Rechtbank Rotterdam, 20-03-2015 / ROT 10/750232-14


ECLI:NL:RBROT:2015:2367

Inhoudsindicatie
Invoer en vervoer van 287 kilo cocaïne uit een container in de Rotterdamse haven.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-04-03
Zaaknummer
ROT 10/750232-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750232-14

Datum uitspraak: 20 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. M.A. Boheur heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede tot oplegging van een geldboete van € 5.980,=.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1. primair.

hij op 26 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 278 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2.

hij in de periode van 25 november 2014 tot en met 26 november 2014 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- met een op zijn, medeverdachtes, naam gestelde toegangspas die toegang gaf tot het terrein van de ECT Delta Terminal Maasvlakte en tot welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn medeverdachten niet gerechtigd waren, zich de toegang verschaft tot voornoemde Terminal, en

- vervolgens in een auto onbevoegd het terrein van de Delta Terminal Maasvlakte opgereden, althans betreden, en

- ( ongebruikt) zegellood en een helm en (werk)handschoenen en (een) veiligheidsvest(en) en een kniptang en breekijzers en betonscharen en mobiele (organisatie)telefoons voorhanden gehad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


1 primair Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
2. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.



BEWIJSVERWEER


De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd. De verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend naar de Rotterdamse haven ging omdat daar een bijzondere auto stond die hij wilde kopen. Dat was ook de reden dat hij een bedrag van bijna 6000 euro bij zich had. Hij is met een verder onbekend gebleven persoon van de haven het terrein opgereden. Daar aangekomen zou die persoon voor hem navragen waar verdachte die auto kon vinden. Tijdens het wachten kreeg de verdachte vanwege zijn suikerziekte een hypo. Vervolgens is hij in de laadruimte van een (willekeurige) auto gestapt waarin hij later werd aangehouden. Daarin vond hij een telefoon. Deze telefoon had hij in zijn zak gestoken om eventueel een dokter te kunnen bellen. Gelet op de dollemansrit die volgde, en waarbij hij door de auto werd geschud, is het niet verwonderlijk dat DNA-sporen waarvan het profiel overeenkomt met dat van de verdachte zijn aangetroffen op de tassen waarin later cocaïne bleek te zitten..


De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.


Op 26 november 2014 wordt de verdachte, samen met twee anderen, medeverdachten [medeverdachte 1 en medeverdachte 2], in een wit busje aangehouden. In die bus liggen 8 sporttassen met daarin in totaal 280 pakketten, die 278 kilogram cocaïne bleken te bevatten.

Eerder die ochtend is het busje het ECT haventerrein opgereden, waarbij gebruik werd gemaakt van de toegangspas van [medeverdachte 1]. Door personeel van het haventerrein is gezien dat er sporttassen in het witte busje worden gegooid.

Medeverdachte [medeverdachte 1] was in het bezit van een notitie met daarop de stackpositie van een container. De bewuste container bleek dozen te bevatten met noten en was via Chili en Panama naar Rotterdam vervoerd. Een drugshond heeft bij die container positief gereageerd op de aanwezigheid van cocaïne. Tussen de lading wordt een open ruimte gezien waar de sporttassen verborgen konden worden.

De container is afgesloten met een oranje loodzegel, eindigend op 55, terwijl naast de container een doorgeknipt geel zegel ligt, alsook het sluitstuk van het zegel met nummer 55. In het busje waarin verdachte zich bevond, wordt een vergelijkbaar zegel, met het zelfde serienummer, maar eindigend op 56, aangetroffen. In de woning van de verdachte [medeverdachte 2] worden nog twee vergelijkbare zegels met dat serienummer, eindigend op 53 en 54, gevonden.

Bij de verdachte en in het busje worden telefoons aangetroffen, waarin over en weer elkaars nummer stond voorgeprogrammeerd. In het busje worden naast het loodzegel meerdere breekvoorwerpen aangetroffen. Het busje was een paar dagen daarvoor op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] gezet.


De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij in de Rotterdamse haven was om een auto te kopen volstrekt onaannemelijk. Op het deel van de haven waar de verdachte zich bevond worden alleen containers overgeladen die met schepen vanuit Zuid Amerika worden aangevoerd. Enige handel met particulieren in welke zin dan ook vindt daar niet plaats. De verdachte heeft voorts geen enkele informatie verstrekt over de persoon die hem het terrein op heeft gereden, de persoon die hij daar zou treffen en tot slot heeft hij tot de zitting gewacht voordat hij deze verklaring heeft gegeven, waardoor deze volstrekt oncontroleerbaar is geworden. Ook zijn verklaring dat hij achterin een willekeurige auto is gestapt zonder met de bestuurders te hebben gesproken, en vervolgens een telefoon die hij daar vond gewoon in zijn zak heeft gestoken, draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.


De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft voorts tegenover de politie verklaard dat de drie aangehouden verdachten met zijn drieën tegelijk het haventerrein zijn opgereden en dat twee van de opgepakte personen in de haven werkten en de andere de waakhond was. Nu beide medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inderdaad in de haven werkzaam zijn (geweest), kan het niet anders zijn dan dat dat de rol van de verdachte tijdens het ten laste gelegde die van de waakhond moet zijn geweest. Even later is de verdachte in de auto aangehouden met naast hem acht tassen met daarin in totaal 280 pakketten die cocaïne bleken te bevatten. Verdachte was ten tijde van zijn aanhouding in het bezit van een telefoon, gelet op de aangetroffen nummers in het toestel en het feitelijk gebruik daarvan, was deze bestemd voor de communicatie met de telefoon die is aangetroffen bij de twee medeverdachten in het bestuurderscompartiment van deze auto.


De rechtbank acht bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten opzettelijk een grote hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft vervoerd en voorbereidingshandelingen daartoe heeft verricht.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is zijn begaan en de persoon, de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft samen zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven ongeveer 278 kilogram cocaïne in Nederland ingevoerd en verder vervoerd.


Door de invoer van een dergelijke hoeveelheid cocaïne heeft de verdachte zich bewust begeven op het terrein van de grootschalige internationale handel in harddrugs (cocaïne) . Hij heeft aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldsmisdrijven. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin. Om die reden zal tevens de gevorderde geldboete worden opgelegd.


Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 februari 2015, in 2000 is veroordeeld voor een levensdelict tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar.


In aanmerking genomen de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat in deze zaak niet is gebleken van een structureel opererend crimineel samenwerkingsverband en dat slechts één enkel transport is bewezenverklaard. Ten nadele van de verdachte heeft de rechtbank er acht op geslagen dat de verdachte, anders dan de medeverdachten die waren ingehuurd om op het terrein te komen en de container te vinden, ten opzichte van de twee anderen een leidinggevende rol moet hebben gespeeld en een wezenlijke schakel moet zijn geweest tussen de invoer van de cocaïne en de verdere distributie daarvan. Daarmee is zijn rol aanzienlijk groter dan die van zijn medeverdachten.


De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarnaast wordt een geldboete opgelegd.


Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet.



BESLISSING

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierenvijftig (54) maanden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.980,= (vijfduizend negenhonderd tachtig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 64 dagen hechtenis.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2015.


De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I bij vonnis van 20 maart 2015.



TEKST TENLASTELEGGING.


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 278 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 november 2014 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad, ongeveer 278 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;


art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet


2.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2014 tot en met 26 november 2014

te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- met een op zijn, (mede)verdachtes, naam gestelde toegangspas die

toegang gaf tot het terrein van de ECT Delta Terminal Maasvlakte en tot

welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) niet gerechtigd

was/waren, zich de toegang verschaft tot voornoemde Terminal, en/of

- ( vervolgens) in een auto (onbevoegd) het terrein van de Delta Terminal

Maasvlakte opgereden, althans betreden, en/of

- afspraken gemaakt en/of informatie uitgewisseld met één of meer van zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het uithalen en/of verstrekken en/of

vervoeren van die cocaïne, en/of

- ( ongebruikt) zegellood en/of een helm en/of (werk)handschoenen en/of (een)

veiligheidsvest(en) en/of een kniptang en/of klimtuig en/of een

telescoopladder en/of (een) breekijzer(s) en/of (een) betonscha(a)r(en)

en/of één of meer mobiele (organisatie)telefoons voorhanden gehad.


art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet