Rechtbank Rotterdam, 17-03-2015 / ROT 14-4086


ECLI:NL:RBROT:2015:1741

Inhoudsindicatie
ambtenarenzaak, leraar. Ontslag primair op grond van disfunctioneren, subsidiair op grond van gewichtige redenen. Verweerder heeft niet aan de hand van concrete gedragingen aangetoond dat sprake is van disfunctioneren. Wel ontslag op basis van impasse. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-07-09
Zaaknummer
ROT 14-4086
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 14/4086


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.C. Moree,


en


Stichting Onderwijsgroep Galilei, verweerster,

gemachtigde: mr. S.A. Geerdink.



Procesverloop


Bij besluit van 29 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerster de aanstelling van eiser per 1 januari 2014 beëindigd.


Bij besluit van 16 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verder heeft namens verweerster [rector] het woord gevoerd. [getuige 1] en [getuige 2] zijn ter zitting als getuigen gehoord.



Overwegingen


1.1.

Met ingang van 26 november 1984 is eiser bij (de rechtsvoorganger van) verweerster aangesteld als docent Nederlands.


1.2.

Bij besluit van 15 mei 2012 is eiser met ingang van 1 augustus 2012 overgeplaatst van [school 1] te [plaats] naar één van de andere scholen vallend onder verweerster. Dit is uiteindelijk geworden [school 2] te [plaats]. Eiser heeft zich tegen de overplaatsing verzet. De Centrale Raad voor Beroep (CRvB) heeft op 6 november 2014 geoordeeld dat er voldoende grond was eiser over te plaatsen omdat er een conflictsituatie aanwezig was.


2. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerster dat sprake is van disfunctioneren, althans van gewichtige redenen op grond waarvan de aanstelling van eiser mag worden beëindigd. Eiser reflecteert niet op klachten over zijn wijze van functioneren, maar benadert collega’s over hun ervaringen. Deze klachten betreffen het niet reageren op e-mails, het niet nakomen van afspraken over een boekbestelling, een negatieve houding tijdens vakgroepbijeenkomsten en het op de hoogte stellen van leerlingen van de juridische procedures rond zijn overplaatsing. Aan eiser is te kennen gegeven dat er twijfel is ontstaan over zijn functioneren, gelet op de gelijkenis van de situatie met die op [school 1]. Vervolgens is hem de kans geboden zich op de aangegeven punten te verbeteren. Ondanks diverse pogingen van verweerster is dit verbetertraject, zo stelt verweerster, door toedoen van eiser niet gestart.


3. Eiser betwist dat sprake zou zijn van disfunctioneren. Hij is van mening dat hij wel heeft gereflecteerd en ziet niet in wat hij fout zou hebben gedaan door collega’s te vragen naar hun ervaringen. Eiser betwist dat er klachten aan hem zijn medegedeeld over het niet reageren op e-mails, afspraken over een (enkele) boekbestelling en een negatieve houding of negatief gedrag tijdens vakgroepbijeenkomsten. Hij heeft de opmerkingen die hierover zijn gemaakt tijdens het evaluatiegesprek van 5 maart 2013 gemotiveerd weersproken. Eiser heeft tijdens zijn lessen niets inhoudelijks medegedeeld over de juridische procedures met betrekking tot zijn overplaatsing en slechts datgene gedaan wat nodig was om de rust en orde in de klas te handhaven. Nu zijn overplaatsing niet was gebaseerd op disfunctioneren, valt niet in te zien hoe hij zou moeten weten welke punten hij zou moeten verbeteren, laat staan dat verweerster hem een kans heeft geboden zijn functioneren te verbeteren. Eiser is van mening dat hij na zijn overplaatsing niet de begeleiding heeft gekregen die hem was toegezegd. De mededelingen tijdens het evaluatiegesprek van 5 maart 2013 staan in contrast met de positieve beoordelingen die eiser 27 jaar lang heeft gehad en het beoordelingsrapport van [conrector], conrector, van 15 februari 2013. Het is niet duidelijk hoe vervolgens tot een negatieve beoordeling is gekomen. Verweerster had moeten onderzoeken of eiser terug kon naar [school 1] en of de door de schoolleiding aangeleverde belastende informatie juist was. Dat het assessment uiteindelijk niet is doorgegaan, is niet aan eiser te wijten. Eiser is van mening dat de schoolleiding en verweerster in overwegende mate een aandeel hebben gehad in het ontstaan van een situatie die onnodig escalerend en diffamerend voor eiser heeft uitgewerkt. Eiser verzoekt om een ontslagvergoeding van € 90.937,50. Daarnaast vordert hij dat er een rectificatie wordt gepubliceerd in enkele landelijke dagbladen en dat de akte van ontslag wordt ingetrokken.


4. De rechtbank merkt op dat de rechtmatigheid van de overplaatsing van eiser van [school 1] naar [school 2] in deze procedure niet aan de orde is, zodat de beroepsgronden die hierop betrekking hebben niet besproken zullen worden. De stellingen van eiser dat verweerster had moeten onderzoeken of hij terug kon naar [school 1] en dat verweerster in de procedure met betrekking tot de overplaatsing onwaarheden zou hebben verkondigd, kunnen dan ook niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.


5.1.

Op grond van artikel 9.b.3., aanhef en onder 7, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2011-2012 (CAO VO), voor zover thans van belang, kan de werknemer ontslag worden verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7017) moet onbekwaamheid of ongeschiktheid, zich uitend in het ontbreken van de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn, worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen en zal van ontslag in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren en gedrag is aangesproken. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerster deze vraag ten onrechte bevestigend heeft beantwoord en overweegt daartoe het volgende.


5.2.

Zoals ook volgt uit het verslag van de kennismakingsbijeenkomst op [school 2] van 25 juni 2012, was de overplaatsing van eiser van [school 1] naar [school 2] volgens verweerster aan te merken als een ordemaatregel naar aanleiding van de patstelling die op [school 1] was ontstaan. Daarbij is niet nader onderzocht in hoeverre deze patstelling aan eiser te wijten was. Uit het feit dat eiser is overgeplaatst van [school 1] naar [school 2] kan dan ook niet worden afgeleid dat op [school 1] sprake was van disfunctioneren. Daarbij heeft verweerster ter zitting ook bevestigd dat het door haar gestelde disfunctioneren ziet op de situatie op [school 2].


5.3.

Na de overplaatsing naar [school 2] heeft eiser zich op de eerste dag van het schooljaar 2012-2013 ziek gemeld. Met ingang van 1 oktober 2012 is eiser gestart met het geven van vijf lessen en met ingang van 9 januari 2013 heeft eiser zich beter gemeld. De omstandigheden dat eiser in zijn aanvraag voor een deskundigenoordeel van 15 september 2012 voor verweerster een antwoord heeft afgeplakt en dat eiser in januari 2013 heeft verzocht te worden gedetacheerd naar een andere school, merkt de rechtbank niet aan als concrete gedragingen waaruit de onbekwaamheid of ongeschiktheid van eiser voor zijn functie blijkt. Dit geldt ook voor het inbrengen van e-mails van de rector en conrector van [school 2] in de gerechtelijke procedure met betrekking tot de overplaatsing zonder dit vooraf met hen te overleggen, hoewel de rechtbank daarbij wel opmerkt dat dit uit collegiaal oogpunt niet verstandig van eiser is geweest.


5.4.

Bij brief van 14 februari 2013 heeft [collega], vakgroepvoorzitter, namens de vakgroep aan [rector], rector, haar zorgen geuit over de werkrelatie met eiser. Volgens [collega] zou de communicatie tussen eiser en de collega’s in de onderbouw niet goed verlopen, bijvoorbeeld omdat eiser nauwelijks reageert op e-mails over afspraken over de verschillende leerjaren. Ook zou eiser weinig initiatieven nemen tot samenwerken en tot afstemming van de leerstof en zou hij lesboeken te laat hebben besteld. Volgens de vakgroep zou eiser zijn eigen koers varen met betrekking tot de lesstof en de aanpak in de verschillende leerjaren/niveaus. Op 4 maart 2013 heeft [rector] met eiser over de inhoud van de brief van [collega] van 14 februari 2013 gesproken. Bij brief van 5 maart 2013 heeft [rector] kanttekeningen geplaatst bij het functioneren van eiser als collega en als lid van het team. Aan eiser is te kennen gegeven dat hij solistisch overkomt, zijn eigen koers vaart en zich niet informeert over de gang van zaken. Tijdens de vakgroepvergadering van 7 maart 2013 is met eiser gesproken over zijn wijze van communiceren. De rechtbank is van oordeel dat verweerster deze verwijten van de vakgroep te weinig concreet heeft gemaakt om op basis hiervan te concluderen dat het eiser ontbreekt aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Zo heeft verweerster geen e-mails overgelegd waarop eiser ten onrechte niet zou hebben gereageerd. Ook heeft verweerster geen voorbeelden genoemd van de door haar genoemde slechte communicatie tussen eiser en collega’s uit de onderbouw. Daarnaast heeft verweerster, ook ter zitting, niet geconcretiseerd waaruit volgt dat eiser weinig initiatief neemt tot samenwerking, dat hij zijn eigen koers vaart en welke lesboeken eiser te laat zou hebben besteld en wat de gevolgen hiervan waren. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerster eiser ten onrechte verwijt dat hij kort na het gesprek op 4 maart 2013 leden van de vakgroep heeft benaderd. Als onweersproken staat vast dat eiser niet eerder door zijn collega’s was aangesproken op zijn functioneren. Wanneer collega’s dan in een brief aan de rector hun beklag doen over eiser, acht de rechtbank het alleszins begrijpelijk en zeker niet ongeoorloofd dat eiser deze collega’s hierop aanspreekt. Daarbij heeft verweerster haar stelling dat eiser zijn collega’s, waaronder de met name genoemde [collega 2], op een intimiderende wijze zou hebben benaderd niet onderbouwd. Uit het feit dat eiser zijn collega’s kort na het gesprek met [rector] van 4 maart 2013 heeft benaderd, volgt naar het oordeel van de rechtbank, in tegenstelling tot wat verweerster stelt, ook niet dat eiser niet reflecteert op klachten over zijn functioneren.


5.5.

Op 8 maart 2013 heeft eiser zich ziek gemeld en met ingang van 24 mei 2013 is eiser weer hersteld gemeld. Volgens verweerster ontving de rector gedurende deze periode e-mails van drie bezorgde collega’s die klassen van eiser zouden hebben overgenomen gedurende zijn afwezigheid, waaruit zou volgen dat eiser veel lesstof ten onrechte niet zou hebben behandeld en dat zijn klassen achterlopen. Deze e-mails bevinden zich niet in het dossier. Weliswaar heeft [rector] ter zitting één van deze e-mails voorgelezen, maar dat neemt niet weg dat verweerster niet heeft onderbouwd dat het aan eiser te wijten was dat lesstof nog niet was behandeld en dat de klassen achterliepen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser slechts twee maanden volledig arbeidsgeschikt is geweest en dat hij (een aantal) klassen van andere docenten had overgenomen. Ook hieruit volgt dus niet dat verweerster deugdelijk heeft onderbouwd dat eiser de eigenschappen, mentaliteit en instelling mist die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn.


5.6.

Op 3 juli 2013 heeft [rector] in een gesprek met onder anderen eiser toegelicht dat de samenwerking op [school 2] met eiser de eerste maanden goed verliep, maar dat er vervolgens kritiek op het functioneren van eiser kwam. Daarbij heeft hij, naast de hiervoor besproken voorbeelden, als voorbeeld genoemd dat eiser altijd de schuld bij anderen legt. Ook dit verwijt heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank te weinig geconcretiseerd om te concluderen dat het eiser ontbreekt aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Het enige verwijt dat verweerster eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft gemaakt is dat eiser met leerlingen heeft gesproken over de rechtszaak over de overplaatsing. Eiser heeft tijdens het gesprek van 3 juli 2013 gezegd dat leerlingen aan hem vroegen wat er aan de hand was, waarna hij heeft gezegd dat hij heel lang op een school in [plaats] heeft gewerkt, dat hij onvrijwillig is overgeplaatst en dat hij terug wil naar [plaats]. Met verweerster is de rechtbank van oordeel dat het niet aan eiser is om, ook wanneer hierom wordt gevraagd, deze informatie met leerlingen te delen. De rechtbank acht dit enkele verwijt echter niet zodanig zwaarwegend dat louter op grond hiervan de conclusie getrokken kan worden dat eiser onbekwaam of ongeschikt is voor zijn functie.


5.7.

Het voorgaande brengt mee dat verweerster ten onrechte disfunctioneren aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd.


6.1.

Verweerster heeft subsidiair aan het ontslag artikel 9.b.3., aanhef en onder 12, van de CAO VO ten grondslag gelegd. In dit artikel is, voor zover thans van belang, bepaald dat de werknemer ontslag kan worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan betrokkene schriftelijk medegedeelde redenen van gewichtige aard. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3298) moeten redenen van gewichtige aard als bedoeld in dit artikel in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie. Dergelijke redenen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in een ontstane impasse, die redelijkerwijs slechts kan worden doorbroken door beëindiging van het dienstverband. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerster zich terecht op het standpunt dat sprake is van een dergelijke impasse, zodat voor verweerster de bevoegdheid bestond tot ontslagverlening op grond van redenen van gewichtige aard over te gaan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.


6.2.

Uit het voorgaande volgt dat binnen een vrij korte periode op twee scholen problemen zijn ontstaan in de samenwerking tussen eiser en verschillende directe collega’s. Deze problemen vertonen gelijkenis met elkaar. Op [school 1] waren het immers ook de sectieleden die kritiek hadden op de houding en het gedrag van eiser. Gelet op deze gelijkenis is bij verweerster twijfel ontstaan over het functioneren van eiser. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk of onredelijk dat [bestuurder], bestuurder van verweerster, tijdens het gesprek met onder anderen eiser op 9 juli 2013 heeft voorgesteld eiser te onderwerpen aan een psychodiagnostisch onderzoek in de vorm van een assessment, uit te voeren door GITP, om te bezien of er persoonlijke eigenschappen van eiser zijn die bijdragen aan het ontstaan van problemen in de samenwerking en zo ja, of maatregelen ter verbetering passend en geboden zijn. Bij e-mail van 16 juli 2013 heeft eiser [bestuurder] laten weten GITP zijn medewerking aan het assessment te hebben toegezegd en aan GITP te hebben gevraagd om de tekst van de opdracht van verweerster en uitgebreide informatie over de procedurele en inhoudelijke kant van het assessment. Bij e‑mail van 19 juli 2013 heeft [bestuurder] eiser de aan GITP gegeven opdracht toegezonden. Bij e-mail van 17 september 2013 heeft eiser [bestuurder] te kennen gegeven dat het assessment wat hem betreft niet bij GITP kan plaatsvinden, omdat hij twijfels heeft bij de objectiviteit van GITP. Reden hiervan is volgens eiser dat de medewerker van het GITP hem naar aanleiding van zijn verzoek om de gegeven opdracht heeft laten weten hierover overleg te moeten plegen met [bestuurder]. Daarnaast is eiser van mening dat de opdracht te subjectief is, omdat deze suggereert dat de “gerede twijfel over de geschiktheid” van eiser een vaststaand gegeven is, terwijl eiser dit betwist. [bestuurder] heeft eiser hierop bij e-mail van 20 september 2013 voorgesteld de opmerkingen van eiser over de formulering van de opdracht aan GITP kenbaar te maken, waarna eiser bij e-mail van 1 oktober 2013 heeft laten weten hier geen genoegen mee te nemen. Door na ruim twee maanden na het voorstel alsnog te weigeren zijn medewerking aan het assessment te verlenen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheden voor een verdere vruchtbare samenwerking met verweerster ernstig beperkt. Dat eiser in een stressvolle positie verkeerde, maakt dat niet anders, nu verweerster hem voldoende tijd heeft gegeven om te reageren. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij eiser niet kan volgen in de door hem gestelde twijfels bij de objectiviteit van GITP. Dat de betreffende medewerker van GITP over het verstrekken van de opdracht aan eiser overleg wilde hebben met verweerster, is niet onlogisch en betekent niet dat GITP niet open is in de richting van eiser. Daarbij is GITP door het voorstel van [bestuurder] om de opmerkingen van eiser over de formulering van de opdracht aan GITP kenbaar te maken van alle zienswijzen op de hoogte en kan niet langer gesteld worden dat de opdracht te subjectief is. De stelling van eiser dat verweerster een datum en plaats aan hem had moeten doorgeven om het assessment te ondergaan, is in tegenspraak met de inhoud van zijn e-mail van 1 oktober 2013, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat. De opstelling van eiser tegenover het door verweerster voorgestelde onderzoek, bezien in samenhang met het feit dat zich in vrij korte tijd op twee scholen de situatie heeft voorgedaan dat veel van eisers directe collega’s grote problemen ervaren in de samenwerking met eiser, terwijl eiser nu juist naar de tweede school is overgeplaatst vanwege deze problemen en om een nieuwe start te maken, wettigt naar het oordeel van de rechtbank verweerders conclusie dat sprake is van een impasse als onder 6.1. bedoeld. Mede gelet op de ruime bedenktijd die eiser had gevraagd en gekregen ten aanzien van het onderzoek door GITP betekent de omstandigheid dat hij een aantal weken na het voornemen tot ontslag, op 14 november 2013, stelt alsnog bereid te zijn tot medewerking niet dat verweerder gehouden was af te zien van zijn voornemen.


6.3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerster in redelijkheid van de bevoegdheid tot ontslagverlening op grond van redenen van gewichtige aard gebruik heeft kunnen maken. Eisers leeftijd, het aantal dienstjaren, de door eiser gestelde reputatieschade en het risico dat hij zijn beroep enige tijd niet kan uitoefenen, maken dit niet anders. Ter zitting is overigens gebleken dat eiser inmiddels op een andere school op basis van een vaste aanstelling werkzaam is als leraar, wat de gestelde reputatieschade en het door eiser gestelde risico relativeert.


7.1.

Eiser kan, indien hij aan de voorwaarden hiervoor voldoet, aanspraak maken op een uitkering op grond van de in de CAO VO genoemde werkloosheidsregeling. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7269) is er slechts plaats voor het oordeel dat deze uitkering onvoldoende is, indien komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkeringsregeling die niet uitgaat boven het niveau van de reguliere uitkeringen, niet redelijk heeft kunnen achten.


7.2.

Het is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verweerster een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat in een korte tijd op twee scholen conflicten met eiser zijn ontstaan. Het is niet gebleken dat het conflict op [school 2] is ontstaan doordat verweerster eiser daar te weinig zou hebben begeleid. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat hij door [rector] goed is ontvangen op [school 2]. Daarnaast laat de rechtbank meewegen dat door toedoen van eiser het assessment niet heeft kunnen plaatsvinden. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vertrek het doel van het assessment was, nu uit de opdracht volgt dat het doel was twijfels over de geschiktheid weg te nemen en te bepalen welke adequate oplossings- en verbetermaatregelen geboden zijn. Eiser heeft voorts geen omstandigheden gesteld op grond waarvan de uitkering op grond van de werkloosheidsregeling in de CAO VO niet redelijk kan worden geacht. Verweerster heeft dan ook in redelijkheid kunnen volstaan met de gebruikelijke reguliere uitkering.


8. De stelling van eiser dat niet tijdig op zijn bezwaar is beslist, kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. De overige stellingen van eiser, waaronder de stelling dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat niet wordt verwezen naar het primaire besluit, niet duidelijk is naar welke dossierstukken wordt verwezen en bezwaren in het bestreden besluit niet zouden zijn weersproken, kunnen evenmin tot gegrondverklaring van het beroep leiden. In het bestreden besluit is weliswaar samengevat waaruit de door verweerster gestelde ontslaggronden bestaan, maar met haar verwijzing naar de overige dossierstukken, het voornemen tot ontslag van 20 oktober 2013, de pleitnota zoals overgelegd bij de mondelinge behandeling van het bezwaar op 2 april 2014 en het advies van de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften Onderwijsgroep Galilei (de commissie) van 23 april 2014, alsmede het in deze procedure ingebrachte verweerschrift, is voldoende gemotiveerd op grond waarvan verweerster tot het bestreden besluit is gekomen. De gronden van beroep geven er blijk van dat dit ook voor eiser duidelijk was. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de commissie blijk heeft gegeven van vooringenomenheid doordat [bestuurder] en de voorzitter van de commissie kennissen van elkaar zouden zijn. Ook overigens waren er geen redenen op grond waarvan verweerster niet had mogen verwijzen naar het advies van de commissie.


9. Deze bestuursrechtelijke procedure leent zich niet voor beoordeling van de vorderingen van eiser tot rectificatie in een landelijk dagblad of tot intrekking van de akte van ontslag. Daarbij merkt de rechtbank ten aanzien van de akte van ontslag wel op dat de hierin vermelde reden van het ontslag in strijd is met wat hiervoor is overwogen, zodat zij ervan uitgaat dat verweerster dit naar aanleiding van deze uitspraak zal aanpassen.


10. Het beroep is ongegrond.


11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van E. Hage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2015.






De griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak mede te ondertekenen.



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad voor Beroep.