Rechtbank Rotterdam, 18-03-2015 / 471131 / HA ZA 15-219 (was 453631/ HAZA 14-652)


ECLI:NL:RBROT:2015:2161

Inhoudsindicatie
Proceskostenveroordeling in vrijwaringsprocedure. Eiser acht het, gelet op de inmiddels onherroepelijke beslissing in de hoofdzaak, waarbij hijzelf met gedaagde hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een bedrag, niet opportuun om de vrijwaringszaak tegen gedaagde voort te zetten en heeft daarom doorhaling verzocht. Belang gedaagde, die zich heeft gesteld maar geen conclusie van antwoord heeft genomen, bij het wijzen van het onderhavige vonnis en het uitspreken van een kostenveroordeling. Verband vrijwaringszaak-hoofdzaak. Geen aanleiding om in de kostenveroordeling een bedrag wegens salaris voor de advocaat op te nemen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-03-30
Zaaknummer
471131 / HA ZA 15-219 (was 453631/ HAZA 14-652)
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Rotterdam



zaaknummer / rolnummer: 471131 / HA ZA 15-219 (was 453631/ HAZA 14-652)


Vonnis van 18 maart 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam,


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. O.R. van Hardenbroek te Den Haag.



Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding, met producties;
  • - het verzoek tot doorhaling zijdens [eiser] d.d. 16 december 2014;
  • - de brief van [gedaagde] d.d. 31 december 2014, waarbij deze zich heeft verzet tegen doorhaling en vonnis heeft gevraagd, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten;
  • - de e-mail van de griffie aan partijen d.d. 6 februari 2015;
  • - de brieven van [gedaagde] d.d. 22 januari, 6 februari en 12 februari 2015;
  • - de brief van [eiser] d.d. 18 februari 2015.

Omdat de zaak, vanwege het verzoek tot doorhaling, op de rol was doorgehaald en naar aanleiding van de correspondentie weer is opgebracht heeft deze een nieuw nummer gekregen.



Ten slotte is vonnis bepaald.


2De beoordeling


Het betreft hier de (tweede) vrijwaringszaak, die [eiser] jegens [gedaagde] (en een groot aantal anderen) aanhangig heeft gemaakt naar aanleiding van de omstandigheid dat hij, [eiser] (en met hem ook anderen, onder wie [gedaagde]), was gedagvaard in verband met de zogenoemde Hoek van Holland-zaak. [eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard en de zaak is op de rol gezet, waarna deze is aangehouden (in afwachting van de hoofdzaak). [gedaagde] heeft zich gesteld, doch geen conclusie van antwoord genomen en evenmin andere proceshandelingen verricht.


2.2.

[eiser] acht het, blijkens de brief van 16 december 2014, gelet op de inmiddels onherroepelijke beslissing in de hoofdzaak, waarbij [eiser], met [gedaagde], hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een bedrag, niet opportuun om de vrijwaringszaak voort te zetten en heeft daarom doorhaling verzocht.


[gedaagde] verzet zich tegen doorhaling en vraagt vonnis; daartoe stelt hij, dat door hem kosten zijn gemaakt, die [eiser] dient te vergoeden, ook al is er niet voor antwoord geconcludeerd.

Het gaat dan volgens [gedaagde] om € 298,50 wegens door de advocaat reeds verrichte werkzaamheden, waaronder het (alvast) concipiëren van een conclusie van antwoord. De rechtbank stelt vast dat, anders dan in de parallelle zaak (rolnr. 14-651), waarin op 4 maart 2015 uitspraak is gedaan, geen melding wordt gemaakt van een eigen bijdrage.


[eiser] verzet zich tegen het uitspreken van een proceskostenveroordeling, nu de zaak in overleg tussen partijen is aangehouden in afwachting van de hoofdzaak. De vrijwaring heeft feitelijk niet gediend en het eventueel reeds concipiëren van stukken (die [eiser] niet kent) mist belang. De kosten dienen gecompenseerd te worden dan wel subsidiair volgens de geldende richtlijn te worden vastgesteld.



Dat [eiser] belang had bij het in vrijwaring dagvaarden van [gedaagde] en dat het doorzetten van die vrijwaringsprocedure niet opportuun is acht de rechtbank voldoende gebleken. Het aanbrengen van de zaak heeft er echter, naar vast staat, toe geleid dat [gedaagde] zich stelde. Dat het stellen redelijk was staat niet ter discussie. Nu [eiser] de procedure, om hem moverende redenen, niet voortzet valt niet in te zien waarom die kosten - in de verhouding tot [eiser] - voor rekening van [gedaagde] zouden moeten blijven. In zoverre heeft hij belang bij het wijzen van dit vonnis en het uitspreken van een kostenveroordeling.


2.4

De rechtbank ziet geen aanleiding om in de kostenveroordeling een bedrag wegens salaris voor de advocaat op te nemen. De advocaat die [gedaagde] bijstond in de vrijwaring stond hem eveneens bij in de hoofdzaak, waar [gedaagde] naast [eiser] gedaagde was, en was uit dien hoofde bekend met de zaak. Er was in redelijkheid geen aanleiding om in de vrijwaring reeds te komen tot het opstellen van processtukken zo lang in de hoofdzaak niet was beslist. De door [gedaagde] getrokken parallel met het liquidatietarief waarin voor de werkzaamheden van geïntimeerde in geval van het niet dienen van grieven 0.5 punt wordt gerekend gaat naar het oordeel van rechtbank in dit geval niet op. In zo’n geval is er immers voor geïntimeerde in beginsel geen aanleiding om aan te nemen dat het appel niet zal worden doorgezet, zodat het alvast aanvangen met de werkzaamheden redelijk is; hier lag het echter, gelet op de verhouding tussen de hoofdzaak en de vrijwaring, voor de hand dat de vrijwaring geheel afhankelijk was van de uitkomst van de hoofdzaak, zodat er juist geen aanleiding bestond om de werkzaamheden vast aan te vangen.


Nu [eiser] louter een veroordeling vordert in voormelde kosten wegens salaris van de advocaat worden de kosten begroot op nihil.


3De beslissing

De rechtbank


verstaat dat de vordering is ingetrokken;


veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015

106/1980