Rechtbank Rotterdam, 19-01-2015 / ROT 14/4886


ECLI:NL:RBROT:2015:188

Inhoudsindicatie
Eiser heeft bij brief van 23 juli 2013 (zaak 14/4891) de rechtbank verzocht hem schadevergoeding tot een symbolisch bedrag van € 1 toe te kennen wegens schade die is ontstaan ten gevolge van het niet toekennen van bijstand in maart 2005. Eiser heeft bij brief van 30 juni 2014 (zaak 14/4886) een inhoudelijk identiek verzoek gedaan. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten ten dele in werking getreden. Uit het overgangsrecht volgt dat op deze zaak het voordien geldende recht van toepassing is, omdat het veronderstelde onrechtmatige besluit voor 1 juli 2013 is genomen. Onder dat voordien geldende recht kon eiser beroep instellen tegen de handhaving in bezwaar van een zogenoemd zelfstandig schadebesluit. Gelet op het hiervoor aangehaalde overgangsrecht zal de rechtbank het verzoek aan de rechtbank in de zaak 14/4886 aanmerken als een beroepschrift tegen het besluit van verweerder van 25 juni 2014. Met het oog op finale afdoening zal de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege laten, omdat beide partijen ter zitting hebben ingestemd met rechtstreeks beroep overeenkomstig artikel 7:1a Awb. Verjaring.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-19
Publicatiedatum
2015-01-19
Zaaknummer
ROT 14/4886
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/4886


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2015 in de zaak tussen
[Naam], te [plaats], eiser,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Dinç.



Procesverloop


Eiser heeft bij brief van 23 juli 2013 (zaak 14/4891) de rechtbank verzocht hem schadevergoeding tot een symbolisch bedrag van € 1,- toe te kennen wegens schade die is ontstaan ten gevolge van het niet toekennen van bijstand in maart 2005.


Eiser heeft bij brief van 30 juni 2014 (zaak 14/4886) een inhoudelijk identiek verzoek gedaan.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten ten dele in werking getreden. Uit het overgangsrecht volgt dat op deze zaak het voordien geldende recht van toepassing is, omdat het veronderstelde onrechtmatige besluit voor 1 juli 2013 is genomen. Onder dat voordien geldende recht kon eiser beroep instellen tegen de handhaving in bezwaar van een zogenoemd zelfstandig schadebesluit.


2. De rechtbank stelt vast dat in zaak 14/4891 geen aanvraag van eiser tot het nemen van een zogenoemd zelfstandig schadebesluit door verweerder voorligt, doch dat eiser een rechtstreeks verzoek om schadevergoeding aan de rechtbank heeft gericht. De rechtbank is gelet op het hiervoor genoemde overgangsrecht niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek.


3. In de zaak 14/4886 heeft eiser bij brief gedateerd op 14 april 2014, door verweerder ontvangen op 30 april 2014, een aanvraag gedaan bij verweerder tot toekenning van schadevergoeding ten gevolge van het niet toekennen van bijstand in 2005. Verweerder heeft eiser bij brief van 30 april 2014 verzocht zijn verzoek om schadevergoeding te onderbouwen, waarop eiser heeft gereageerd bij brief van 5 mei 2014. Bij besluit van 25 juni 2014 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat hij van mening is dat er geen causaal verband bestaat tussen bolletjes slikken en het niet (tijdig) verstrekken van een voorschot op de bijstandsuitkering. Bovendien is verweerder van mening dat een eventuele vordering is verjaard, nu meer dan vijf jaar zijn verstreken.


4. Gelet hierop is deze zaak – in procedurele zin – niet identiek aan zaak 14/4891. De rechtbank heeft eiser bij brief van 2 september 2014 dan ook ten onrechte bericht dat het verzoek om schadevergoeding ten onrechte twee keer is geregistreerd, dat gelet hierop zaak 14/4886 komt te vervallen en het verzoek om schadevergoeding wordt behandeld onder zaaknummer 14/4891. Nu in deze beide zaken slechts eenmaal griffierecht is voldaan, houdt de rechtbank het ervoor – zoals ook ter zitting aan eiser is voorgehouden – dat het beroep in de zaak 14/4891 is ingetrokken nu eiser de rechtbank bij brief van 1 augustus 2014 heeft verzocht slechts in één van beide zaken de procedure voort te zetten.


5. Gelet op het hiervoor aangehaalde overgangsrecht zal de rechtbank het verzoek aan de rechtbank in de zaak 14/4886 aanmerken als een beroepschrift tegen het besluit van verweerder van 25 juni 2014. Met het oog op finale afdoening zal de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege laten, omdat beide partijen ter zitting hebben ingestemd met rechtstreeks beroep overeenkomstig artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.


6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden beroept op verjaring. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.


Bij de beoordeling van de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade, gebaseerd op een onrechtmatige daad van een bestuursorgaan, kan aansluiting worden gezocht bij het civiele recht. Uit een oogpunt van rechtszekerheid dient er daarbij van te worden uitgegaan dat de in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek gestelde verjaringstermijn van vijf jaren een aanvang neemt op het tijdstip, waarop de onrechtmatigheid van het besluit, waarop het verzoek is gegrond, onherroepelijk vaststaat (zie ECLI:NL:RVS:2014:2954).


Eiser is met de bekendmaking van het besluit 25 april 2005 op de hoogte geraakt dat eerst toen is besloten tot het verstrekken van bijstand met ingang van 27 januari 2005 en dat daaraan voorafgaand geen voorschotten zijn verstrekt, terwijl eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend ter zake van dit besluit of het achterwege laten van voorschotverlening. De hiervoor genoemde verjaringstermijn van vijf jaar nam dan ook uiterlijk aanvang zes weken na de bekendmaking van het besluit van 25 april 2005. Tussen het onherroepelijk worden van dit besluit en het verzoek om schadevergoeding van eiser – ook als daarbij zou worden aangeknoopt bij de aan de rechtbank gerichte brief van 23 juli 2013 – ligt meer dan vijf jaar. Dat eiser naar hij stelt lang heeft moeten wachten op een relevante bladzijde uit zijn patiëntendossier kan hier niet aan afdoen.


Aan verweerders stelling omtrent het ontbreken van causaliteit komt de rechtbank daarom niet meer toe.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juni 2014 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.