het geheel lopen de verklaringen uiteen.

Door de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn bij de politie uitgebreide bekennende verklaringen afgelegd, waarbij door hem over zijn betrokkenheid is verklaard zoals hiervoor reeds is weergegeven. De rechtbank acht deze verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar nu deze tevens worden ondersteund door overig bewijsmateriaal in het dossier.

Door [medeverdachte 1] is bij de politie met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard dat [medeverdachte 2] wist hoe de parkeerautomaat opgeblazen moest worden. Volgens de verklaringen van [medeverdachte 1] heeft de medeverdachte [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] uitgelegd hoe hij de parkeerautomaat moest opblazen en heeft [medeverdachte 2] ook zijn medewerking aan de uitvoering daarvan verleend door de eerste Cobra 6 met tape op een mogelijk zwakke plek op de parkeerautomaat te plakken. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] volgens de verklaring van [medeverdachte 1] geprobeerd om de eerste Cobra 6 aan te steken. Toen dit [medeverdachte 2] niet lukte, heeft de [medeverdachte 1] de eerste Cobra 6 aangestoken. De verklaringen van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van [medeverdachte 2] worden onder meer bevestigd door de verklaringen van verdachte, de getuigenverklaringen van

[getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte, heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte steeds bij hem in de buurt heeft gestaan en dat de verdachte er ook mee heeft ingestemd om de tweede en laatste Cobra 6 te gebruiken om de parkeerautomaat op te blazen. Door de verdachte is bij de politie bevestigd dat hij aan de medeverdachte [medeverdachte 1] toestemming had gegeven om zijn Cobra 6 te gebruiken.

Met betrekking tot het verweer dat door de raadsvrouw is gevoerd dat de verdachte niet wist dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de tweede Cobra 6 wilde gebruiken om de parkeerautomaat op te blazen, wordt door de rechtbank overwogen dat het niet geloofwaardig wordt geacht dat de verdachte hieromtrent geen wetenschap had.

In de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (proces-verbaalnummer PL17J0-2014000073-91 pagina 155 en 159) is door hem verklaard dat de verdachte naast hem stond te wachten toen hij de eerste Cobra 6 had aangestoken, dat hij daarna samen met de verdachte en [medeverdachte 2] om het apparaat heen stond, dat ze zeiden nu gaat het gebeuren en dat de medeverdachte [medeverdachte 1] toen de tweede Cobra 6 in de parkeerautomaat heeft gedaan.

In de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (proces-verbaalnummer PL17J0-2014000073-94 pagina 163 en 164) is door hem verklaard dat de verdachte steeds naast hem was en dat hij na de eerste ontploffing samen met de verdachte [medeverdachte 2] is gaan kijken wat voor gat er was ontstaan in de parkeerautomaat.

De verklaring van [medeverdachte 1] wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 2] (proces-verbaalnummer PL17J0-2014000073-95 pagina 193) die met betrekking tot de rol van de verdachte tegen de politie heeft verklaard dat de verdachte steeds bij [medeverdachte 1] was.

Door de getuige [getuige 4] (proces-verbaalnummer PL17J0-2014000073-117 pagina 303) is tegen de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] iets bij de parkeerautomaat aan het doen was.

Met betrekking de vraag of er gesproken kan worden van medeplegen dient de vraag beantwoord te worden of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Medeplegen vereist dat een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking zal doorgaans het resultaat zijn van vooraf gemaakte afspraken. Noodzakelijk voor het bestaan van medeplegen is een dergelijke vooraf gemaakte afspraak echter niet. Ook tijdens de feitelijke gedraging kan er nauwe samenwerking ontstaan, bijvoorbeeld door aansluiting of doelgerichte getalsmatige versterking. Niet vereist is dat medeplegers daadwerkelijke uitvoerders zijn. Zelfs als min of meer toevallig is wie de gedraging verricht, kan er nauwe samenwerking zijn. Voor het oordeel dat sprake is van medeplegen kan de rechter rekening houden met onder meer de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien met betrekking tot het aandeel van de drie medeverdachten van oordeel dat tussen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van het plan om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen. De medeverdachte [medeverdachte 2] wist hoe de parkeerautomaat kon worden opgeblazen, heeft de eerste Cobra 6 op de parkeerautomaat helpen plakken en heeft aanwijzingen gegeven aan de medeverdachte [medeverdachte 1] over de verdere uitvoering hiervan.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft deze aanwijzingen van [medeverdachte 2] opgevolgd, heeft zijn eigen Cobra 6 gebruikt voor de eerste explosie en heeft aan de verdachte gevraagd of hij voor de tweede explosie diens Cobra 6 mocht gebruiken.

De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank een kleiner aandeel gehad. Hoewel hij, ondanks dat hij wist wat de bedoeling was, ermee heeft ingestemd dat zijn Cobra 6 door de [medeverdachte 1] zou worden gebruikt voor de tweede explosie, is op grond van de bewijsmiddelen niet komen vast te staan dat hij zodanig bij de planning en de uitvoering van het tot ontploffing brengen van de parkeerautomaat betrokken was, dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. De betrokkenheid van de verdachte bestaat hierin dat hij wel behulpzaam is geweest bij de uitvoering van het plan om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen door het middel, te weten zijn Cobra 6, te leveren en in te stemmen met het gebruik daarvan.

De ernst van het lichamelijk letsel van de slachtoffers

Met betrekking tot de ernst van het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] is op grond van de stukken in het dossier (waaronder de medische informatie FARR) en de behandeling ter terechtzitting vast komen te staan dat [slachtoffer 1] zeer ernstig, blijvend hersenletsel heeft opgelopen, waardoor zijn kwaliteit van leven sterk is verminderd.

Met betrekking tot de ernst van het letsel van het slachtoffer[slachtoffer 2][slachtoffer 2] is op grond van de stukken in het dossier (waaronder de medische informatie FARR) en de behandeling ter terechtzitting vast komen te staan dat[slachtoffer 2] gelet op de aard van de verwonding, te weten van 8 cm lengte tot op de schedel, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit een blijvend litteken in zijn gezicht.

De bewezenverklaring per feit

Ten aanzien van feit 3

Met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het opzet hadden op het teweegbrengen van de ontploffing. Dat de opzet van medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet gericht was op het veroorzaken van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen dan wel gemeen gevaar voor goederen, is bij de beoordeling niet van belang. Het uit de gedraging voortvloeiende gevaar moet naar objectieve maatstaven algemeen voorzienbaar zijn geweest op het moment van het verrichten van die gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] veroorzaakte ontploffing van de parkeerautomaat gelegen in een woonwijk levensgevaar voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit blijkt ook uit het onderzoek dat is verricht door de Forensische Opsporing dat is gerelateerd in het proces verbaal sporenonderzoek (proces-verbaalnummer PL1850-2014000073-2). Op het moment van de ontploffing bevonden zich veel mensen op straat en vele van hen bevonden zich dichter bij de ontplofte parkeerautomaat dan het slachtoffer [slachtoffer 1], bij wie het gevaar zich ook heeft verwezenlijkt door het toegebrachte levensgevaarlijke letsel.

Genoegzaam is voorts gebleken dat het letsel van de slachtoffers een rechtstreeks gevolg is geweest van de handelingen van de medeverdachten, bestaande uit het tot ontploffing brengen van de parkeerautomaat.

Zoals hiervoor reeds is overwogen acht de rechtbank het primair ten laste medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing niet bewezen, nu op grond van de bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat de verdachte zodanig bij de planning en de uitvoering van het tot ontploffing brengen van de parkeerautomaat betrokken was, dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Subsidiair is tenlastegelegd dat de verdachte bij dit feit betrokken is als medeplichtige.

Voor medeplichtigheid is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van middelen (in dit geval de Cobra 6) als bedoeld in artikel 48 aanhef en onder 2° van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het misdrijf.

Zoals hierboven onder het kopje De rol van de drie medeverdachten is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij instemde met het gebruik van zijn Cobra 6 door [medeverdachte 1], op de hoogte moet zijn geweest van het voornemen van [medeverdachte 1] om deze Cobra 6 te gebruiken om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen. Voorts wordt overwogen dat de verdachte geen enkele actie heeft ondernomen om te verhinderen dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de Cobra 6 hiervoor zou gebruiken. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen de wetenschap heeft gehad van genoemde aanmerkelijke kans, maar hij deze ook bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte medeplichtig is aan het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 4

Ook het ten aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde vernieling volgt uit de voornoemde bewijsmiddelen dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] illegaal vuurwerk hebben gebruikt om de parkeerautomaat op te blazen en zodoende te vernielen.

Op grond van – mutatis mutandis – de voormelde feiten en omstandigheden geldt ook bij dit feit dat de verdachte zelf niet als medepleger bij de vernieling betrokken is maar wel schuldig is aan medeplichtigheid aan het medeplegen van vernieling.

STRAFBAARHEID FEITEN

De rechtbank overweegt dat het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde feit bestaat uit medeplichtigheid aan het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is en dat het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde feit bestaat uit medeplichtigheid aan vernieling.

Overwogen wordt voorts dat medeplichtigheid aan het veroorzaken van een ontploffing van de parkeerautomaat zowel het onder 3 subsidiair als het onder 4 subsidiair ten laste gelegde heeft opgeleverd en dat er bovendien eenheid van tijd en plaats is, zodat de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 lid 1 Wetboek van strafrecht. De rechtbank zal ten aanzien van deze feiten dan ook slechts de bepaling toepassen waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van:

3.

subsidiair

medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

en

4.

subsidiair

medeplichtigheid aan medeplegen van vernieling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Tijdens oudjaarsnacht 2013/2014 is door twee medeverdachten uitvoering gegeven aan het desastreuze plan om een parkeerautomaat, waaraan ter beveiliging tegen vuurwerk door de gemeente Rotterdam een ijzeren plaat was bevestigd en die zich op de openbare weg midden in een woonwijk bevond, met twee stuks Cobra 6 op te blazen. Door de verdachte is hieraan bijgedragen door toe te staan dat de tweede Cobra 6, die van hem was hiervoor zou worden gebruikt. Op dat moment bevonden zich vanwege de jaarwisseling veel mensen op straat, waaronder de slachtoffers [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2]. Door het plaatsen van de tweede Cobra 6 in het in de parkeerautomaat ontstane gat en het vervolgens aansteken van die Cobra 6 is de parkeerautomaat ontploft en zijn delen hiervan en (delen van) de ijzeren plaat met grote snelheid alle kanten op gevlogen. Dat hierdoor daadwerkelijk levensgevaar voor anderen en gevaar voor goederen is ontstaan, blijkt uit de omstandigheid, dat zowel [slachtoffer 1], die op een afstand van ongeveer 40 meter stond, als[slachtoffer 2], die op een afstand van ongeveer 25 meter stond, door een stuk ijzer afkomstig van de parkeerautomaat zijn geraakt. Voor [slachtoffer 1] was de ernst van zijn verwondingen levensbedreigend. Tevens is de parkeerautomaat in zijn geheel vernield.

De ernstige verwondingen die [slachtoffer 1] heeft opgelopen, hebben bij hem en zijn familie onherstelbaar leed en intens verdriet veroorzaakt. De onbezorgde toekomst van dit jonge slachtoffer is hem in één klap ontnomen. Naar alle waarschijnlijkheid zal hij de rest van zijn leven zorg nodig blijven houden, zal hij geen opleiding kunnen volgen en zal hij nooit zelfstandig kunnen wonen.

Uit de voorgehouden slachtofferverklaring van het slachtoffer[slachtoffer 2] is gebleken dat ook hij nog dagelijks kampt met de fysieke en psychische gevolgen van hetgeen hem is aangedaan.

De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij medeplichtig is geweest aan het nemen van onaanvaardbare grote veiligheidsrisico’s met betrekking tot personen en goederen. Daarnaast is er ernstig gevaar voor de omstanders ontstaan. Dat niet meer mensen zijn geraakt door de rondvliegende delen is niet aan de verdachte en de medeverdachten te danken maar berust louter op toeval.

Bovendien brengt dit soort feiten niet slechts in de directe omgeving maar ook in de samenleving als geheel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Ten aanzien van de op te leggen straf stelt de rechtbank voorop dat - welke straf ook wordt opgelegd - het aan de slachtoffers toegebrachte leed daarmee niet kan worden weggenomen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte is in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2015 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Door de GZ-psycholoog drs B.Y. van Toorn is een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 oktober 2014. Dit rapport houdt - onder meer - het volgende in:

Bij de verdachte is er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis, differentiaal diagnostisch van een depressieve stoornis. Daarnaast is er sprake van een ernstige stagnatie in de ontwikkeling, waarschijnlijk als gevolg van PDD-NOS en van AD(H)D van het overwegend onoplettende type. Genoemde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

Geadviseerd wordt om, gezien de ernst van de ontwikkelingsproblematiek, de verdachte, indien en voor zover bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De recidivekans op een soortgelijk delict wordt als zeer laag ingeschat. De kans op toekomstige ontsporingen wordt echter wel verhoogd ingeschat, als gevolg van het gebrek aan zicht van de verdachte op sociale situaties, de problemen die de verdachte heeft om de consequenties van zijn handelen te overzien en zijn afwijkende sociale beleving.

Voorts wordt de psycholoog geconcludeerd dat door gebrek aan steun en zorg, het sociale isolement en het gebrek aan probleembesef bij de ouders en overige leden van het stamgezin, de verdachte er in feite alleen voor staat, terwijl hij niet zelfredzaam is en niet in staat is om zijn leven zelfstandig op adequate wijze vorm te geven.

Om verdere ontsporing en scheefgroei te voorkomen behoeft de verdachte naar de mening van de psycholoog op zo kort mogelijke termijn behandeling van de posttraumatische stressstoornis. Nadat deze verbleekt is, kan gekomen worden tot meer accurate diagnostiek en kan een behandelplan opgesteld worden. Daarbij dient ernaar gestreefd te worden dat de verdachte meer los komt van zijn stamgezin en dat hij meer autonomie ontwikkelt. Parallel daaraan dient er zo spoedig mogelijk een out-reachend begeleidingstraject opgestart te worden gericht op activatie, het verkrijgen van een zinvolle daginvulling en het doorbreken van het isolement.

Indien en voor zover bewezen is het advies om aan de verdachte een dergelijke behandeling en begeleiding op te leggen bij de afdeling Jongvolwassenen van de reguliere GGZ. Deze behandeling kan gestalte krijgen binnen het juridisch kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Indien een vrijheidsbenemende straf zou worden overwegen, wordt geadviseerd om, in verband met de posttraumatische stressstoornis, de detentiegeschiktheid opnieuw te laten beoordelen. De verdachte zou namelijk door een nieuwe detentieperiode nog verder getraumatiseerd kunnen raken, waardoor ook de kans op toekomstige ontsporing verder op zou kunnen lopen.

Gezien de achterblijvende emotionele en sociale ontwikkeling is het advies om betrokkene te berechten conform het jeugdstrafrecht.

Voorts is rekening gehouden met het rapport dat is opgemaakt door Reclassering Nederland over de verdachte, gedateerd 30 oktober 2014. Hierin is opgenomen dat de verdachte sinds zijn detentie in toenemende mate lijdt aan psychische klachten. Ondanks de ontkenning door de verdachte heeft Reclassering Nederland een strafadvies in onderhavige zaak gegeven. Vanwege de dreigende achteruitgang van de verdachte door de psychische stoornissen waaraan hij lijdt, wordt toezicht door de jeugdreclassering en behandeling bij GGZ-instelling Lucertis geïndiceerd geacht en wordt het daarbij van groot belang geacht dat de geadviseerde begeleiding en behandeling zo snel mogelijk wordt gestart.

In aansluiting op het advies van de pro Justitia rapporteur wordt tevens de toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd.

Tevens is rekening gehouden met de briefrapportage van de Gecertificeerde Instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) gedateerd 30 januari 2015, welke tijdens de behandeling ter terechtzitting op 12 februari 2015 nader is toegelicht door de jeugdreclasseerder de heer [naam]. Hieruit is gebleken dat de jeugdreclassering de bovengenoemde adviezen onderschrijft en adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden begeleiding vanuit de jeugdreclassering en behandeling bij een GGZ-instelling.

Op basis van deze rapportages heeft de rechtbank op verzoek van de raadsvrouw de zaak met gesloten deuren behandeld.

Door de raadsvrouw is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om gezien de conclusies van de psycholoog het jeugdstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest en desnoods voorwaardelijk de maximale taakstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden toezicht door de jeugdreclassering en behandeling bij een GGZ-instelling.

De rechtbank overweegt dat er voldoende doorslaggevende redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen. Op grond van voornoemde adviezen van de deskundigen, de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat in de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding is om met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht te doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht.

De rechtbank overweegt voorts dat in het algemeen, gelet op de ernst van verdachtes handelen, het ontstane gevaar en de ingetreden gevolgen, een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur passend en geboden zijn. De rechtbank zal, mede gelet op de inhoud van voornoemde rapportages, een dergelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf echter niet opleggen.

De rechtbank is zich ervan bewust dat de verdachte de gevolgen van de ontploffing niet heeft gewild. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de verdachte ook zijn spijt betuigd.

Bij de vaststelling van de straf wordt rekening gehouden met de minder prominente

rol van de verdachte bij de feiten.

De rechtbank acht het tevens van belang dat de verdachte begeleid zal worden door de jeugdreclassering en dat de verdachte behandeling zal volgen voor zijn persoonlijke problematiek.

De rechtbank realiseert zich dat de gevolgen van hetgeen verdachte heeft gedaan voor de slachtoffers enorm zijn. Echter, die gevolgen kunnen, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet ongedaan gemaakt worden door het opleggen van een lange gevangenisstraf.

Gezien de aard en ernst van de feiten en de gevolgen daarvan, de geringe rol van de verdachte daarbij en de persoonlijkheid van de verdachte, acht de rechtbank het aangewezen dat aan de verdachte jeugddetentie gelijk aan het reeds ondergane voorarrest en een forse voorwaardelijke werkstraf worden opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1], wonende te [adres], ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit.


De benadeelde partij vordert een bedrag van € 25.000,-- als voorschot van de materiële schade en een bedrag van € 20.000,-- als voorschot van de immateriële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 25.000,-- en de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,-- en het resterende bedrag niet ontvankelijk te verklaren. Voorts heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat de bedragen worden vermeerderd met de wettelijk rente en heeft hij verzocht de schademaatregel op te leggen.


De raadsvrouw heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid.


De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is met betrekking tot de hoogte van de gevorderde materiële schade aangevoerd dat deze onder meer bestaat uit: de daggeldvergoeding ziekenhuisopname ter hoogte van € 784,--, de daggeldvergoeding opname revalidatiecentrum ter hoogte van € 1.610,-- en een vergoeding voor een jaar studievertraging ter hoogte van € 13.225,--. Gezien de verwachting van de benadeelde partij dat de materiële kosten nog verder zullen oplopen, is een bedrag van € 25.000,-- gevorderd als voorschot.


Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, als voorschot gedeeltelijk worden toegewezen. De rechtbank zal het toe te wijzen voorschot van de materiële kosten evenwel beperken tot de kosten die nader zijn gespecificeerd, zijnde een totaalbedrag van € 15.619,--.


Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid als voorschot worden vastgesteld op € 20.000,--


Nu de verdachte dit strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dat betrekking heeft op de overige gevorderde schade, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Nu de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


De benadeelde partij[slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:[slachtoffer 2], wonende te [adres], ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit.


De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.523,75 als voorlopige materiële schade en een bedrag van € 5.000,-- als immateriële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 2.526,56,-- en van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,-- en tot het niet ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het resterende gevorderde bedrag. Voorts heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat de bedragen worden vermeerderd met de wettelijk rente en de schademaatregel op te leggen.


De raadsvrouw heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid.


De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Door de benadeelde partij[slachtoffer 2] is met betrekking tot de hoogte van de gevorderde materiële schade aangevoerd dat deze bestaat uit: de kosten huishoudelijke hulp ter hoogte van € 1.501,25, reiskosten ter hoogte van € 80,--, het eigen risico van de zorgverzekering 2014 ter hoogte van € 382,--, kledingschade ter hoogte van € 400,--, kosten telefoon/porto ter hoogte van € 25,-- en een begroting van de kosten plastische chirurg ter hoogte van

€ 2.500,--.


De rechtbank acht het aannemelijk dat aan de benadeelde partij[slachtoffer 2] door het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht in die zin dat er bloed op zijn kleding terecht is gekomen vanwege zijn bloedende hoofdwond. De rechtbank bepaalt deze schade op € 50,-- en zal derhalve voor de materiële schade een bedrag van € 50,-- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014.


Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij[slachtoffer 2] door het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op

€ 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2014.


Nu de verdachte dit strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2] dat betrekking heeft op de overige gevorderde schade, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Nu de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


De benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: Stadsbeheer gemeente Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, ter zake van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten.


De benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam vordert een bedrag van € 7.898,40 aan materiële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële schade van € 7.898,40. Voorts heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijk rente en de schademaatregel op te leggen.


De raadsvrouw heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid.


De rechtbank overweegt dat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam, door de onder 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks schade is toegebracht en dat de vordering genoegzaam is onderbouwd, zodat, ondanks de betwisting door de verdachte, het volledige gevorderde bedrag ter hoogte van € 7.898,40 zal worden toegewezen.


Nu de verdachte deze strafbare feiten samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 36f, 47, 48, 55, 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.



BESLISSING


De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair en uiterst subsidiair, onder 2 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair, op twee na uiterst subsidiair, op één na uiterst subsidiair en uiterst subsidiair, onder 3 primair en onder 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 3 subsidiair en onder 4 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 44 (vierenveertig dagen);


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan,


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht,

vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen,


bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;


stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:


- zich gedurende een door gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;


- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij een GGZ instelling, zoals Lucertis of een soortgelijke instelling gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de jeugdreclassering verantwoord vindt;


- geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;


wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 36.619,-- (zesendertigduizend en zeshonderdnegentien euro), bestaande uit € 15.619,-- aan materiële schade als voorschot en € 20.000,-- aan immateriële schade als voorschot en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], wonende te [adres] te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft het resterende gedeelte en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 36.619,-- (zesendertigduizend en zeshonderdnegentien euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 36.619,-- (zesendertigduizend en zeshonderdnegentien euro) vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;



verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;


wijst de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.050,--(duizend en vijftig euro), bestaande uit € 50,-- aan materiële schade en € 1.000,-- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan[slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij[slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


verklaart de benadeelde partij[slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft het resterende gedeelte en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij[slachtoffer 2] te betalen € 1.050,-- (duizend en vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.050,-- (duizend en vijftig euro), vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;


wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam toe tot een bedrag van € 7.898, 40 (achtenzeventighonderd en achtennegentig euro) aan immateriële schade veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan Stadsbeheer gemeente Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam gemaakt, tot op heden begroot op nihil;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam te betalen € 7.898, 40 (achtenzeventighonderd en achtennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.898, 40 (achtenzeventighonderd en achtennegentig euro) vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.A. Pit , voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. O.E.M. Leinarts en G.M. Paling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2015.






































Bijlage I bij vonnis van 12 maart 2015:



TEKST TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het

leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape

heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met

(open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing heeft

veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede)

stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in die

parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens) aangestoken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het

door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van

het leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape

heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met

(open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing heeft

veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede)

stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in die

parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens) aangestoken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk en/of hersenletsel

en/of verlammingsverschijnselen), heeft toegebracht, door opzettelijk een stuk

zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape vast te plakken aan een parkeerautomaat

en/of (vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking te brengen en/of

(aldus) een ontploffing te veroorzaken aan/in die parkeerautomaat en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat te plaatsen en/of (vervolgens)

aan te steken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk en/of

hersenletsel en/of verlammingsverschijnselen), heeft toegebracht, door

opzettelijk een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape vast te plakken aan een

parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking

te brengen en/of (aldus) een ontploffing te veroorzaken aan/in die

parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) in het door die ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat te

plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken, ten gevolge waarvan (het restant

van) die parkeerautomaat (nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van

die parkeerautomaat en/of (een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen

vernieling) aan/op die parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1]

heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


uiterst subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een

ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens)

een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing

in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, waardoor het aan zijn schuld en/of de

schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of hersenletsel en/of

verlammingsverschijnselen, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel

dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 lid 2 Wetboek van Strafrecht


2.

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het

leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape

heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met

(open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing heeft

veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede)

stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in die

parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens) aangestoken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het

door die[medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2]

van het leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met

tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk

met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing

heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een

(ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in

die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 2]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een blijvend litteken in/op het

oorhoofd), heeft toegebracht, door opzettelijk een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape vast te plakken aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking te brengen en/of (aldus) een ontploffing

te veroorzaken aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een

(ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in

die parkeerautomaat ontstane gat te plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een blijvend litteken in/op het

voorhoofd) heeft toegebracht door opzettelijk een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape vast te plakken aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking te brengen en/of (aldus) een ontploffing

te veroorzaken aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een

(ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in

die parkeerautomaat ontstane gat te plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Op twee na uiterst subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of

(vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of

(aldus) een ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of

(vervolgens) aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die

parkeerautomaat (nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die

parkeerautomaat en/of (een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen

vernieling) aan/op die parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2]

heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Op een na uiterst subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of

(vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of

(aldus) een ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of

(vervolgens) aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die

parkeerautomaat (nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die

parkeerautomaat en/of (een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen

vernieling) aan/op die parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2]

heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Uiterst subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een

ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens)

een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing

in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat[slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, waardoor het aan zijn schuld en/of de

schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in/op het voorhoofd, heeft

bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte

en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van

deze was ontstaan;

art 308 lid 2 Wetboek van Strafrecht


3.

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer ontploffing(en)

teweeg heeft gebracht in/aan een parkeerautomaat, staande op de kruising van

de Den Hertighstraat en de Wolphaertsbocht,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen

daar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur

in aanraking gebracht met een Cobra 6, in elk geval een stuk (zwaar) vuurwerk,

(dat door verdachte en/of zijn mededader(s) met tape was bevestigd aan die

parkeerautomaat), ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan, en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

(eerdere) ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst

en/of (vervolgens) dat (tweede) stuk vuurwerk (Cobra 6) aangestoken, ten

gevolge waarvan (wederom) een ontploffing is ontstaan en/of die

parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk is ontploft,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parkeerautomaat en/of zich in de buurt

bevindende voorwerpen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) zich in de buurt bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer

ontploffing(en) teweeg heeft gebracht in/aan een parkeerautomaat, staande op

de kruising van de Den Hertighstraat en de Wolphaertsbocht,

immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

toen daar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met een Cobra 6, in elk geval een stuk (zwaar)

vuurwerk, (dat door verdachte en/of zijn mededader(s) met tape was bevestigd

aan die parkeerautomaat), ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

en/of (vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het

door die (eerdere) ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft

geplaatst en/of (vervolgens) dat (tweede) stuk vuurwerk (Cobra 6) aangestoken,

ten gevolge waarvan (wederom) een ontploffing is ontstaan en/of die

parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk is ontploft,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parkeerautomaat en/of zich in de buurt

bevindende voorwerpen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2]en/of een of meer (andere) zich in de buurt bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte ten behoeve van het veroorzaken van die tweede, althans (een van)

die, ontploffing(en) een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) geleverd aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn, verdachte's, stuk zwaar

vuurwerk (Cobra 6);

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht


4.

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een

parkeerautomaat (nummer 1658, staande op de Wolphaertsbocht), in elk geval

nig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Rotterdam, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een

parkeerautomaat (nummer 1658, staande op de Wolphaertsbocht), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Rotterdam, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers

heeft verdachte ten behoeve van het veroorzaken van (een) ontploffing(en),

althans vernielen, aan/van die parkeerautomaat een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) geleverd aan die [medeverdachte 1], althans ingestemd met het gebruiken van zijn,

verdachte's, stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6),

(en/of waarna dat stuk zwaar vuurwerk aan/in die parkeerautomaat door die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] tot ontploffing werd gebracht);

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht