Rechtbank Rotterdam, 03-04-2015 / 3500213 CV EXPL 14-49421


ECLI:NL:RBROT:2015:1879

Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident. Zeevervoer. Nederlandse partijen. Forumkeuze voor Franse rechter. Voldaan aan internationaliteitsvereiste. Himalaya-clausule. Art. 23 EEX-Vo. Art. 108 Rv.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-08
Zaaknummer
3500213 CV EXPL 14-49421
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak KANTONRECHTER ROTTERDAM

zaaknummer: 3500213 CV EXPL 14-49421

uitspraak: 3 april 2015


vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidVCK LOGISTICS OCEANFREIGHT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,verweerster in het bevoegdheidsincident,gemachtigde: mr. R.L. Latten,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CMA-CGM (HOLLAND) B.V.,

gevestigd te Rhoon (gemeente Albrandswaard),gedaagde in de hoofdzaak,eiseres in het bevoegdheidsincident,

gemachtigde: mr. M.J. Hajdasinski.


Eiseres in de hoofdzaak/verweerster in het bevoegdheidsincident zal hierna VCK genoemd worden en gedaagde in de hoofdzaak/eiseres in het bevoegdheidsincident CMA-CGM (Holland).

1Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • - het exploot van dagvaarding van 7 oktober 2014, met producties;
  • - de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met één productie;
  • - de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met één productie.

Ten slotte is vonnis bepaald in het bevoegdheidsincident.



2Het geschil in de hoofdzaak


2.1

VCK heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad CMA-CGM (Holland) te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.826,42, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.


2.2

Kort samengevat heeft VCK hieraan ten grondslag gelegd dat CMA-CGM (Holland) als agent van het Franse CMA-CGM S.A. voor het vervoer door CMA-CGM S.A. van de verhuisgoederen van de heer Benzie van Londen, Engeland, Verenigd Koninkrijk naar Port Gentil in Gabon een cognossement heeft uitgegeven waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat deze goederen aan boord van de ‘CS Discovery’ zijn geladen, zodat CMA-CGM (Holland) voor de hierdoor ontstane schade uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens VCK, die dit vervoer bij haar heeft geboekt.


in het bevoegdheidsincident 2.3 CMA-CGM (Holland) heeft primair gevorderd dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het door VCK gevorderde en subsidiair verzocht dat tussentijds beroep wordt opengesteld van het te wijzen tussenvonnis waarin de kantonrechter deze primaire vordering van CMA-CGM (Holland) afwijst.


2.4

Aan genoemde primaire incidentele vordering heeft CMA-CGM (Holland) het volgende ten grondslag gelegd - kort samengevat:- van het uitgegeven cognossement zélf en van de daarop van toepassing zijnde voorwaarden maakt een forumkeuzebeding deel uit voor de rechter in Marseille, Frankrijk, ter zake van geschillen met de vervoerder, in het onderhavige geval derhalve CMA-CGM S.A.; dit forumkeuzebeding luidt als volgt - aangehaald voor zover van belang:

‘All claims and actions arising between the Carrier and the Merchant in relation with the contract of Carriage evidenced by this Bill of Lading shall exclusively be brought before the Tribunal de Commerce de Marseille and no other Court shall have jurisdiction with regards to any such claim or action. Notwithstanding the above, the Carrier is also entitled to bring the claim or action before the Court of the place where the defendant has his registered office’;- hier is sprake van een rechtsgeldige forumkeuze als bedoeld in het eerste lid van artikel 108 Rv (Hebben partijen bij overeenkomst een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die rechter bij uitsluiting bevoegd van de zaak kennis te nemen, voor zover niet uit de overeenkomst anders voortvloeit);- CMA-CGM (Holland) komt als agent van CMA-CGM S.A. een beroep toe op deze forumkeuze vanwege de in artikel 27 lid 2 van de cognossementsvoorwaarden vervatte ‘Himalaya-clausule’:‘The Merchant undertakes that no claim or allegation shall be made against

any Person whomsoever by whom the Carriage is performed or undertaken (inciuding all Sub-Contractors of the Carrier), other than the Carrier, which imposes or attempts to impose upon any such Person, or any Vessel owned by any such Person, any liability whatsoever in connection with the Goods or the Carriage of the Goods, whether or not arising out of negligence on the part of such Person and, if any such claim or allegation should nevertheless be made, to indemnify the Carrier against all consequences thereof. Without prejudice to the foregoing every such Person shall have the benefit of every right, defence, limitation and liberty of whatsoever nature herein contained or otherwise available to the Carrier as if such provisions were expressly for its benefit; and in entering into this contract, the Carrier, to the extent of these provisions, does so not only on

its own behalf but also as agent and trustee for such Persons.’


2.5

VCK heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van CMA-CGM (Holland), met veroordeling van CMA-CGM (Holland) in de kosten van het incident. Op de argumenten die VCK hiertoe heeft aangevoerd zal hieronder bij de beoordeling, voor zover van belang, nader worden ingegaan.


3De beoordeling van de primaire incidentele vordering


3.1

In geschil in dit incident is of deze rechtbank, waarvan de kantonrechter is aangezocht, bevoegd is kennis te nemen van het door VCK gevorderde in de hoofdzaak.


3.2

Uit het beroep dat CMA-CGM (Holland) in haar incidentele conclusie doet op artikel 108 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidt de kantonrechter van de rechtbank, met VCK, af dat CMA-CGM (Holland) kennelijk van mening is dat genoemde vraag of de rechtbank bevoegd is (uitsluitend) een vraag is van relatieve bevoegdheid, derhalve niet van internationale bevoegdheid. VCK is een andere opvatting toegedaan, zo volgt uit haar incidentele conclusie van antwoord. Zij meent namelijk niet alleen dat deze rechtbank wél bevoegd is maar tevens dat het hier gaat om een vraag van internationale bevoegdheid, welke vraag volgens haar moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo).


3.3

De onderhavige zaak is een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 EEX-Vo en tevens in de zin van artikel 1 van de Herschikte EEX-Verordening, de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX II-Vo). De EEX II-Vo mist in de onderhavige zaak echter toepassing omdat deze zaak aanhangig is gemaakt voorafgaande aan 10 januari 2015, de dag waarop deze verordening in werking is getreden. In de onderhavige zaak is temporeel bezien de EEX-Vo van toepassing.


3.4

Voor de toepasselijkheid van de EEX-Vo is tevens vereist dat de zaak, waar het de rechterlijke bevoegdheid betreft, voldoende internationaal van aard is - het zogenaamde ‘internationaliteitsvereiste’. Indien een zaak bijvoorbeeld uitsluitend met het land van de aangezochte rechter - in deze zaak Nederland - verbonden is, dan mist de EEX-Vo toepassing. De vraag is dus of de onderhavige zaak aan dit internationaliteitsvereiste voldoet.


3.5

Beide partijen in deze zaak, VCK en CMA-CMG (Holland), hebben hun woonplaats in Nederland, waar zij immers beide gevestigd zijn. Zij houden bovendien beide kantoor in Nederland. Vergelijk artikel 60 EEX-Vo. Voor zover dit al relevant is, is ook de onrechtmatige gedraging van CMA-CMG (Holland) die VCK aan haar vorderingen ten grondslag legt uitsluitend met Nederland verbonden. Daar heeft CMA-CMG (Holland) immers het cognossement uitgegeven. In de onderhavige zaak is echter aan het internationaliteitsvereiste voldaan, omdat door de onderhavige forumkeuze aan de EEX-Vo-bevoegdheid van een EEX-Vo-gerecht wordt gederogeerd, in de onderhavige zaak de EEX-Vo-bevoegdheid van de Nederlandse rechter (vgl. Hof Den Haag 28 juni 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1381).


3.6

In de onderhavige zaak is ook aan de overige vereisten voor toepasselijkheid van de EEX-Vo voldaan, omdat beide partijen gevestigd zijn op het grondgebied van een EEX-Vo-lidstaat (vgl. artt. 2 en 23 EEX-Vo) en de forumkeuze waar het geschil in dit bevoegdheidsincident betrekking op heeft is uitgebracht voor een rechter van een EEX-Vo-lidstaat (vgl. art. 23 EEX-Vo).3.7 De onderhavige forumkeuze voor de rechter te Marseille dient derhalve getoetst te worden aan artikel 23 EEX-Vo.Voor zover deze forumkeuze niet aan dit artikel voldoet, (heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 2 lid 1 EEX-Vo, omdat CMA-CGM (Holland) woonplaats heeft in Nederland, en) is (de kantonrechter van) deze rechtbank relatief bevoegd, omdat CMA-CGM (Holland) woonplaats heeft binnen het rechtsgebied van deze rechtbank (art. 99 lid 1 Rv) (en de vordering in de hoofdzaak geen beloop heeft van meer dan € 25.000,00 als bedoeld in artikel 93 Rv).Ten overvloede overweegt de kantonrechter in dit verband dat, anders dan CMA-CGM (Holland) betoogt, in de onderhavige zaak niet van toepassing is het in lid 2 van artikel 108 Rv neergelegde verbod op een voorafgaande aan een geschil tot stand gekomen forumkeuze in zaken waarin de vordering niet meer dan € 25.000,00 beloopt. Aangezien, zoals hierboven is overwogen, vanwege de onderhavige forumkeuze voldaan is aan het internationaliteitsvereiste van de EEX-Vo en ook voor het overige - materieel, formeel en temporeel - deze internationale regeling van toepassing is, is er immers geen ruimte meer voor toepassing van een puur internrechtelijk voorschrift als dat van het tweede lid van artikel 108 Rv.


3.8

De vraag of de onderhavige forumkeuze voor de rechter te Marseille voldoet aan het bepaalde in artikel 23 EEX-Vo beantwoordt de kantonrechter als volgt.Gesteld noch gebleken is dat CMA-CGM (Holland) partij was bij de vervoerovereenkomst waar het onderhavige cognossement betrekking op heeft.Uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie volgt echter dat een forumkeuzebeding in een cognossement kan worden tegengeworpen aan een derde die geen partij was bij de vervoerovereenkomst indien het beding geldig is tussen de afzender en de vervoerder én de derde die het cognossement heeft verkregen de afzender krachtens het toepasselijke nationale recht in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd (HvJ EG 16 maart 1999, zaak C-159/97, NJ 2001/116 (Casteletti/Trumpy), HvJ EG 19 juni 1984, nr. 71/83, NJ 1984/735 (Tilly Russ), HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, NJ 2001/599 (Coreck/Handelsveem)). Dit laatste is echter gesteld noch gebleken.


3.9

De forumkeuze voor de rechter te Marseille voldoet derhalve niet aan de vereisten van artikel 23 EEX-Vo en kan derhalve geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de kantonrechter van deze rechtbank. De incidentele vordering van CMA-CGM (Holland) zal dus worden afgewezen.


3.9

Als de in het ongelijk gestelde partij zal CMA-CGM (Holland) veroordeeld worden in de proceskosten in het incident, aan de zijde van VCK vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 300,00).


4. De beoordeling van het subsidiaire verzoek in het incident om tussentijds hoger beroep toe te staan


4.1

Aangezien de kantonrechter de primaire vordering tot onbevoegdverklaring heeft afgewezen, is voldaan aan de voorwaarde waaronder CGM-CMA (Holland) dit verzoek heeft ingediend.


4.2

Het verzoek om tussentijds hoger beroep toe te staan strekt ertoe een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat van het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van vorenbedoelde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten: er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Van zulke omstandigheden is de kantonrechter in de onderhavige zaak evenwel niets gebleken. Er bestaat derhalve geen grond voor de kantonrechter om tussentijds hoger beroep toe te staan van onderhavig vonnis.



5De beslissing


De kantonrechter:

in het bevoegdheidsincident


wijst de incidentele vordering af;


verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van VCK;


veroordeelt CMA-CGM (Holland) in de proceskosten in het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VCK vastgesteld op € 300,00, in de hoofdzaak verwijst de zaak naar de rol van 30 april 2015 voor conclusie van antwoord.



Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

463/16744