Rechtbank Rotterdam, 16-01-2015 / 457408


ECLI:NL:RBROT:2015:1978

Inhoudsindicatie
Gezagsbeëindigende maatregel moeder.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-16
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
457408
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Meervoudige kamer


Datum uitspraak: 16 januari 2015

Zaak-/rekestnummer: C/10/457408 / JE RK 14-2582


Beschikking in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarigen:


[Naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

[Naam minderjarige 2], [roepnaam: [minderjarige 2]], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],

kinderen van de heer [naam vader] en van de met het gezag belaste ouder

mevrouw [naam moeder], wonende op een bij de stichting bekend adres.



Het verloop van de procedure

De raad heeft op 31 juli 2014 verzocht de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over voornoemde minderjarigen, met benoeming van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, tot voogdes en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder te noemen: de stichting) te belasten met de uitvoering van de voogdij.


De zaak is ter terechtzitting behandeld op 29 oktober 2014.


Bij beschikking van 29 oktober 2014 is - onder meer - de behandeling van de zaak aangehouden.


Van de zijde van de pleegouders is een brief ingekomen, gedateerd 5 november 2014.


Van de zijde van de stichting is een brief ingekomen, gedateerd 16 december 2014.


Van de zijde van de advocaat van de moeder is een e-mailbericht ingekomen inhoudende een aanvullend verweerschrift tevens houdende herhaald verzoek, gedateerd 18 december 2014.


De behandeling van de zaak is voortgezet op 19 december 2014.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • - de raad, vertegenwoordigd door [naam];
  • - de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. G. Ris;
  • - de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. S. Kandemir;
  • - de stichting, vertegenwoordigd door [naam].

De pleegouders zijn, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen.


Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Franse taal, heeft de voorzitter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam], tolk in de Franse taal.

De voorzitter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.


De beoordeling

De raad heeft ter zitting zijn verzoek gehandhaafd en te kennen gegeven bij zijn eerder ingenomen standpunt, zoals weergegeven in de beschikking van 29 oktober 2014, te blijven. De raad voegt daar het volgende aan toe. Het standpunt dat de moeder onmachtig is, is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek door het Ambulatorium dat in mei 2013 is afgerond. Er is sprake van een combinatie van factoren. De moeder kan onvoldoende aansluiten bij de behoefte van de minderjarigen en zij kan onvoldoende overstijgend denken. Daarnaast vraagt de verstandelijke beperking van de minderjarige [minderjarige 1] en de hechtingsproblematiek van beide minderjarigen om bijzondere opvoedkundige vaardigheden die de moeder niet heeft. Bovendien ligt het intelligentieniveau van de minderjarigen hoger dan dat van de moeder en zal zij nu of op den duur niet kunnen aansluiten bij dat niveau. Het IQ van de moeder is niet de enige factor die van belang is. Er is met name gekeken naar de leerbaarheid van de moeder. De moeder kan met hulp de bezoekregeling op een goede manier invullen. Dat is echter iets anders dan het dragen van de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Met betrekking tot de hechting van de minderjarigen heeft de raad opgemerkt dat dit een langdurig proces is en dat de hechting naar verwachting beter zal verlopen wanneer de minderjarigen duidelijkheid hebben over hun toekomstperspectief. De raad is van mening dat een ontheffing deze duidelijkheid biedt.


De stichting heeft te kennen gegeven bij haar eerder ingenomen standpunt, zoals weergegeven in de beschikking van 29 oktober 2014, te blijven en heeft daar ter zitting het volgende aan toegevoegd. Het beeld dat door het Ambulatorium van de moeder wordt geschetst is voor de stichting herkenbaar. De stichting is uitgegaan van de uitkomsten van het onderzoek van het Ambulatorium, inhoudende dat de huidige plaatsing gecontinueerd diende te worden en dat er contra-indicaties waren voor terugplaatsing bij de moeder. Wel werd een uitbreiding van de bezoekregeling geadviseerd. Dat advies is door de stichting opgevolgd. In de periode dat de bezoekregeling werd opgestart, stelde de moeder zich afhankelijk van de hulpverleners op. De stichting ziet dat de moeder ook nu nog continue aansturing en hulpverlening in de vorm van praktische pedagogische gezinsbegeleiding nodig heeft. Het ontbreekt de moeder aan inzicht, zij kan niet reageren op onvoorziene situaties en het lukt haar niet vooruit te denken en te plannen. Zodoende mist zij naar de mening van de stichting bepaalde vaardigheden om dagelijks voor de minderjarigen te kunnen zorgen. De moeder leek de uitkomsten van het onderzoek van het Ambulatorium en de daaropvolgende uitspraak van de kinderrechter geaccepteerd te hebben. De loyaliteitsproblemen van de minderjarigen en de tics van de minderjarige [minderjarige 1] zijn verminderd toen voor hen duidelijk was geworden dat zij in het pleeggezin zouden opgroeien. Sinds zij een nieuwe partner heeft, is de moeder zich echter anders gaan opstellen en betwist zij onder meer dat zij een verstandelijke beperking heeft. De stichting is van mening dat hieruit blijkt dat de moeder zeer beïnvloedbaar is. De minderjarigen krijgen op dit moment speltherapie. Bij de minderjarige [minderjarige 1] kan na afronding van de speltherapie wellicht gestart worden met EMDR. Hij heeft vaak last van boosheid en angst, maar door de speltherapie lijkt hij dit een plek te kunnen geven.


Door de advocaat van de moeder is ter zitting kenbaar gemaakt dat hij primair de rechtbank verzoekt het verzoek van de raad af te wijzen en de minderjarigen onmiddellijk bij de moeder terug te plaatsen. Subsidiair verzoekt hij de rechtbank om aanhouding van de behandeling van de zaak, zodat hij de mogelijkheid heeft om de laat ingekomen brief van de stichting met de moeder te bespreken en zo nodig haar vriend daarover als getuige te doen horen. Eerder is door de advocaat van de moeder verzocht om deskundigen te doen horen. Daarbij zijn door de advocaat genoemd een emeritus hoogleraar neurologie, een hoogleraar mathematische statistiek en een wiskundeleraar. De advocaat is van mening dat er onvoldoende bewijs is voor de zwakzinnigheid van de moeder. Het is evident dat zij niet zwakzinnig is, de moeder spreekt immers twee ‘vreemde’ talen. Vanwege haar achtergrond en cultuur heeft de moeder te maken met een achterstand in de Nederlandse taal. Door de taalachterstand van de moeder leest zij waarschijnlijk trager. De advocaat stelt dat er geen rekening met de taalachterstand is gehouden bij het afnemen van de IQ-test door het Ambulatorium bij de moeder. De moeder valt niet in de categorie zwakbegaafd, hetgeen ter zitting vast te stellen is. Daarnaast biedt de DSM geen mogelijkheid om te meten of iemand een goede of slechte moeder is. Het is ook niet juist dat de moeder niet leerbaar zou zijn. De moeder heeft juist ontwikkelingen laten zien die, gelet op het standpunt van zowel de raad als de stichting, niet mogelijk kunnen zijn. Wat betreft de kindeigen problematiek van de minderjarigen is er volgens de advocaat sprake van een normale reactie op een abnormale situatie.


De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het niet eens is met de uitkomst van het onderzoek van het Ambulatorium dat zij zwakbegaafd zou zijn. Zij is naar het praktijkonderwijs gegaan, omdat zij zich niet goed kon concentreren door problemen in de thuissituatie. De moeder ontkent zich te hebben neergelegd bij de conclusies van het Ambulatorium. Zij heeft de minderjarigen niet verteld dat zij voor een langere periode bij het pleeggezin zouden gaan wonen. De bij [minderjarige 1] geziene tics had hij bij de moeder thuis niet en de hechtingsproblemen van de minderjarige [minderjarige 2] komen voort uit het feit dat zij haar moeder mist. De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de minderjarigen weer bij haar komen wonen.


Door en namens de vader is ter zitting verklaard dat hij zich niet kan verenigen met het verzoek. Primair stelt hij zich op het standpunt dat de minderjarigen bij de moeder dienen te wonen. Volgens de vader heeft zij haar leven op orde, zorgt zij goed voor de minderjarigen en verloopt de communicatie tussen de ouders goed. In het verleden was sprake van geschillen, maar deze hebben de ouders bijgelegd. De vader meent dat via de ondertoezichtstelling de benodigde hulpverlening voor de moeder kan worden ingezet. De advocaat van de vader sluit zich aan bij het standpunt van de advocaat van de moeder wanneer hij stelt dat deze zaak uit de bocht gevlogen is. Nog maar één jaar geleden was het gerechtshof gematigd positief over een thuisplaatsing en op dit moment verzoekt de raad om ontheffing van de moeder. De begrippen die de raad gebruikt, zoals ‘pedagogisch onmachtig’ en ‘niet leerbaar’ worden niet onderbouwd. Onduidelijk blijft hoe concreet de onmacht van de moeder op dit moment is. Subsidiair is de vader van mening dat wanneer een thuisplaatsing bij de moeder op onoverkomelijke bezwaren stuit, hij ook voor de minderjarigen kan zorgen. De vader voelt zich niet serieus genomen door de raad en de stichting. Een plaatsing bij hem is immers nooit onderzocht en dat vindt hij een gemiste kans. Met de ondertoezichtstelling kan bij hem de nodige hulpverlening ingezet worden. De advocaat van de vader heeft bepleit dat de grondslag en de noodzaak voor een uithuisplaatsing ontbreken, nu sprake is van een alternatief. Voorts staat de uitbreiding van de bezoekregeling haaks op het verzoek om de moeder te ontheffen. Ook aan de wettelijke gronden van de ontheffing is volgens de vader niet voldaan.


Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde overweegt de rechtbank als volgt.


De rechtbank stelt allereerst vast dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek de tot 1 januari 2015 geldende wettelijke bepalingen van toepassing zijn.


De vraag die in deze zaak centraal staat is of de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord – en het belang van de kinderen zich daartegen niet verzet – kan de moeder op grond van het bepaalde in artikel 1:266 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW) van het ouderlijk gezag worden ontheven.


Bij de beantwoording van bovengenoemde vraag is het navolgende van belang.


De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis waarin zij in haar vorige relaties te maken heeft gehad met huiselijk geweld. De minderjarigen zijn hiervan getuige geweest. De moeder heeft onvoldoende blijk gegeven van inzicht in haar eigen handelen en de effecten hiervan op de minderjarigen. Zij is meerdere keren bij de vader weggegaan maar weer teruggekeerd, omdat zij onvoldoende financiële middelen had en daarnaast ook geen huisvesting had voor zichzelf en de minderjarigen. De minderjarigen zijn daardoor opgegroeid in een onveilige, instabiele en onvoorspelbare opvoedomgeving.


In 2013 is door het Ambulatorium een persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder en de minderjarigen afgenomen om de opvoedvaardigheden van de moeder en het perspectief van de minderjarigen te kunnen onderzoeken. Het onderzoek heeft uitgewezen dat de moeder functioneert op moeilijk lerend niveau, waardoor zij onvoldoende inzicht heeft in de problematiek van de kinderen. Bij de minderjarigen is sprake van hechtingsproblemen en daarnaast bijkomende problematiek. [minderjarige 1] functioneert op een beneden gemiddeld niveau en [minderjarige 2] op gemiddeld niveau. Gelet op deze uitkomsten is door het Ambulatorium geconcludeerd dat de minderjarigen baat hebben bij voortzetting van hun verblijf in het pleeggezin. Voor thuisplaatsing zijn er contra-indicaties vanwege een beperkt inzicht en overzicht bij de moeder en een onvoldoende overstijgende verantwoordelijkheid om de zorg te hebben voor het emotionele welzijn van de minderjarigen.


De rechtbank neemt de bevindingen van het Ambulatorium over en maakt deze tot de hare.


Anders dan de advocaat van de moeder is de rechtbank van oordeel dat het IQ van de moeder niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij de beslissing van de raad om het verzoek tot ontheffing te doen. Er is volgens het Ambulatorium sprake van een combinatie van factoren, waardoor de moeder de minderjarigen gezien hun problematiek niet kan bieden wat zij nodig hebben. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het doen horen van de drie personen die door de advocaat als deskundigen worden aangemerkt, gezien de aard van hun gestelde deskundigheid, niet mede kan leiden tot een beslissing in deze zaak. Het verzoek hen te horen zal daarom worden afgewezen. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat er bij de moeder geen behoefte bestaat aan het laten afnemen van een nieuw IQ-onderzoek.

Het feit dat de bezoekcontacten tussen de moeder en de minderjarigen goed verlopen leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie. Uit observaties tijdens de bezoekcontacten blijkt immers dat de moeder enerzijds leerbaar is met betrekking tot de concrete situaties tijdens de bezoekmomenten, maar anderzijds dat zij continue aansturing in de vorm van praktische pedagogische begeleiding nodig heeft. Het ontbreekt de moeder aan inzicht vanwege haar concrete denk- en handelingsniveau en de noodzakelijke flexibiliteit in onverwachte situaties. Bij een thuisplaatsing zal het de minderjarigen naar verwachting aan een gevoel van emotionele veiligheid en steun ontbreken, omdat de moeder alleen reageert op concreet zichtbaar gedrag en moeite heeft in te spelen op onderliggende emoties en gevoelens. De minderjarigen zouden angsten en gedragsproblemen kunnen ontwikkelen.


Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen. Het belang van de minderjarigen verzet zich er naar het oordeel van de rechtbank niet tegen toewijzing van het onderhavige verzoek.


Ingevolge artikel 1:268, lid 1 BW (oud) kan de ontheffing niet worden uitgesproken, indien de gezagsouder zich daartegen verzet. Daarvan is in deze zaak sprake.


Voormelde regel lijdt - ingevolge het bepaalde in artikel 1:268 lid 2, aanhef en sub a BW (oud) - echter uitzondering, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW (oud) van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige ontwikkelingsdreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW (oud) af te wenden.


Vaststaat dat aan de hiervoor bedoelde duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan. Vast staat immers dat de minderjarigen sinds 4 mei 2011 onder toezicht staan en sinds 6 mei 2011 uit huis zijn geplaatst. Vervolgens is de vraag of de ongeschiktheid of onmacht van de moeder tot gevolg heeft dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de ontwikkelingsdreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW (oud) af te wenden.


De rechtbank is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.


Binnen de bestaande maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing wordt niet gewerkt aan terugkeer van de minderjarigen naar de moeder. De minderjarigen verblijven reeds drie jaar in het huidige pleeggezin. Bij de minderjarigen is sprake van kindeigen problematiek, zij hebben hechtingsproblematiek en de minderjarige [minderjarige 1] functioneert op beneden gemiddeld niveau. Dit maakt dat zij een bovengemiddelde behoefte hebben aan stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid. Van de (primaire) opvoeder van de minderjarigen worden meer dan gemiddelde opvoedingsvaardigheden gevergd om ten volle tegemoet te kunnen komen aan de opvoedings- en ontwikkelingsvraag. Van de moeder kan, vanwege de combinatie van haar cognitieve beperking, beperkt inzicht en overzicht en een onvoldoende overstijgende verantwoordelijkheid in samenhang met de specifieke opvoedingsvraag van de minderjarigen, niet verwacht worden hieraan te kunnen voldoen.

Daarnaast is gebleken dat de minderjarigen zichtbaar profiteren van de veiligheid en structuur die hen in het pleeggezin worden geboden. Zij hebben het daar naar hun zin en ervaren rust bij het idee bij de pleegouders op te mogen groeien. Het is van belang dat het verblijf van de minderjarigen in het pleeggezin wordt gecontinueerd en dat hen duidelijkheid wordt geboden over hun verblijfplaats en toekomstperspectief. Een ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag zal hen deze duidelijkheid bieden.


Nu aan de wettelijke vereisten voor ontheffing is voldaan en het belang van de minderjarigen zich daar niet tegen verzet, zal het onderhavige verzoek worden toegewezen.


Omdat de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening ten aanzien van de minderjarigen zal komen te ontbreken, zal de rechtbank op grond van artikel 1:275 lid 1 BW (oud) de stichting tot voogdes benoemen, die zich daartoe bereid heeft verklaard. De rechtbank zal daarbij verstaan dat de voogdij wordt uitgevoerd door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering namens Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, welke stichting zich bereid heeft verklaard de voogdij uit te voeren.


Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW (oud) wordt de moeder als ontheven ouder, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan haar opvolger in het bewind over het vermogen van de minderjarigen, ervan uitgaande dat zij dat bewind heeft gevoerd.


Ten aanzien van het ter zitting van 19 december 2014 gedane (subsidiaire) verzoek tot aanhouding overweegt de rechtbank het volgende.

Aangezien de brief van de stichting gedateerd 16 december 2014 niet ten grondslag ligt aan de beslissing van de rechtbank om de moeder uit het ouderlijk gezag te ontheffen, ziet de rechtbank geen noodzaak om de behandeling van de zaak aan te houden om de vriend van de moeder te horen over bovengenoemde brief. De rechtbank zal het verzoek tot aanhouding van de advocaat van de moeder om die reden afwijzen.


Nu de rechtbank dient te beslissen over de vraag wie het gezag over de kinderen dient uit te oefenen en niet over de vraag wat hun verblijfplaats zou moeten zijn, gaat de rechtbank voorbij aan het ter zitting door de advocaat van de vader gedane subsidiaire verzoek de kinderen bij de vader te plaatsen.


De beslissing

Ontheft de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarigen.


Benoemt tot voogdes over de minderjarigen:

de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam.


Verstaat dat de voogdij zal worden uitgevoerd door:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam.


Veroordeelt de moeder aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarigen.


Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Broek-Prins, voorzitter, mr. J. van Driel en mr. G.M. Paling, kinderrechters, in bijzijn van mr. M.J. Kraaijeveld, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.









Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.