Rechtbank Rotterdam, 03-04-2015 / ROT 14/3030


ECLI:NL:RBROT:2015:2294

Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete vanwege overtreding Wet dieren. Niet binnen een werkdag gemeld dat er kadavers in de wei lagen, zoals dit is voorgeschreven in artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren. Verweerder was dus bevoegd een boete op te leggen. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat eiser in aanmerking komt voor halvering van het boetebedrag omdat de overtreding zou zijn begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
ROT 14/3030
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 14/3030


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.L. Baar,


en


de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.



Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 1.500 vanwege een overtreding van de Wet dieren.


Bij besluit van het 2 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] en[naam], toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).



Overwegingen


1. Eiser heeft niet binnen zes weken na 21 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Desalniettemin acht de rechtbank het bezwaar van eiser ontvankelijk, nu de rechtbank er, evenals verweerder, van uitgaat dat eiser het primaire besluit in eerste instantie niet heeft ontvangen en pas door toezending op 18 oktober 2013 bekend is geworden met het primaire besluit.


2. Verweerder heeft aan eiser een boete opgelegd omdat eiser als houder van aangewezen dierlijke bijproducten, zijnde kadavers van schapen, niet zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan en uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag waarop de bijproducten zijn ontstaan, aangifte bij de ondernemer heeft gedaan. Volgens verweerder heeft eiser artikel 3.4 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.1, eerste lid, van het Besluit dierlijke producten, en met artikel 3.22, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten overtreden.


3. Eiser voert aan dat er onvoldoende bewijs voor overtreding is. Volgens eiser waren de kadavers vers en zijn ze door vossen om het leven gebracht. Niet is gebleken hoe de melder zich ervan heeft vergewist dat het schaap dood was en niet is gebleken dat het door de inspecteur aangetroffen schaap dezelfde is als van de melding. Daarnaast heeft de inspecteur geen onderzoek gedaan naar het tijdstip van overlijden en is in het boeterapport niet gemotiveerd waarom de schapen langer dan één werkdag dood zouden zijn.


3.1.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het boeterapport dat op 21 mei 2013 op ambtsbelofte is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder beschrijft in het boeterapport dat hij op 6 februari 2013 een perceel aan de[adres] heeft bezocht naar aanleiding van twee meldingen. Volgens de toezichthouder zag hij in een schuurtje een kadaver en vond hij ongeveer 80 meter verder nog een kadaver en in een sloot nog een kadaver. De toezichthouder constateert dat geen of niet tijdig aangifte is gedaan van de aanwezigheid van kadavers van landbouwhuisdieren (aangewezen dierlijke bijproducten) bij de ondernemer binnen wiens werkgebied het materiaal zich bevindt. Bij het boeterapport zijn foto’s gevoegd. Daarnaast heeft verweerder de systeemuitdraaien van twee meldingen van twee verschillende personen aan de politie op 4 februari 2013 overgelegd evenals een nadere verklaring van de toezichthouder van 10 maart 2014.


3.2.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld in haar uitspraak van 28 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK1377) dient in beginsel van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport te worden uitgegaan. Dat is slechts anders, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. De rechtbank is van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat de toezichthouder op 6 februari 2013 drie kadavers van schapen van eiser op eisers perceel heeft aangetroffen en dat eiser daarvan geen melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren.


3.3.

Gelet op de verklaring van de toezichthouder in het boeterapport en in de brief van 10 maart 2014, de bij het boeterapport gevoegde foto’s en uitdraaien van de twee meldingen, en de toelichting van de toezichthouder ter zitting, staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat de dieren op het moment dat de toezichthouder ze aantrof al meer dan een dag dood waren. Op maandag 4 februari 2013 is door twee verschillende personen bij de politie melding gemaakt van een dood schaap in een houten huisje dan wel open stalletje op het terrein. Twee werkdagen later heeft de toezichthouder in het schuurtje op het perceel een kadaver aangetroffen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat beide melders, volgens de uitdraaien een boswachter en iemand die zelf altijd schapen heeft gehad, de situatie verkeerd zouden hebben beoordeeld en een nog levend maar mogelijk ziek of uitgeput schaap als dood hebben waargenomen. Daarnaast zijn door de toezichthouder nog twee andere kadavers op eisers terrein gevonden. Ten aanzien van deze kadavers heeft eiser ter zitting erkend dat die dieren al langer dan een dag dood waren.


4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser niet uiterlijk op de eerste werkdag na het ontstaan van de kadavers van schapen daarvan aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren. Gelet op artikel 8.6, eerste lid en artikel 8.7 van de Wet dieren heeft eiser daarmee een overtreding begaan en is verweerder bevoegd om eiser daarvoor een boete op te leggen.


5. Eiser voert voorts aan dat verweerder het boetebedrag had moeten halveren.


5.1.

Op grond van artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren gelezen in samenhang met artikel 1.2 en de Bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is verweerder bevoegd voor overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren een boete van € 2.500 op te leggen. In het bestreden besluit heeft verweerder opgemerkt dat in het primaire besluit ten onrechte aan eiser een boete van € 1.500 is opgelegd maar dat verweerder dit in het bestreden besluit niet tot € 2.500 zal verhogen gelet op het verbod van reformatio in peius. In artikel 2.4 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is geregeld dat het op te leggen boetebedrag wordt gehalveerd als de overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Eiser voert aan dat hiervan sprake is aangezien van enige economische activiteit met betrekking tot de gehouden dieren niet blijkt en hij zelf een [niet gerelateerd bedrijf] heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aangetoond dat hij in aanmerking komt voor halvering van het boetebedrag. Verweerder is bij de boeteoplegging terecht uitgegaan van bedrijfsmatig handelen. Niet in geschil is dat eiser de dieren hield op een Uniek Bedrijfsnummer (UBN). Weliswaar heeft eiser gesteld dat een UBN ook voor hobbymatige veehouders wordt geregistreerd, maar zoals ter zitting is gebleken is op de naam van eiser voor drie verschillende locaties een UBN geregistreerd en heeft hij een aanzienlijke veestapel.


6. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat de boete om die reden dient te worden gematigd.


6.1.

Uit de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zie onder meer de uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:371) volgt dat de redelijke termijn aanvangt op het moment waarop een handeling is verricht waaraan eiser in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat haar een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank was dit het moment dat aan eiser het boeterapport van 21 mei 2013 is toegestuurd. Voor boetezaken hanteert het CBb een redelijke termijn van twee jaar waarbinnen uitspraak in eerste aanleg moet worden gedaan. Nu de rechtbank binnen twee jaar na verzending van het boeterapport uitspraak doet in deze zaak, is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.


7. Het beroep is dus ongegrond.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.





griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.