Rechtbank Rotterdam, 25-03-2015 / 10/661181-14, 10/091406-14


ECLI:NL:RBROT:2015:2048

Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich op 25 juli 2014 schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten, waaronder een diefstal met geweld en een poging tot doodslag. Gelet op de rapporten van psychiater en psycholoog wordt de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar en oplegging van TBS met dwangverpleging.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
10/661181-14, 10/091406-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/661181-14 en 10/091406-14

Datum uitspraak: 25 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. M. Shaaban, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 augustus 2014, 28 oktober 2014 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van 20 januari 2015 en 11 maart 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder parketnummer 10/66118-14 onder 2 impliciet primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 primair, 2 impliciet subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

BEWIJS

Bewijsverweer

Parketnummer 10/661181-14, feit 1

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 ten laste gelegde, nu er - zo begrijpt de rechtbank - geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van de in de tenlastelegging genoemde tas.

Beoordeling

Op basis van de bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) wordt vastgesteld dat de verdachte op 25 juli 2015 de aan [aangeefster 1] toebehorende auto, met daarin een tas, onder bedreiging van een mes heeft weggenomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld van de auto en tas. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd acht de rechtbank zowel het opzet op het wegnemen als het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening aanwezig. De rechtbank leidt dit opzet en het oogmerk af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte. Immers, de verdachte is, onder bedreiging van een mes, met de auto en de tas van aangeefster weggereden. Hiermee heeft hij willens en wetens als heer en meester over de auto en de tas beschikt.

Conclusie

Het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 10/091406-14

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegde, nu het opzet tot benadeling van de gezondheid van [aangever 1] ontbreekt.

Beoordeling

Op basis van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier wordt van het volgende uitgegaan. De verdachte is op 28 juli 2013 binnengebracht bij het APZ Yulius te Dordrecht teneinde in een separeercel te worden geplaatst. Op het moment dat [aangever 1] verdachtes benen wilde fixeren, heeft de verdachte zijn rechterbeen opgetrokken en heeft hij, met kracht, in de richting van het gezicht van [aangever 1] een trappende beweging gemaakt, waarbij hij [aangever 1] op zijn oor heeft geraakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [aangever 1] met zijn trap zou raken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte hiermee het voorwaardelijk opzet heeft gehad tot het toebrengen van pijn aan [aangever 1].

Conclusie

Het onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Alle feiten (parketnummer 10/661181-14)

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, nu de ziekelijke stoornis waaraan de verdachte lijdt, althans de psychose waar hij op 25 juli 2014 mogelijk in verkeerde, een bewezenverklaring van het opzet in de weg staat. Bij de verdachte ontbrak ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen die deze zouden kunnen hebben en voor hem bestond geen rationele keuze.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat, gelet op bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, voor een geval als het onderhavige waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, zo'n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg kan staan indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (vgl. onder meer HR 14 december 2004, LJN AR3226, NJ 2006/448).

Een dergelijke uitzondering doet zich in casu niet voor. De verdachte heeft, gelet op de - hierna te vermelden - bewezenverklaarde feiten, handelingen verricht waarvoor een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies vereist is. Zo heeft de verdachte onder bedreiging met een mes een auto en tas weggenomen en heeft hij geprobeerd [aangeefster 2] met een hondenriem te wurgen en haar daarna aan haar haren over de grond getrokken. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte geen enkel inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft gehad.

Conclusie

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De overige verweren van de raadsvrouw vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen, zodat daarop niet expliciet zal worden ingegaan.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 primair, 2 impliciet primair, 3 en 4 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 25 juli 2014 te Capelle aan den IJssel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto merk Suzuki, kenteken [kenteken] en een tas met inhoud huissleutels en een telefoon, merk Samsung, toebehorende aan [aangeefster 1], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangeefster 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het voorhouden van en tonen van een (groot) mes aan die [aangeefster 1] en daarbij tegen die [aangeefster 1] zeggen "rijden zeg ik, rijden zeg ik";

2.

hij op 25 juli 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster 2] van het leven te beroven, met dat opzet een hondenriem om de hals van die [aangeefster 2] heeft gedaan en vervolgens die riem heeft aangetrokken en/of strak getrokken, zodat die [aangeefster 2] geen adem meer kon halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 25 juli 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon te weten [aangeefster 2], aan haar haren heeft getrokken en aan haar haren over de grond heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 25 juli 2014 te Rotterdam, toen een politieambtenaar die zich als zodanig kenbaar had gemaakt, te weten [aangever 2], brigadier van politie Eenheid Rotterdam, verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door

- te proberen zich los te trekken en

- zich aan de greep van eerstgenoemde opsporingsambtenaar te ontworstelen en

- met zijn, verdachtes, lichaam te draaien en

- zijn, verdachtes, vuisten samen te ballen en

- de arm van eerstgenoemde opsporingsambtenaar weg te draaien,

terwijl met misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheidheden enig lichamelijk letsel te weten beperkingen in de bewegingsmogelijkheden van de hand van die [aangever 2] tot gevolg heeft gehad;


Parketnummer 10/091406-14

hij op 28 juli 2013 te Dordrecht opzettelijk mishandelend een persoon te weten [aangever 1], tegen een oor van die [aangever 1] heeft getrapt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

NADERE BEWIJSMOTIVERING FEIT 2

Omtrent het onder parketnummer 10/661181-14 onder 2 impliciet primair bewezenverklaarde wordt als volgt overwogen.

Uit de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een hondenriem rond de nek van [aangeefster 2] heeft gedaan en vervolgens strak heeft getrokken, waardoor zij enige tijd geen adem heeft kunnen halen. Door aldus te handelen heeft de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [aangeefster 2] van het leven zou beroven. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank het door de verdachte gepleegde geweld dan ook te kwalificeren als een poging tot doodslag.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/661181-14

1. primair.

diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

2 impliciet primair.

poging tot doodslag

3.

mishandeling;

4.

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Parketnummer 10/091406-14

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Beroep op noodweer

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Beoordeling

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde op de zitting is niet gebleken dat er sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding door een of meer aangevers.

Beroep op psychische overmacht (parketnummer 10/661181-14)

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat ten aanzien van de feiten onder parketnummer 10/661181-14 de verdachte, gelet op de mogelijke psychose waarin hij verkeerde, een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling

Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen indien er sprake is van een zodanige van buiten komende drang dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het verkeren in een psychose is geen van buiten komende drang, waardoor een beroep op psychische overmacht reeds om die reden faalt.

Gezien het vorenstaande is verdachte strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten geheel ontoerekeningsvatbaar was, zal hierna worden besproken.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 25 juli 2014 schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Hij heeft [aangeefster 1] onder bedreiging met een mes beroofd van haar auto en haar tas. De verdachte is vervolgens met deze auto naar Rotterdam gereden en is in het park nabij het Berlagepad [aangeefster 2] tegengekomen. De verdachte heeft de hondenriem van [aangeefster 2] gepakt, deze om haar nek gedaan, strak aangetrokken, en zo doende geprobeerd haar te wurgen, waardoor zij enige tijd geen adem heeft kunnen halen. Dat [aangeefster 2] hierbij niet het leven heeft gelaten, is absoluut niet de verdienste geweest van de verdachte, maar van het doortastend optreden van een toevallige voorbijganger. De verdachte heeft [aangeefster 2] hierna aan haar haren over de grond getrokken en heeft vervolgens zijn weg vervolgd naar de Kromhoutstraat, alwaar hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding door een politieambtenaar, waardoor deze letsel heeft ondervonden.

Ten slotte heeft de verdachte op 28 juli 2013 een psychiatrisch verpleegkundige tegen zijn oor getrapt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht het handelen van de verdachte zeer laakbaar. Hij heeft de slachtoffers doodsangst aangejaagd en/of pijn bezorgd. Vooral de bedreiging met een mes van aangeefster [aangeefster 1] en de poging doodslag op [aangeefster 2] betreffen zeer ernstige feiten, die de rechtsorde schokken en ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg brengen.

Op dergelijke feiten kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is gelet op het door Reclassering Nederland over de verdachte opgemaakte rapport, gedateerd 28 november 2014. Dit rapport houdt - samenvattend en voor zover van belang - het volgende in. De sociaal emotionele leefsituatie van de verdachte is zorgelijk. Hij heeft geen eigen woonruimte, is arbeidsongeschikt en hij heeft een hoge schuldenlast. Daarnaast is er bij de verdachte sprake van psychopathologie. Hij lijkt geen probleem- en ziektebesef te hebben en door zijn ziekelijke stoornis en vooral onder invloed van verdovende middelen is hij impulsief, onbetrouwbaar en erg vijandig. Het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog.

Daarnaast is gelet op de door psychiater [naam psychiater] en psycholoog [naam psycholoog] over de verdachte opgemaakte rapporten, gedateerd respectievelijk 19 december 2014 en 17 december 2014.

Het rapport van psychiater [naam psychiater] houdt - samenvattend en voor zover van belang - het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van ADHD en verslavingsproblematiek. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en wel van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische en borderline trekken. Deze gebrekkige ontwikkeling was ook aanwezig ten tijde van hetgeen de verdachte ten laste is gelegd en beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen. Geadviseerd wordt dan ook om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op herhaling van soortgelijke feiten als aan hem thans ten laste zijn gelegd wordt als (zeer) hoog ingeschat. Gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten, de geringe behandelmotivatie, de kans dat betrokkene zich onttrekt aan de behandeling zodra hij ter verantwoording wordt geroepen, de hoge recidivekans en de aanwezige psychopathologie, is een langdurige klinische behandeling in een juridisch kader noodzakelijk. Als juridisch kader zou gedacht kunnen worden aan een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het rapport van psycholoog [naam psycholoog] houdt - samenvattend en voor zover van belang - het volgende in. De verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, borderline en antisociale trekken en ADHD. Deze gebrekkige ontwikkeling beïnvloedde de verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt derhalve om de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten en de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen. Een minder vergaande maatregel ligt niet in de rede gezien de heftige persoonlijkheidsproblematiek en het ontbreken van afdoende ziektebesef- en inzicht bij de verdachte om zich in een minder gestructureerd kader onder behandeling te laten stellen.

De psychiater en psycholoog zijn op de zitting als deskundigen gehoord, hebben hun rapporten toegelicht en - kort en samenvattend - aangegeven te persisteren in hetgeen in hun rapporten staat vermeld.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten derhalve een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar dient te worden geacht verworpen.

Daarnaast onderschrijft de rechtbank, gelet op de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten en het gevaar voor herhaling, de conclusie dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is.

Vervolgens is het de vraag of tevens een bevel tot verpleging van overheidswege moet worden opgelegd of dat een minder ingrijpend kader ten behoeve van behandeling van verdachte kan volstaan.

De rechtbank acht een behandeling in een minder gedwongen kader, zoals een TBS met voorwaarden, niet opportuun gezien voornoemde rapportages van de deskundigen zoals toegelicht op de zitting, de ernst van de pathologie en het afwezige ziektebesef, afgezet tegen de voorgeschiedenis met moeizaam verlopende behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg.

Naar het oordeel van de rechtbank vereist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Vastgesteld wordt dat de onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 primair, 2 impliciet primair en 4 bewezenverklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd

- misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr;

- misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen (artikel 359, zevende lid Wetboek van Strafvordering). Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten redengevend. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Parketnummer 10/661181-14 feit 1

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangeefster 1], wonende te Capelle aan den IJssel, ter zake van het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 575,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 ten laste gelegde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 575,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Parketnummer 10/661181-14 feiten 2 en 3

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangeefster 2], wonende te Rotterdam, ter zake van de onder parketnummer 10/661181-14 onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 137,05 aan materiële schade en een bedrag van € 750,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder parketnummer 10/661181-14 onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder parketnummer 10/661181-14 onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 181, 287, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 primair, 2 impliciet primair, 3 en 4 en het onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ten aanzien van de onder parketnummer 10/661181-14 onder 1 primair, 2 impliciet primair en 4 bewezenverklaarde feiten ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1], wonende te Capelle aan den IJssel toe tot een bedrag van € 575,-- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [aangeefster 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster 1] te betalen € 575,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 575,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2], wonende te Rotterdam toe tot een bedrag van € 887,05 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [aangeefster 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster 2] te betalen € 887,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 887,05 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.K. Rapmund, voorzitter,

en mrs. P. Volker en C.A. van Beuningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2015.


Bijlage I bij vonnis van 25 maart 2015.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt onder parketnummer 10/661181-14 ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Capelle aan den IJssel

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een personenauto (merk Suzuki, kenteken [kenteken]) en/of een tas met inhoud

(waaronder huissleutels en/of een telefoon, merk Samsung), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen

[aangeefster 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of

gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

het voorhouden van en/of tonen van een (groot) mes, althans een scherp

voorwerp, aan die [aangeefster 1] en/of (daarbij) tegen die [aangeefster 1] zeggen "rijden zeg

ik, rijden zeg ik";

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Capelle aan den IJssel [aangeefster 1]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met gijzeling

en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte die [aangeefster 1] opzettelijk

dreigend een groot mes voor gehouden, althans een scherp voorwerp, en/of

getoond en/of (daarbij) geschreeuwd: "rijden zeg ik, rijden zeg ik";

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster 2]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet een hondenriem om de hals van die [aangeefster 2] heeft gedaan en

vervolgens die riem heeft aangetrokken en/of strak getrokken, zodat die

[aangeefster 2] geen adem meer kon halen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [aangeefster 2]), aan haar haren heeft getrokken en/of aan haar

haren over de grond heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Rotterdam, toen een politieambtenaar die

zich als zodanig kenbaar had gemaakt, te weten [aangever 2], brigadier van

politie Eenheid Rotterdam,

verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad

ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen,

althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van

justitie over te brengen naar een politiebureau,

zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de

rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet door

- te proberen zich los te trekken en/of

- zich aan de greep van eerstgenoemde opsporingsambtenaar te ontworstelen

en/of

- met zijn, verdachtes, lichaam te draaien en/of

- zijn, verdachtes, vuisten samen te ballen en/of

- de arm van eersgenoemde opsporingsambtnaar weg te draaien,

terwijl met misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheidheden enig

lichamelijk letsel (te weten beperkingen in de bewegingsmogelijkheden van de

hand van die [aangever 2]) tot gevolg heeft (gehad);

art 180 Wetboek van Strafrecht

Aan de verdachte wordt onder parketnummer 10/091406-14 ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 28 juli 2013 te Dordrecht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1]), tegen de schouder van die [aangever 1] heeft geduwd, waardoor die [aangever 1] ten val kwam en/of tegen een oor, althans het hoofd, van die [aangever 1] heeft getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )