Rechtbank Rotterdam, 12-03-2015 / 10/692003-14


ECLI:NL:RBROT:2015:1714

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft met een ander door middel van illegaal vuurwerk, te weten twee stuks Cobra 6, rond de jaarwisseling in een woonwijk een parkeerautomaat tot ontploffing gebracht waardoor twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en de parkeerautomaat is vernield. De rechtbank is van oordeel er bij de verdachte en de medeverdachte geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dat zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht wel bewezen dat het aan de schuld van de verdachte en de medeverdachte te wijten is dat de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van het ontploffen van de parkeerautomaat, in die zin dat zij zeer onvoorzichtig zwaar illegaal vuurwerk hebben gebruikt om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen. zie ook ECLI:NL:RBROT:2015:1712 en ECLI:NL:RBROT:2015:1713
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-16
Zaaknummer
10/692003-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/692003-14

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres],

raadsman K. Durdu, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek in het openbaar op de terechtzittingen van 3 februari 2015, 12 februari 2015 en 10 maart 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. T. Slieker heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 primair en 4 primair

ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden

waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee

jaar.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte ook van het onder 1 meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 1], dan wel de medeplichtigheid daaraan, en het onder 2 meer subsidiair, meest subsidiair, op twee na uiterst subsidiair en op één na uiterst subsidiair het medeplegen van (een poging tot) zware mishandeling van [slachtoffer 2], danwel de medeplichtigheid daaraan, dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht namelijk niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte 1] hetopzet, ook niet in de voorwaardelijke zin, had(den) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hieromtrent wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte 1] wist(en) dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft/hebben aanvaard dat door de kracht van de ontploffing van de parkeerautomaat veroorzaakt door een Cobra 6, aan mensen die zich op een afstand van 25 meter of meer bevonden, zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en de medeverdachten ook zelf aanmerkelijk zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat de verdachte en de medeverdachten de aanmerkelijke kans op de koop toe hebben genomen dat hij en/of zijn mededaders als gevolg van het afsteken van het illegale vuurwerk in een parkeerautomaat zelf ernstig lichamelijk letsel zouden oplopen. De ernst van de gevolgen van het handelen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] mag er niet toe leiden dat de grenzen van het opzet worden opgerekt.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 uiterst subsidiair, onder 2 uiterst subsidiair, onder 3 primair en onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

uiterst subsidiair

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een

ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens)

een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing

in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een deel of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, waardoor het aan zijn schuld en/of de

schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of hersenletsel en/of

verlammingsverschijnselen, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel

dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

2.

uiterst subsidiair

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een

ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens)

een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing

in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een deel of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een deel of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat [slachtoffer 2][slachtoffer 2] [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, waardoor het aan zijn schuld en/of de

schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer 2][slachtoffer 2] [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in/op het

voorhoofd, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit

tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of

beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

3.

primair

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer ontploffing(en)

teweeg heeft gebracht in/aan een parkeerautomaat, staande op de kruising van

de Den Hertighstraat en de Wolphaertsbocht,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen

daar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur

in aanraking gebracht met een Cobra 6, in elk geval een stuk (zwaar) vuurwerk,

( die dat door verdachte en/of zijn mededader(s) met tape was bevestigd aan die

parkeerautomaat), ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan, en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

(eerdere) ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst

en/of (vervolgens) dat (tweede) stuk vuurwerk (Cobra 6) aangestoken, ten

gevolge waarvan (wederom) een ontploffing is ontstaan en/of die

parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk is ontploft,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parkeerautomaat en/of zich in de buurt

bevindende voorwerpen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) zich in de buurt bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was;

4.

primair

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

een parkeerautomaat (nummer 1658, staande op de Wolphaertsbocht), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Rotterdam, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Het verweer

Door de raadsman is ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten primair integrale vrijspraak bepleit op grond van het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Hiertoe is door de raadsman ten aanzien van de feiten 1 uiterst subsidiair, 2 uiterst subsidiair en 3 primair en subsidiair bepleit dat de verdachte op geen enkele wijze, en derhalve ook niet in de vorm van medeplegen of medeplichtigheid, in verband kan worden gebracht met de tweede ontploffing, die het letsel heeft opgeleverd. Door de raadsman is betoogd dat er buiten de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] geen bewijs in het dossier voorhanden is, waaruit de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] (en medeverdachte [medeverdachte 2]) zou moeten blijken.

Voorts is door de raadsman ten aanzien van het onder de feiten 3 en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat de opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, bij de verdachte niet aanwezig is geweest. Door de raadsman is hieromtrent aangevoerd dat er bij de verdachte geen wetenschap was dat het stuk vuurwerk dat is gebruikt bij de eerste ontploffing illegaal vuurwerk betrof en dat de verdachte derhalve niet wist welke uitwerking/kracht dit vuurwerk zou hebben.

Subsidiair heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder de feiten 1 en 2 uiterst subsidiair ten laste gelegde en met betrekking tot het ten laste gelegde onder feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De feiten

De rechtbank stelt op basis van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de avond en nacht van 31 december 2013 naar 1 januari 2014 was de medeverdachte [medeverdachte 1] (verder [medeverdachte 1]) samen met zijn neef, medeverdachte [medeverdachte 2] (verder[medeverdachte 2]), op straat vuurwerk aan het afsteken. Ook de verdachte was samen met zijn tweelingbroer op straat. In de buurt van de kruising van de Wolphaertsbocht en de Den Hertigstraat bevond zich een grote groep met name jongeren. Toen in die groep bekend werd dat [medeverdachte 1] en zijn neef beschikten over illegaal vuurwerk, ontstond in de groep het idee om de parkeerautomaat aan de Wolphaertsbocht op te blazen met dat illegale vuurwerk. Vervolgens werd aan dit plan uitvoering gegeven. De verdachte en [medeverdachte 1] plakten samen een Cobra 6 met behulp van tape op de parkeerautomaat. Toen er politie langs kwam rijden, renden de verdachte en de medeverdachten weg, maar kort nadat de politie weer was vertrokken, werd door [medeverdachte 1] de vastgeplakte Cobra 6 aangestoken, waarna deze ontplofte. Door deze eerste ontploffing was er een gat ontstaan in de parkeerautomaat. Vervolgens plaatste [medeverdachte 1] met instemming van zijn neef [medeverdachte 2] een tweede Cobra 6 in het gat van de parkeerautomaat. [medeverdachte 1] stak deze tweede Cobra 6 aan. Hierna volgde er een enorme klap, waarbij er onderdelen van de parkeerautomaat en de beschermkap die door de gemeente Rotterdam ter bescherming tegen het vuurwerk daarop was bevestigd, met hoge snelheid alle kanten opvlogen. Een veertienjarige jongen, genaamd [slachtoffer 1], die ongeveer 40 meter verderop stond en de heer [slachtoffer 2], die op een afstand van ongeveer 25 meter van de parkeerautomaat stond, werden door deze onderdelen geraakt. [slachtoffer 1] kreeg een groot stuk ijzer tegen zijn hoofd, waardoor hij levensgevaarlijk gewond is geraakt. De heer [slachtoffer 2], had zijn arm en hand voor zijn hoofd gehouden en is gewond geraakt aan zijn hand en hoofd.

De rol van de drie medeverdachten

Over de hiervoor geschetste gang van zaken is geen discussie, maar met betrekking tot de rol die de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gespeeld in het geheel, lopen de verklaringen uiteen.

Door de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn bij de politie uitgebreide bekennende verklaringen afgelegd, waarbij door [medeverdachte 1] over zijn betrokkenheid is verklaard zoals hiervoor reeds is weergegeven. De rechtbank acht deze verklaringen van de [medeverdachte 1]betrouwbaar nu deze tevens worden ondersteund door overig bewijsmateriaal in het dossier.

Door [medeverdachte 1] is bij de politie met betrekking tot de verdachte verklaard dat de verdachte wist hoe de parkeerautomaat opgeblazen moest worden. Volgens de verklaringen van [medeverdachte 1] heeft de verdachte aan [medeverdachte 1] uitgelegd hoe hij de parkeerautomaat moest opblazen en heeft de verdachte ook zijn medewerking aan de uitvoering daarvan verleend door de eerste Cobra 6 met tape op een mogelijk zwakke plek op de parkeerautomaat te plakken. Vervolgens heeft verdachte volgens de verklaring van [medeverdachte 1] geprobeerd om de eerste Cobra 6 aan te steken. Toen dit de verdachte niet lukte, heeft [medeverdachte 1] de eerste Cobra 6 aangestoken. De verklaringen van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte worden onder meer bevestigd door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] en de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en[getuige 4].

Ten aanzien van de betrokkenheid van de neef van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zijn neef steeds bij hem in de buurt heeft gestaan en dat die neef er ook mee heeft ingestemd om de tweede en laatste Cobra 6 te gebruiken om de parkeerautomaat op te blazen. Door [medeverdachte 2] is bij de politie bevestigd dat hij aan [medeverdachte 1] toestemming had gegeven om zijn Cobra 6 te gebruiken.

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte niet heeft gezien welk stuk vuurwerk hij heeft vastgehouden en tegen de parkeerautomaat heeft gedrukt en dat hij derhalve niet wist dat het illegaal vuurwerk betrof. Door de verdachte is verklaard dat hij dacht dat het een Thunderking (siervuurwerk) was.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het een Cobra 6 betrof, ongeloofwaardig. Uit de verklaringen van[medeverdachte 2] (proces-verbaalnummer PL17J0-2014001480-116) en de getuige [getuige 2] (PL17J0-2014000073-120) zoals zij die bij de politie hebben afgelegd, blijkt dat op het vuurwerk duidelijk “COBRA 6” staat geschreven. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt voorts dat de verdachte erbij was toen [medeverdachte 1] tegen die getuige [getuige 2] vertelde dat hij en zijn neef illegaal vuurwerk hadden en dat die medeverdachte [medeverdachte 1] toen ook Cobra 6 vuurwerk heeft afgestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat Cobra 6 illegaal vuurwerk is en dat illegaal vuurwerk bij ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen.

Met betrekking de vraag of er gesproken kan worden van medeplegen dient de vraag beantwoord te worden of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Medeplegen vereist dat een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking zal doorgaans het resultaat zijn van vooraf gemaakte afspraken. Noodzakelijk voor het bestaan van medeplegen is een dergelijke vooraf gemaakte afspraak echter niet. Ook tijdens de feitelijke gedraging kan er nauwe samenwerking ontstaan, bijvoorbeeld door aansluiting of doelgerichte getalsmatige versterking. Niet vereist is dat medeplegers daadwerkelijke uitvoerders zijn. Zelfs als min of meer toevallig is wie de gedraging verricht, kan er nauwe samenwerking zijn. Voor het oordeel dat sprake is van medeplegen kan de rechter rekening houden met onder meer de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank is op grond van de voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien met betrekking tot het aandeel van de drie medeverdachten van oordeel dat tussen de verdachte en [medeverdachte 1] er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van het plan om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen. De verdachte wist hoe de parkeerautomaat kon worden opgeblazen, heeft de eerste Cobra 6 op de parkeerautomaat helpen plakken en heeft aanwijzingen gegeven aan [medeverdachte 1] over de verdere uitvoering hiervan. Voor zover wordt aangenomen dat de verdachte, nadat hij had geholpen om de eerste Cobra 6 op de parkeerautomaat te plakken en was weggerend voor de politie, niet meer is teruggekeerd naar de parkeerautomaat maar naar het nabij gelegen café[naam] is gegaan, maakt dit het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het medeplegen niet anders. De verdachte wist dat [medeverdachte 1] de tweede Cobra 6 in het gat zou gooien om de parkeerautomaat te laten ontploffen. De verdachte is op een veilige afstand gaan staan en heeft niets gedaan om [medeverdachte 1] te stoppen.

[medeverdachte 1] heeft de aanwijzingen van verdachte uitgevoerd, heeft zijn eigen Cobra 6 gebruikt voor de eerste explosie en heeft aan [medeverdachte 2] gevraagd of hij voor de tweede explosie zijn Cobra 6 mocht gebruiken, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd.

[medeverdachte 2] heeft naar het oordeel van de rechtbank een kleiner aandeel gehad. Hoewel hij, ondanks dat hij wist wat de bedoeling was, ermee heeft ingestemd dat zijn Cobra 6 door [medeverdachte 1] zou worden gebruikt voor de tweede explosie, is op grond van de bewijsmiddelen niet komen vast te staan dat hij zodanig bij de planning en de uitvoering van het tot ontploffing brengen van de parkeerautomaat betrokken was, dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. De betrokkenheid van[medeverdachte 2] bestaat hierin dat hij wel behulpzaam is geweest bij de uitvoering van het plan om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen door de het middel, te weten de Cobra 6, te leveren althans in te stemmen met het gebruik daarvan.

De ernst van het lichamelijk letsel van de slachtoffers

Met betrekking tot de ernst van het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] is op grond van de stukken in het dossier (waaronder de medische informatie FARR) en de behandeling ter terechtzitting van 3 februari 2015 is vast komen te staan dat [slachtoffer 1] zeer ernstig blijvend hersenletsel heeft opgelopen, waardoor zijn kwaliteit van leven sterk is verminderd.

Met betrekking tot de ernst van het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 2] is op grond van de stukken in het dossier (waaronder de medische informatie FARR) en de behandeling ter terechtzitting van 3 februari 2015 vast komen te staan dat [slachtoffer 2], gelet op de aard van de verwonding, te weten van 8 cm lengte tot op de schedel, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit een blijvend litteken in zijn gezicht.

De bewezenverklaring per feit

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Ten aanzien van het onder 1 uiterst subsidiair en onder 2 uiterst subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank met betrekking tot de mate van schuld aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het volgende.

Met betrekking tot de ten laste gelegde roekeloosheid wordt overwogen dat hiervan pas sprake is in het geval dat de gedraging van de verdachte zodanig ernstig onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig is, dat deze grenst aan opzet. Of er sprake is van een dergelijke schuld is onder meer afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de verdachte naar eigen zeggen verrast was door de enorme kracht van de tweede explosie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er geen sprake is geweest van zodanig ernstige schuld van de verdachte, dat deze gekwalificeerd dient te worden als roekeloosheid.

De rechtbank acht wel bewezen dat het aan de schuld van de verdachte en [medeverdachte 1] te wijten is dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van het ontploffen van de parkeerautomaat, in die zin dat zij zeer onvoorzichtig zwaar vuurwerk hebben gebruikt om de parkeerautomaat tot ontploffing te brengen.

Gelet op de Nederlandse wetgeving en de landelijke voorlichtingscampagnes moet het voor de verdachte bekend zijn geweest dat illegaal vuurwerk in Nederland als gevaarlijk wordt beschouwd. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het een Cobra 6 en derhalve illegaal vuurwerk betrof, wordt, zoals hiervoor overwogen, niet geloofwaardig geacht.

Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] is ook gebleken dat de verdachte gedurende de dag voorafgaand aan de jaarwisseling reeds had gezien hoe door [medeverdachte 1] Cobra 6 vuurwerk is afgestoken. De verdachte had het effect van dit illegale vuurwerk derhalve al waargenomen.

Het gedrag van de verdachte bestaande uit het medeplegen van het afsteken van een zwaar stuk illegaal vuurwerk met de kennelijke bedoeling om een parkeerautomaat te laten ontploffen in een woonwijk waar zich op dat moment veel mensen op straat bevinden vanwege de jaarwisseling, is aan te merken als zeer onvoorzichtig handelen. Dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van dit onvoorzichtig handelen zwaar gewond zijn geraakt is genoegzaam gebleken.

Ten aanzien van feit 3

Met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing is op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] samen de opzet hadden op het teweegbrengen van de ontploffing. Dat de opzet van de verdachte niet gericht was op het veroorzaken van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen dan wel gemeen gevaar voor goederen, is bij de beoordeling niet van belang. Het uit de gedraging voortvloeiende gevaar moet naar objectieve maatstaven algemeen voorzienbaar zijn geweest op het moment van het verrichten van die gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] veroorzaakte ontploffing van de parkeerautomaat gelegen in een woonwijk levensgevaar voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit blijkt ook uit het onderzoek dat is verricht door de Forensische Opsporing dat is gerelateerd in het proces verbaal sporenonderzoek (proces-verbaalnummer PL1850-2014000073-2). Op het moment van de ontploffing bevonden zich veel mensen op straat en vele van hen bevonden zich dichter bij de ontplofte parkeerautomaat dan het slachtoffer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], bij wie het gevaar zich ook heeft verwezenlijkt door het toegebrachte levensgevaarlijke letsel.

Genoegzaam is voorts gebleken dat het letsel van de slachtoffers een rechtstreeks gevolg is geweest van de handelingen van de verdachte en de medeverdachte, bestaande uit het tot ontploffing brengen van de parkeerautomaat.

Ten aanzien van feit 4

Ook het ten aanzien van het onder feit 4 primair ten laste gelegde medeplegen van vernieling volgt uit de voornoemde bewijsmiddelen dat de verdachte en de medeverdachte tezamen bewust illegaal vuurwerk hebben gebruikt om de parkeerautomaat op te blazen en zodoende te vernielen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De rechtbank overweegt dat het onder 1 uiterst subsidiair en het onder 2 uiterst subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit bestaat uit het medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, dat het onder 3 primair bewezen verklaarde feit bestaat uit het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is en dat het onder 4 primair bewezen verklaarde feit bestaat uit vernieling.

Overwogen wordt voorts dat het tezamen met een ander veroorzaken van een ontploffing van de parkeerautomaat zowel het onder 1 uiterst subsidiair, het onder 2 uiterst subsidiair, als het onder het onder 3 primair en het onder 4 primair ten laste gelegde heeft opgeleverd en dat er bovendien eenheid van tijd en plaats is, zodat de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 lid 1 Wetboek van strafrecht. De rechtbank zal ten aanzien van deze feiten dan ook slechts de bepaling toepassen waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van:

1.

uiterst subsidiair

medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt

2.

uiterst subsidiair

medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt

3.

primair

De eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

4.

primair

medeplegen van vernieling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Tijdens oudjaarsnacht 2013/2014 heeft de verdachte zich samen met een ander bewust bezig gehouden met het afsteken van zwaar illegaal vuurwerk met zeer ernstige gevolgen. Door de verdachte is samen met een ander uitvoering gegeven aan het desastreuze plan om een parkeerautomaat waaraan ter beveiliging tegen vuurwerk door de gemeente Rotterdam een ijzeren plaat was bevestigd en die zich op de openbare weg midden in een woonwijk bevond, met twee stuks Cobra 6 op te blazen. Op dat moment bevonden zich vanwege de jaarwisseling veel mensen op straat, waaronder de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Door het plaatsen van de tweede Cobra 6 in het in de parkeerautomaat ontstane gat en het vervolgens aansteken van die Cobra 6 is de parkeerautomaat ontploft en zijn delen hiervan en (delen van) de ijzeren plaat met grote snelheid alle kanten op gevlogen. Dat hierdoor daadwerkelijk levensgevaar voor anderen en gevaar voor goederen is ontstaan, blijkt uit de omstandigheid, dat zowel [slachtoffer 1], die op een afstand van ongeveer 40 meter stond, als [slachtoffer 2], die op een afstand van ongeveer 25 meter stond, door een stuk ijzer afkomstig van de parkeerautomaat zijn geraakt. Voor [slachtoffer 1] was de ernst van zijn verwondingen levensbedreigend. Tevens is de parkeerautomaat in zijn geheel vernield.

De ernstige verwondingen die [slachtoffer 1] heeft opgelopen, hebben bij hem en zijn familie onherstelbaar leed en intens verdriet veroorzaakt. De onbezorgde toekomst van dit jonge slachtoffer is hem in één klap ontnomen. Naar alle waarschijnlijkheid zal hij de rest van zijn leven zorg nodig blijven houden, zal hij geen opleiding kunnen volgen en zal hij nooit zelfstandig kunnen wonen.

Uit de voorgehouden slachtofferverklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2] is gebleken dat ook hij nog dagelijks kampt met de fysieke en psychische gevolgen van hetgeen hem is aangedaan.

Door aldus te handelen heeft de verdachte schuld aan het zware letsel dat de slachtoffers

[slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben opgelopen. De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij onaanvaardbare grote veiligheidsrisico’s heeft genomen met betrekking tot personen en materiële goederen. Daarnaast is door verdachtes toedoen ernstig gevaar voor de omstanders ontstaan. Dat niet meer mensen zijn geraakt door de rondvliegende ijzeren delen is niet aan de verdachte te danken maar berust slechts op toeval.

Bovendien brengt dit soort feiten niet slechts louter in de directe omgeving maar ook in de samenleving als geheel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Ten aanzien van de op te leggen straf stelt de rechtbank voorop dat - welke straf ook wordt opgelegd - het aan de slachtoffers toegebrachte leed daarmee niet kan worden weggenomen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2015 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts is rekening gehouden met de rapporten die zijn opgemaakt door Reclassering Nederland over de verdachte, gedateerd 17 maart 2014 en 7 oktober 2014. Nu de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, onthoudt de reclassering zich met betrekking tot de inschatting van het recidive risico. Geconcludeerd wordt evenwel dat er geen probleemgebieden zijn aangetroffen en dat de verdachte werkstraf geschikt is.

Voorts wordt geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen en in geval van een bewezenverklaring aan de verdachte naast een onvoorwaardelijke deel een forse voorwaardelijke detentiestraf op te leggen, alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf.

Door de raadsman is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat Reclassering Nederland het advies om het volwassenstrafrecht toe te passen niet heeft gemotiveerd en dat de verdachte volgens de leidraad van de “Wegingsitems wegingskader Adolescentenstrafrecht 18- tot 23-jarigen” wel voor het jeugdstrafrecht in aanmerking komt.

De rechtbank overweegt dat er onvoldoende doorslaggevende redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen. Contra-indicaties zijn de ernst van het ten laste gelegde feiten, en de persoonlijkheid van de verdachte, waarbij er ook geen sprake is van een verstandelijke beperking. Alles afwegende acht de rechtbank het aangewezen om met betrekking tot het strafregime aan te sluiten bij het voormelde advies van Reclassering Nederland en om de verdachte te berechten conform het volwassen strafrecht.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen, gelet op de ernst van het door verdachtes handelen, het ontstane gevaar en de ingetreden gevolgen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden zijn. De rechtbank zal een dergelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf echter niet opleggen.

De rechtbank is van oordeel, dat verdachte – die reeds in voorarrest heeft gezeten – niet terug hoeft naar de gevangenis. Verdachte is een intelligente jonge man, zonder strafblad, die zijn leven op orde heeft.

Daarbij komt dat de verdachte de gevolgen van de ontploffing niet heeft gewild. In deze zaak zal de verdachte zijn hele verdere leven moeten leven met het besef dat door zijn toedoen een jong slachtoffer op een gruwelijke wijze gewond is geraakt en daar blijvend ernstig letsel aan over heeft gehouden en dat er nog een slachtoffer gewond is geraakt. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de verdachte ook zijn spijt betuigd.

De rechtbank realiseert zich dat de gevolgen van hetgeen verdachte heeft gedaan voor de slachtoffers enorm zijn. Uit artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht volgt dat een taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad, tenzij naast de taakstraf een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest opleggen, met daarnaast een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen ertoe dient om verdachte te waarschuwen, dat hij nooit meer illegaal vuurwerk zal afsteken. Daarnaast zal aan verdachte de maximale werkstraf worden opgelegd

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1], wonende te [adres], ter zake van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten.


De benadeelde partij vordert een bedrag van € 25.000,-- als voorschot van de materiële schade en een bedrag van € 20.000,-- als voorschot van de immateriële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 25.000,-- en de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,-- en het resterende bedrag niet ontvankelijk te verklaren. Voorts heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat de bedragen worden vermeerderd met de wettelijk rente en heeft hij verzocht de schademaatregel op te leggen.


De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid.


De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is met betrekking tot de hoogte van de gevorderde materiële schade aangevoerd dat deze onder meer bestaat uit: de daggeldvergoeding ziekenhuisopname ter hoogte van € 784,--, de daggeldvergoeding opname revalidatiecentrum ter hoogte van € 1.610,-- en een vergoeding voor een jaar studievertraging ter hoogte van € 13.225,--. Gezien de verwachting van de benadeelde partij dat de materiële kosten nog verder zullen oplopen, is een bedrag van € 25.000,-- gevorderd als voorschot.


Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door de onder 1 uiterst subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, als voorschot gedeeltelijk worden toegewezen. De rechtbank zal het toe te wijzen voorschot van de materiële kosten evenwel beperken tot de kosten die nader zijn gespecificeerd, zijnde een totaalbedrag van € 15.619,--.


Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door de onder 1 uiterst subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid als voorschot worden vastgesteld op € 20.000,--.


Nu de verdachte deze strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader(s) de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader(s) onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dat betrekking heeft op de overige gevorderde schade, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Nu de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.




De benadeelde partij [slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2], wonende te [adres], ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.


De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.523,75 als voorlopige materiële schade en een bedrag van € 5.000,-- als immateriële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 2.526,56,-- en van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,-- en tot het niet ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het resterende gevorderde bedrag. Voorts heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat de bedragen worden vermeerderd met de wettelijk rente en om de schademaatregel op te leggen.


De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid.


De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Door de benadeelde partij [slachtoffer 2] is met betrekking tot de hoogte van de gevorderde materiële schade aangevoerd dat deze bestaat uit: de kosten huishoudelijke hulp ter hoogte van € 1.501,25, reiskosten ter hoogte van € 80,--, het eigen risico van de zorgverzekering 2014 ter hoogte van € 382,--, kledingschade ter hoogte van € 400,--, kosten telefoon/porto ter hoogte van € 25,-- en een begroting van de kosten plastische chirurg ter hoogte van

€ 2.500,--.


De rechtbank acht het aannemelijk dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door de onder 2 uiterst subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks schade is toegebracht in die zin dat er bloed op zijn kleding terecht is gekomen vanwege zijn bloedende hoofdwond. De rechtbank bepaalt deze schade op € 50,-- zal derhalve voor de materiële schade een bedrag van € 50,-- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014.


Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door de onder 2 uiterst subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op

€ 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014.


Nu de verdachte deze strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader(s) de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader(s) onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dat betrekking heeft op de overige gevorderde schade, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Nu de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


De benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: Stadsbeheer gemeente Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, ter zake van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten.


De benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam vordert een bedrag van € 7.898,40 aan materiële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële schade van € 7.898,40. Voorts heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijk rente en om de schademaatregel op te leggen.


De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid.


De rechtbank overweegt dat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam, door de onder 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks schade is toegebracht en dat de vordering genoegzaam is onderbouwd, zodat, ondanks de betwisting door de verdachte, het volledige gevorderde bedrag ter hoogte van € 7.898,40 zal worden toegewezen.


Nu de verdachte deze strafbare feiten samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 36f, 47, 55, 157, 308, 350 van het Wetboek van Strafrecht.



BESLISSING

De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair en het onder 2 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair, op twee na uiterst subsidiair en op één na uiterst subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 uiterst subsidiair, onder 2 uiterst subsidiair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;


stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;


wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 36.619,-- (zesendertigduizend en zeshonderdnegentien euro), bestaande uit € 15.619,-- aan materiële schade als voorschot en € 20.000,-- aan immateriële schade als voorschot en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], wonende te [adres]te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft het resterende gedeelte en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 36.619,-- (zesendertigduizend en zeshonderdnegentien euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 36.619,-- (zesendertigduizend en zeshonderdnegentien euro), vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 218 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;


wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.050,--(duizend en vijftig euro), bestaande uit € 50,-- aan materiële schade en € 1.000,-- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft het resterende gedeelte en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 1.050,-- (duizend en vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.050,-- (duizend en vijftig euro) vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;


wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam toe tot een bedrag van € 7.898, 40 (achtenzeventighonderd en achtennegentig euro) aan materiële schade veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan Stadsbeheer gemeente Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam gemaakt, tot op heden begroot op nihil;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam te betalen € 7.898, 40 (achtenzeventighonderd en achtennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.898, 40 (achtenzeventighonderd en achtennegentig euro) vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 89 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij Stadsbeheer gemeente Rotterdam, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.A. Pit, voorzitter,

en mrs. O.E.M. Leinarts en G.M. Paling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2015.





Bijlage I bij vonnis van 12 maart 2015:



TEKST TENLASTELEGGING .


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het

leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape

heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met

(open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing heeft

veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede)

stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in die

parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens) aangestoken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het

door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van

het leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape

heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met

(open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing heeft

veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede)

stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in die

parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens) aangestoken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk en/of hersenletsel

en/of verlammingsverschijnselen), heeft toegebracht, door opzettelijk een stuk

zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape vast te plakken aan een parkeerautomaat

en/of (vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking te brengen en/of

(aldus) een ontploffing te veroorzaken aan/in die parkeerautomaat en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat te plaatsen en/of (vervolgens)

aan te steken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk en/of

hersenletsel en/of verlammingsverschijnselen), heeft toegebracht, door

opzettelijk een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape vast te plakken aan een

parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking

te brengen en/of (aldus) een ontploffing te veroorzaken aan/in die

parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) in het door die ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat te

plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken, ten gevolge waarvan (het restant

van) die parkeerautomaat (nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van

die parkeerautomaat en/of (een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen

vernieling) aan/op die parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 1]

heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


uiterst subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een

ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens)

een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing

in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, waardoor het aan zijn schuld en/of de

schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of hersenletsel en/of

verlammingsverschijnselen, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel

dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 lid 2 Wetboek van Strafrecht


2.


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het

leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met tape

heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk met

(open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing heeft

veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een (ander/tweede)

stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in die

parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens) aangestoken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het

door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd[slachtoffer 2]

van het leven te beroven, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) met

tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat vuurwerk

met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een ontploffing

heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een

(ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in

die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 2]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een blijvend litteken in/op het

voorhoofd), heeft toegebracht, door opzettelijk een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape vast te plakken aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking te brengen en/of (aldus) een ontploffing

te veroorzaken aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een

(ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in

die parkeerautomaat ontstane gat te plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


eest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een blijvend litteken in/op het

voorhoofd) heeft toegebracht door opzettelijk een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape vast te plakken aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking te brengen en/of (aldus) een ontploffing

te veroorzaken aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens) een

(ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing in

die parkeerautomaat ontstane gat te plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken,

ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat (nogmaals) is

ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of (een of meer

delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die parkeerautomaat

bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd

en/of het lichaam,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Op twee na uiterst subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of

(vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of

(aldus) een ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of

(vervolgens) aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die

parkeerautomaat (nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die

parkeerautomaat en/of (een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen

vernieling) aan/op die parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2]

heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Op één na uiterst subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een stuk zwaar vuurwerk

(Cobra 6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of

(vervolgens) dat vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of

(aldus) een ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of

(vervolgens) aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die

parkeerautomaat (nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die

parkeerautomaat en/of (een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen

vernieling) aan/op die parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat die [slachtoffer 2]

heeft/hebben geraakt tegen/in het hoofd en/of het lichaam, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Uiterst subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een stuk zwaar vuurwerk (Cobra

6) met tape heeft vastgeplakt aan een parkeerautomaat en/of (vervolgens) dat

vuurwerk met (open) vuur in aanraking heeft gebracht en/of (aldus) een

ontploffing heeft veroorzaakt aan/in die parkeerautomaat en/of (vervolgens)

een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die ontploffing

in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst en/of (vervolgens)

aangestoken, ten gevolge waarvan (het restant van) die parkeerautomaat

(nogmaals) is ontploft en/of een of meer delen van die parkeerautomaat en/of

(een of meer delen van) een (ter beveiliging tegen vernieling) aan/op die

parkeerautomaat bevestigde (ijzeren) plaat[slachtoffer 2] heeft/hebben geraakt

tegen/in het hoofd en/of het lichaam, waardoor het aan zijn schuld en/of de

schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in/op het voorhoofd, heeft

bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte

en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van

deze was ontstaan;

art 308 lid 2 Wetboek van Strafrecht


3.

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer ontploffing(en)

teweeg heeft gebracht in/aan een parkeerautomaat, staande op de kruising van

de Den Hertighstraat en de Wolphaertsbocht,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen

daar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur

in aanraking gebracht met een Cobra 6, in elk geval een stuk (zwaar) vuurwerk,

(dat door verdachte en/of zijn mededader(s) met tape was bevestigd aan die

parkeerautomaat), ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan, en/of

(vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het door die

(eerdere) ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft geplaatst

en/of (vervolgens) dat (tweede) stuk vuurwerk (Cobra 6) aangestoken, ten

gevolge waarvan (wederom) een ontploffing is ontstaan en/of die

parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk is ontploft,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parkeerautomaat en/of zich in de buurt

bevindende voorwerpen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) zich in de buurt bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer

ontploffing(en) teweeg heeft gebracht in/aan een parkeerautomaat, staande op

de kruising van de Den Hertighstraat en de Wolphaertsbocht,

immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

toen daar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met een Cobra 6, in elk geval een stuk (zwaar)

vuurwerk, (dat door verdachte en/of zijn mededader(s) met tape was bevestigd

aan die parkeerautomaat), ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

en/of (vervolgens) een (ander/tweede) stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) in het

door die (eerdere) ontploffing in die parkeerautomaat ontstane gat heeft

geplaatst en/of (vervolgens) dat (tweede) stuk vuurwerk (Cobra 6) aangestoken,

ten gevolge waarvan (wederom) een ontploffing is ontstaan en/of die

parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk is ontploft,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die parkeerautomaat en/of zich in de buurt

bevindende voorwerpen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) zich in de buurt bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft

verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht



4.

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een

parkeerautomaat (nummer 1658, staande op de Wolphaertsbocht), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Rotterdam, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een

parkeerautomaat (nummer 1658, staande op de Wolphaertsbocht), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Rotterdam, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers

heeft verdachte een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) tegen die parkeerautomaat

(gedrukt) gehouden, waardoor/waarna die [medeverdachte 1] met tape dat stuk vuurwerk

aan die parkeerautomaat kon vastplakken, althans heeft verdachte geholpen met

het bevestigen van een stuk zwaar vuurwerk (Cobra 6) aan die parkeerautomaat

(en/of waarna dat stuk zwaar vuurwerk door die [medeverdachte 1] tot ontploffing werd

gebracht);

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht