Rechtbank Rotterdam, 31-03-2015 / 10/660036-15


ECLI:NL:RBROT:2015:2204

Inhoudsindicatie
Feit 1: De bijdrage van de verdachte is niet van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van het strafbare feit, dat dit medeplegen oplevert. De handelingen van de verdachte zijn te kwalificeren als medeplichtigheid. Dit is niet aan de verdachte tenlastegelegd. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen van de diefstal. Feit 2: Vrijspraak wegens onvoldoende betrokkenheid van verdachte bij de heling van de auto's. Feit 3: Vrijspraak van de primair tenlastegelegde diefstal. Veroordeling van verdachte ten aanzien het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van opzetheling van de auto. Strafoplegging: oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uur met aftrek van voorarrest.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-03-31
Zaaknummer
10/660036-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJFS 2015/122
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/660036-15

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [ adres ]

,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

penitentiaire inrichting [naam PI],

raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. M.C. Star-Loman heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij en gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, alsmede dat de verdachte zich ambulant laat behandelen, indien Reclassering Nederland dit nodig acht.




MOTIVERING VRIJSPRAKEN


Het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.


Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wordt het volgende overwogen.


Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal van de BMW. De nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten blijkt volgens de officier van justitie uit het volgende. De verdachte is met zijn auto, samen met diens medeverdachten, naar de plek gereden waar de BMW stond. De verdachte wist dat zijn medeverdachte van plan waren de BMW te stelen en de verdachte heeft zelf verklaard dat hij met zijn medeverdachten had afgesproken dat hij op de uitkijk zou gaan staan en zou fluiten als er iets aan de hand was omdat hij niet opgepakt wilde worden. Tenslotte is de verdachte achter zijn medeverdachten - die in de gestolen BMW wegreden - aangereden en is hij meegegaan naar de garage waar de BMW vervolgens is neergezet.


Standpunt verdediging

Onder verwijzing naar de recente jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de raadsman betoogd dat de rol van de verdachte geen medeplegen oplevert. De verdachte dient daarom van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.


Oordeel rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde – kort gezegd: het tezamen en in vereniging met een ander of anderen plegen van diefstal met een valse sleutel – heeft begaan.


De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


Vooropgesteld moet worden dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, maar kan ook bestaan uit gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding (vergelijk Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).


De rol van de verdachte heeft er in dit geval in bestaan dat hij twee medeverdachten naar de parkeergarage in Delft heeft vervoerd waar de BMW stond, terwijl hij minstgenomen moet hebben geweten dat zijn medeverdachten van plan waren deze te stelen. Vervolgens heeft hij conform afspraak met de medeverdachten op de uitkijk gestaan en zou hij fluiten als er iets aan de hand was. Na het wegnemen van de BMW door de medeverdachten is de verdachte in zijn auto achter hen aan gereden naar de parkeergarage in Rotterdam, is hij die garage binnengelopen waar de medeverdachten de gestolen BMW hebben geparkeerd en zijn zij daarna gedrieën weggelopen. Hiermee is niet komen vast te staan dat de verdachte feitelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht.


Het ontbreken van enige rol in de uitvoering wordt niet gecompenseerd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt immers niet dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd bij de voorbereiding van het feit, noch is gebleken dat er met de verdachte afspraken waren gemaakt dat en in welke mate hij zou meedelen in de buit.

De bijdrage van de verdachte is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van het strafbare feit, dat dit medeplegen oplevert.

De handelingen van de verdachte zijn te kwalificeren als medeplichtigheid. Dit is echter niet aan de verdachte tenlastegelegd. De rechtbank spreekt derhalve de verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen van de diefstal.


Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wordt het volgende overwogen.


Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van opzetheling van de (onderdelen van de) in de loods aangetroffen auto’s. Subsidiair heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van schuldheling. Daartoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

De verdachte is de huurder van de loods aan de [adres 2]. Hierin zijn auto-onderdelen aangetroffen die afkomstig bleken te zijn van drie BMW’s en een Seat Leon die alle als gestolen stonden gesignaleerd. De verdachte was op 10 november 2014 in het bezit van een navigatiesysteem dat afkomstig was uit dezelfde Seat Leon als waartoe de in de loods aangetroffen auto-onderdelen behoorden. Voorts heeft de eigenaar van de loods de verdachte meerdere keren in drie BMW ’s naar de loods zien rijden. Uit het voorgaande blijkt dat de verdachte deze auto(onderdelen) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen auto(onderdelen) betroffen.


Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 aan hem tenlastegelegde, onder meer omdat niet kan worden vastgesteld dat de (onderdelen van de) personenauto’s die in de loods zijn aangetroffen afkomstig zijn van de personenauto’s waarin de verdachte naar de loods is gereden, op de tenlastegelegde datum.


Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was op de tenlastegelegde pleegdatum van 17 december 2014 bij de heling van de (onderdelen van de) deze vier personenauto’s en spreekt de verdachte vrij van het onder 2 aan hem tenlastegelegde.


De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vaststaat dat de verdachte in de periode vóór december 2014 meerdere keren in een BMW naar de loods is gereden. Echter blijkt niet uit het dossier dat dit de drie BMW’s waren die op 17 december 2014 (in onderdelen) in de loods in beslag zijn genomen. Hierbij is van belang dat de getuige [getuige] heeft verklaard dat hij tweemaal heeft gecontroleerd of de BMW’s - waarmee hij de verdachte naar de loods zag rijden - als gestolen stonden geregistreerd, dat deze ‘goed waren’, dat niet kan worden vastgesteld wanneer die controles door de getuige hebben plaatsgevonden en dat de getuige geen kentekennummers heeft genoemd, alsmede dat [getuige] heeft verklaard dat hij de verdachte de laatste weken niet meer bij de loods heeft gezien. De betrokkenheid van de verdachte bij de heling van deze specifieke drie BMW’s op 17 december 2014 kan dan ook niet worden vastgesteld.

Voorts kan - gelet op de datum van overdracht van het navigatiesysteem afkomstig uit de Seat, zijnde 10 november 2014 op het industrieterrein in Rotterdam, en de datum van aantreffen van (onderdelen van) die Seat in de loods in Krimpen aan de IJssel op 17 december 2014, alsmede de verklaring van de verdachte dat hij begin december 2014 voor het laatst in de loods is geweest - de betrokkenheid van de verdachte bij de heling van de (onderdelen van de) Seat op 17 december 2014 niet worden vastgesteld.


Ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde wordt het volgende overwogen.


Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 3 primair tenlastegelegde poging tot diefstal van de Volkswagen Polo.


Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal waar de aangifte van [aangever] op ziet, omdat deze aangifte ziet op de diefstal van de auto op 27 december 2014. De auto was reeds drie dagen voordat de verdachte hem wilde gebruiken gestolen. Voorts stelt de raadsman dat de handelingen van de verdachte niet als en ‘tweede’ diefstal of poging daartoe te kwalificeren zijn, omdat de verdachte de beschikking had over de sleutels van de auto.


Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van de Volkswagen Polo. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onder 3 primair tenlastegelegd.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:


hij op 30 december 2014 te[stad],

tezamen en in vereniging met anderen,

een personenauto merk/type Volkswagen Polo met kenteken [kenteken], voorhanden heeft gehad ,

terwijl hij enzijn mededaders ten tijde van het

voorhanden krijgen van die auto wisten dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof.


Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



STRAFBAARHEID FEIT


Het bewezen feit levert op:

3. subsidiair

medeplegen van opzetheling.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan opzetheling van een auto, die drie dagen daarvoor was ontvreemd. De verdachte heeft hiermee geprofiteerd van het misdrijf van een ander. Door heling wordt het plegen van andere vermogensdelicten bevorderd, hetgeen in maatschappelijke zin ook wel bekend staat onder de uitdrukking “de heler maakt de steler”.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

17 februari 2015 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


De rechtbank is anders dan de officier van justitie, mede gelet op het feit dat de verdachte wordt vrij gesproken van een groot deel van de hem verweten gedragingen, van oordeel dat een taakstraf van nader te noemen duur passend en geboden is en dat onvoldoende aanleiding bestaat bijzondere voorwaarden op te leggen.



VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN


Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], beiden wonende te [plaats], ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 81.414,60 aan materiële schade. De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 23.669,10 aan materiële schade.


De rechtbank is van oordeel dat - nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde - de benadeelde partijen niet ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen.


Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.



BESLISSING


De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair onder 3 tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdentwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 26 (zesentwintig) uren te verrichten taakstraf resteert;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen;


heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;


verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.K. Rapmund, voorzitter,

en mrs. E. Fels en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 maart 2015.


De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 31 maart 2015:



TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat


1.


(Zaak Diefstal BMW Delft)


hij op of omstreeks 29 november 2014 te Delft

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een (personen)auto (merk/type BMW 335i met kenteken [kenteken 2]), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren)

onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van een valse

sleutel, te weten een valse en/of vervalste (auto)sleutel (tot welk gebruik

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren);


(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht



2.


(Zaak Bergse Linker Rottekade, Loods [adres 2])


hij op of omstreeks 17 december 2014 te Krimpen aan den IJssel,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer (onderdelen van) (personen)auto's, te weten:

- BMW X5 met kenteken [kenteken 3], en/of

- BMW 335i met kenteken [kenteken 4], en/of

- BMW 320d met kenteken [kenteken 5], en/of

- Seat Leon met kenteken [kenteken 6]

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die auto('s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;


(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht)

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



3.


(Zaak Polo Den Haag)


hij op of omstreeks 30 december 2014 te 's-Gravenhage

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een

(personen)auto (merk/type Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]), geheel of

ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang

tot die auto te verschaffen en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een valse

en/of vervalste autosleutel (tot welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) niet gerechtigd was/waren),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


(artikel 311 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht



Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij op of omstreeks 30 december 2014 te 's-Gravenhage,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een (personen)auto (merk/type Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;


(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht)