Rechtbank Rotterdam, 20-03-2015 / ROT 10/750231-14


ECLI:NL:RBROT:2015:2366

Inhoudsindicatie
Invoer en vervoer van 287 kilo cocaïne uit een container in de Rotterdamse haven.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-04-03
Zaaknummer
ROT 10/750231-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750231-14

Datum uitspraak: 20 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Flevoland, locatie Almere Binnen,

raadsman mr. P.C.M. Ouwens, advocaat te Spijkenisse.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. M.A. Boheur heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1. primair.

hij op 26 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 278 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2.

hij in de periode van 25 november 2014 tot en met 26 november 2014 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

- voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- met een op zijn, verdachtes, naam gestelde toegangspas die toegang gaf tot het terrein van de ECT Delta Terminal Maasvlakte en tot welk gebruik hij, en zijn medeverdachten niet gerechtigd waren, zich de toegang verschaft tot voornoemde Terminal, en

- vervolgens in een auto onbevoegd het terrein van de Delta Terminal Maasvlakte opgereden, althans betreden, en

- ( ongebruikt) zegellood en een helm en (werk)handschoenen en (een) veiligheidsvest(en) en een kniptang en breekijzers en betonscharen en mobiele (organisatie)telefoons voorhanden gehad;


3.

hij op 26 november 2014 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk drie slagbomen toebehorende aan ECT Delta Terminal, heeft vernield .


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


De verdachte heeft ter zitting gesteld schuldig te zijn aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Wel heeft hij aangegeven niet geweten te hebben dat het om een hoeveelheid van 300 kilo ging. Voor wat betreft de hoeveelheid cocaïne vindt het verweer zijn verwerping al in de vaststelling dat verdachte ter plaatse met twee medeverdachten de sporttassen heeft ingeladen, zodat hij reeds om die reden bekend was met de (globale) omvang van de partij cocaïne. Voorts zijn de verdachten na betrapping op de vlucht geslagen en hebben zij er alles aan gedaan om uit handen van de politie te blijven, waarbij verdachte de auto heeft bestuurd. Dit duidt er eveneens op dat verdachte en zijn medeverdachten zich volledig bewust moeten zijn geweest van de aard en de omvang van de verboden lading die zij bij zich hadden.



STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


1 primair Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
2. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft samen zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven ongeveer 278 kilogram cocaïne in Nederland ingevoerd, verder vervoerd en voorbereidingshandelingen daartoe verricht.

Na op heterdaad te zijn betrapt zijn zij in een auto van het ECT terrein gevlucht. Daarbij is de verdachte door drie slagbomen gereden die daardoor zijn vernield.


Door de invoer van een dergelijke hoeveelheid cocaïne heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de grootschalige internationale handel in verdovende middelen. Hij heeft aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.


Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 februari 2015, niet recent is veroordeeld, en nimmer voor soortgelijke (Opiumwet)feiten.


Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 februari 2015. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft zich om financiële motieven doelbewust schuldig gemaakt aan onderhavige drugssmokkel. Hij wilde met de opbrengsten van de drugshandel voor zichzelf de mogelijkheid creëren om in de buurt van zijn dochtertje te kunnen gaan wonen. Hij lijkt in principe zelfstandig goed in staat om zijn zaken te regelen en keuzes te maken. Hij heeft op dit moment geen hulpbehoefte. Het recidiverisico wordt als laag/gemiddeld ingeschat. Er wordt geen aanleiding gezien om reclasseringstoezicht op te leggen.


Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. In dit verband is rekening gehouden met de omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte deel uitmaakt van een opererend crimineel samenwerkingsverband en dat slechts één enkel transport is bewezenverklaard. Daarnaast heeft de rechtbank ten gunste van de verdachte acht geslagen op de omstandigheid dat hij met zijn handelen weliswaar een onmisbare, maar niet een leidinggevende of bepalende rol heeft gespeeld. De verdachte heeft eenmalig een (wezenlijke) bijdrage geleverd aan de onderhavige invoer van drugs en lijkt verder geen enkele band te hebben met de overige daarvoor verantwoordelijke personen. Tegenover dit eenmalige handelen stond een, gezien in het licht van de waarde van de totale hoeveelheid cocaïne, eenmalige, relatief beperkte beloning. Ook weegt de rechtbank mee dat er sprake lijkt te zijn van situationeel handelen door de verdachte, dat werd bepaald door zijn financiële situatie ten tijde van de ten laste gelegde feiten en de druk die hij voelde om in de buurt van zijn dochter te gaan wonen.


De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.



IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN


De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto Peugeot Partner (G4772809), een kentekenbewijs (G4773068) en een blackbox (G 4773214) verbeurd te verklaren. Die verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 2.


De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaren.

De voorwerpen behoren aan de verdachte toe en het onder 1 primair en 2 bewezen feit is met betrekking tot deze voorwerpen voorbereid en begaan.



VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ECT Delta Terminal, gevestigd te Rotterdam, ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 600,= aan materiële schade.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. Nu de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.


Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet.




BESLISSING

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 primair en 2:

personenauto Peugeot Partner (G4772809), een kentekenbewijs (G4773068) en een blackbox (G 4773214);


wijst de vordering van de benadeelde partij ECT Delta Terminal, gevestigd te Rotterdam toe tot een bedrag van € 600,=, bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 600,= (zeshonderd euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 600,= vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.




Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2015.


De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I bij vonnis van 20 maart 2015.



TEKST TENLASTELEGGING.


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 278 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad, ongeveer 278 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;


art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet


2.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2014 tot en met 26 november 2014

te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- met een op zijn, (mede)verdachtes, naam gestelde toegangspas die

toegang gaf tot het terrein van de ECT Delta Terminal Maasvlakte en tot

welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) niet gerechtigd

was/waren, zich de toegang verschaft tot voornoemde Terminal, en/of

- ( vervolgens) in een auto (onbevoegd) het terrein van de Delta Terminal

Maasvlakte opgereden, althans betreden, en/of

- afspraken gemaakt en/of informatie uitgewisseld met één of meer van zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het uithalen en/of verstrekken en/of

vervoeren van die cocaïne, en/of

- ( ongebruikt) zegellood en/of een helm en/of (werk)handschoenen en/of (een)

veiligheidsvest(en) en/of een kniptang en/of klimtuig en/of een

telescoopladder en/of (een) breekijzer(s) en/of (een) betonscha(a)r(en)

en/of één of meer mobiele (organisatie)telefoons voorhanden gehad;


art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet


3.

hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk drie, althans één of meer, slagbo(o)m(en) (van

en/of behorende bij het bedrijfsterrein gelegen aan de Europaweg 875), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ECT Delta Terminal, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;


art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht