Rechtbank Rotterdam, 27-03-2015 / C/10/470105 / KG ZA 15-158


ECLI:NL:RBROT:2015:2396

Inhoudsindicatie
“In beginsel is eiseres sub 2, nu ook niet is gebleken van een zeer spoedeisende situatie, niet ontvankelijk in haar vordering in conventie. De vordering in conventie wordt ook voor het overige afgewezen. De vordering, waarvoor beslag is gelegd, is niet als summierlijk ondeugdelijk aan te merken.”
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-27
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
C/10/470105 / KG ZA 15-158
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/470105 / KG ZA 15-158



Vonnis in kort geding van 27 maart 2015


in de zaak van


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser1],

gevestigd te [woonplaats], gemeente Nissewaard,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser2],

gevestigd te [woonplaats], gemeente Nissewaard,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. P.A. de Lange,


tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde1],

gevestigd te [woonplaats], gemeente Nissewaard,

2.[gedaagde2][gedaagde2],

wonende te [woonplaats], gemeente Nissewaard,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. E. den Hartog.


Eiseressen in conventie/verweersters in reconventie worden hierna afzonderlijk aangeduid als respectievelijk[eiser1] en [eiser2]. Gedaagden in conventie/eisers in reconventie worden hierna afzonderlijk aangeduid als respectievelijk [gedaagde1] en [gedaagde2].


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 19 februari 2015;
  • - de akte houdende eis in reconventie;
  • - de producties van eiseressen in conventie/verweersters in reconventie;
  • - de producties van gedaagden in conventie/eisers in reconventie;
  • - de pleitnotities van mr. P.A. de Lange;
  • - de pleitaantekeningen van mr. E. den Hartog.

1.2.

Partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 13 maart 2015. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde2] heeft samen met zijn broer[broer] de onderneming [eiser2] gedreven. De bedrijfsactiviteit van [eiser2] bestaat (onder meer) uit het vervaardigen van houten emballage.[broer] is op 5 september 2009 overleden.


2.2.

[mevrouw1] was in gemeenschap van goederen gehuwd met[broer]. [mevrouw1] is statutair bestuurder van[eiser1].


2.3.

[gedaagde2] is statutair bestuurder van [gedaagde1] en gevolmachtigde van

[eiser2].


2.4.

[zoon], de zoon van [mevrouw1] en wijlen[broer], is werknemer bij en gevolmachtigde van [eiser2].


2.5.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[bestuurder]. (hierna: [bestuurder]) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser2].[eiser1] en [gedaagde1] zijn ieder voor 50% aandeelhouder in het kapitaal van [bestuurder].[eiser1] en [gedaagde1] zijn mitsdien elk middellijk bestuurder en indirect, ieder voor de helft, aandeelhouder van [eiser2].


2.6.

In de statuten van [eiser2] (hierna: de statuten) staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“……

Bestuur

Artikel 16

......

3. Het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap.

Aan de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen alle besluiten

van het bestuur omtrent:

……

k. het optreden in rechte, waaronder begrepen het voeren van arbitrale procedures, doch met

uitzondering van het nemen van die rechtsmaatregelen, die geen uitstel kunnen lijden;

……

Vertegenwoordiging

Artikel 17

1. Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt

mede toe aan:

iedere bestuurder met de titel directeur afzonderlijk;

twee gezamenlijk handelende bestuurders.

2. In alle gevallen waarin de vennootschap een tegenstrijdig belang heeft met één of meer

bestuurders, wordt de vennootschap vertegenwoordigd door één of meer personen die daartoe

door de algemene vergadering zijn aangewezen.

…….”


Geen van de huidige directe of indirecte bestuurders heeft de titel directeur.



2.7.

Op 28 september 2011 hebben [gedaagde2] en [mevrouw1], zowel in privé als in hun hoedanigheid van bestuurder van respectievelijk [gedaagde1] en[eiser1] en (middellijk) aandeelhouder/bestuurder van [bestuurder] en [eiser2], voor zover hier relevant, de volgende afspraken gemaakt (hierna: de Overeenkomst):

“……

2. Autokosten

Alle autokosten worden gedragen in privé of in de personal holdings van de aandeelhouders, met uitzondering van de kosten van de vervoermiddelen die op de balans van[eiser2]staan.

……


3. Gezamenlijke bestuurdersbevoegdheden

[gedaagde2] en [zoon] zullen zich zo spoedig mogelijk statutair en in de Kamer van Koophandel als gezamenlijk bevoegd bestuurder registreren.


Onderling geldt de afspraak dat het aangaan van bedrijfsgebruikelijke uitgaven onder € 2.000 zonder expliciete instemming van de ander kan plaatsvinden. Wanneer andere verplichtingen worden aangegaan, ligt de bewijslast voor de instemming van de ander bij degene die de verplichting is aangegaan, afparaferen van stukken is daarvoor de beste methode.


4. Betalingen

De aandeelhouders kunnen zich beiden vinden in een strak systeem van automatische overboeking.

De volgende vaste betalingen worden maandelijks op vaste tijden verricht bij automatische overboeking:

……

Wanneer dividenduitkering kan plaatsvinden, wordt de uitkering eerst aangewend ter verrekening van de rekening-courant tussen [bestuurder] en de personal holdings.

……

5. Niet-bedrijfsmatige kosten

De aandeelhouders stellen vast dat de correctie voor niet-bedrijfsgebonden kosten uit 2010 ten laste van [gedaagde2] (of diens personal holding), verwerkt op voorstel van [betrokkene1] tegen € 30.000, akkoord is, met dien verstande dat wanneer het bedrag te hoog is en dit kan worden aangetoond, het bedrag alsnog ten gunste van [gedaagde2] (of diens personal holding) omlaag wordt bijgesteld.

……”


2.8.

Bij dagvaarding van 13 december 2013 heeft[eiser1] een procedure aanhangig gemaakt tegen [gedaagde1] bij de rechtbank Rotterdam. In deze procedure (zaaknummer / rolnummer: C/10/442045 / HA ZA 14-44), vordert[eiser1] de rechtbank (onder meer) om [gedaagde1] te veroordelen haar aandelen in [bestuurder] over te dragen aan[eiser1]. Op 8 september 2014 is er in deze zaak een comparitie tussen partijen gehouden, waarin met instemming van partijen de zaak naar mediation is doorverwezen. De rechter heeft in afwachting van de uitkomst van de mediation de zaak verwezen naar de parkeerrol van 1 april 2015.


2.9.

In het proces-verbaal van voornoemde comparitie d.d. 8 september 2014 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“……

Zijdens L.H. Barendregt is - verkort weergegeven - het volgende verklaard:

......


4. L.H. Barendregt is bereid om met de wederpartij een mediationtraject te volgen in een poging om alsnog een oplossing voor de problemen te vinden. Een harde voorwaarde is wel dat [gedaagde2] met directe ingang naast zijn salaris geen gelden meer aan het bedrijf onttrekt, noch door opnames, noch door overboekingen. (…)

……


Zijdens [eiser1] is - verkort weergegeven - het volgende verklaard:

……


13. [gedaagde2] wil graag een mediationtraject proberen om tot een oplossing van de problemen te komen. [gedaagde2] zegt toe dat hij per direct stopt met het eigenmachtig doen van opnames van geld uit

het bedrijf, inclusief de overboekingen van gelden naar zijn eigen rekening.

……”


2.10.

[gedaagde1] heeft een verzoekschrift ex artikel 2:345 BW bij de Ondernemings-kamer van het gerechtshof Amsterdam ingediend. Gerequestreerden in het verzoek tot enquête zijn: [bestuurder] en [eiser2].

[gedaagde1] verzoekt de Ondernemingskamer (onder meer) bij beschikking één of meer deskundigen te benoemen en het instellen van een onderzoek te gelasten naar het beleid van en de gang van zaken bij [bestuurder] en [eiser2], zo nodig met schorsing van het bestuur en aanstelling van een vervangende bestuurder. De mondelinge behandeling van dit verzoek is gepland op 2 april 2015.


2.11.

LH Beheer en [eiser2] hebben, na daartoe verkregen verlof d.d. 3 februari 2015 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, ten laste van [gedaagde1] en [gedaagde2] conservatoir (derden) beslag gelegd op:

  • - de aan [gedaagde2] toebehorende aandelen in [gedaagde1];
  • - banktegoeden onder de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V.;
  • - banktegoeden onder de coöperatieve RABOBANK VOORNE-PUTTEN ROZENBURG U.A.;
  • - de onroerende zaak, althans op beide onverdeelde helften daarvan, staande en gelegen aan de [adres];
  • - de auto van het merk Audi met het kenteken [kenteken1] en de auto van het merk Toyota met het kenteken [kenteken2] (hierna aangeduid met: de beslagen).

Bij dit verlof is de vordering begroot op € 187.500,00 inclusief rente en kosten.


3Het geschil in conventie


3.1.

Eiseressen in conventie vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Gedaagden in conventie met onmiddellijke ingang te verbieden om middels opnames of overboekingen gelden aan [eiser2] te onttrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding, althans een door de voorzieningen-rechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

Primair:

Gedaagden in conventie hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser2] te betalen een bedrag van € 444.426,17, te vermeerderen met de bedragen die na 19 januari 2015 door (één van de) gedaagden in conventie middels opnames of overboekingen zijn onttrokken uit [eiser2], althans te veroordelen tot betaling van een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

Subsidiair:

[gedaagde1] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Kisten-

fabriek te betalen een bedrag van € 139.050,00, te vermeerderen met de bedragen

die na 19 januari 2015 vanuit [eiser2] zijn overgeboekt op de rekening van

[gedaagde1], alsmede [gedaagde2] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van

kwijting aan [eiser2] te betalen een bedrag van € 5.250,00, te vermeerderen

met de bedragen die na 19 januari 2015 door [gedaagde2] zijn opgenomen

vanuit [eiser2].


3.2.

Ter onderbouwing van hun vordering stellen eiseressen in conventie dat [gedaagde1] vanaf begin 2013 tot onlangs structureel zonder overleg en zonder toestemming van[eiser1]

[eiser1] gelden ten eigen bate heeft opgenomen uit [eiser2] en/of [bestuurder].

Tussen 8 september 2014 en 19 januari 2015 gaat het om € 144.300,00. Verder heeft [gedaagde1] (extreem) hoge kosten voor telefoongebruik in rekening gebracht bij [eiser2]. Voorts heeft [gedaagde1] kosten, onder meer autokosten, die geen betrekking hadden op de onderneming van [eiser2] betaald vanuit [eiser2]. Tot slot zijn gedaagden in conventie hun in de Overeenkomst (zie 2.7) gemaakte afspraken niet nagekomen en zijn er ongeautoriseerd en onrechtmatig hoge bedragen, thans in totaal begroot op € 444.426,17, opgenomen en dus onttrokken aan [eiser2]. Ook de afspraak ter comparitie (zie 2.9) is niet nageleefd. [gedaagde2] heeft in privé voorts

€ 5.250,00 gepind.


3.3.

Gedaagden in conventie voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4Het geschil in reconventie


4.1.

Eisers in reconventie vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verweersters veroordeelt de door hen gelegde conservatoire beslagen op te heffen en opgeheven te houden, zulks met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per dag voor ieder der verweersters afzonderlijk, voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij nalatig zijn in het nakomen van het vonnis, zulks met veroordeling van verweersters in de kosten van deze procedure, eveneens met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskosten-veroordeling.


4.2.

Eisers in reconventie voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


5De beoordeling in conventie

5.1.

Gedaagden in conventie hebben allereerst aangevoerd, met verwijzing naar artikel 17 van de statuten, dat [eiser2] niet ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard omdat mr. De Lange geen opdracht of toestemming heeft gekregen van [bestuurder], in haar hoedanigheid van bestuurder van [eiser2], om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen. Bestuurders van [bestuurder] zijn[eiser1] en [gedaagde1]. Zij zijn slechts gezamenlijk bevoegd en [gedaagde1] stemt niet in met het instellen van deze vorderingen.


5.2.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


5.3.

Uit de statuten volgt dat het bestuur [eiser2] vertegenwoordigt (zie artikel 17 lid 1), zowel in als buiten rechte. Nu er geen bestuurder met de titel directeur bestaat en de in de Overeenkomst op dit punt gemaakte afspraken kennelijk niet zijn geëffectueerd, zijn slechts de twee indirecte bestuurders -[eiser1] en [gedaagde1]- gezamenlijk bevoegd (zie artikel 17 lid 1 aanhef en onder b). Mr. De Lange is/wordt geïnstrueerd door[eiser1] en door [zoon] als gemachtigde. Dat volstaat niet; [gedaagde1] heeft ter zitting gesteld niet in te stemmen met die instructie.


Voor zover eiseressen in conventie een beroep doen op artikel 16 lid 3 sub k van de statuten kan dat hen niet baten, ook niet als dit kort geding wordt beschouwd als een rechtsmaatregel die geen uitstel kan lijden (waarover hierna meer). In dat geval is weliswaar geen goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders nodig, maar geldt nog steeds dat, via [bestuurder], beide indirect bestuurders het bestuur voeren en in rechte namens de vennootschap optreden, niet slechts één van hen.

Voor zover door eiseressen in conventie een beroep op artikel 17 lid 2 van de statuten wordt gedaan strandt dat eveneens. De algemene volmacht aan [zoon] is niet een aanwijzing van de algemene vergadering van aandeelhouders en derhalve niet een aanwijzing als bedoeld in dit artikellid.


Het voorgaande dient in beginsel te leiden tot het niet ontvankelijk verklaren van [eiser2] in haar vordering.



5.4.

Op dit beginsel is wellicht een uitzondering gerechtvaardigd als sprake is van een zeer spoedeisende situatie, waarin in het belang van de onderneming (en haar werknemers) ordemaatregelen moeten worden genomen en de patstelling binnen het bestuur en de algemene vergadering van aandeelhouders het [eiser2] onmogelijk maakt om zich daartoe tot de rechter te wenden. Wat daarvan zij, van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.

De reeds ingezette procedure bij de Ondernemingkamer (zie 2.10) is het geëigende middel om bedoelde patstelling te doorbreken en de zitting in die zaak is geagendeerd voor volgende week. De vordering van [eiser2] wordt dus afgewezen.


5.5.

Voor de beoordeling van de vordering van[eiser1] is van belang dat het hier gaat om een kort geding, waarvoor een spoedeisend belang een noodzakelijk apart te toetsen vereiste is. Het spoedeisend belang bij de vordering wordt door gedaagden in conventie betwist.


5.6.

Tussen partijen staat vast dat de opnames waartegen bezwaar bestaat niet opnames zijn die de bedrijfsvoering als zodanig betreffen. Als het gaat om de vraag welke investerin-gen gedaan moeten worden, bestaat een verschil van inzicht tussen[eiser1] en [gedaagde1]. Op dit moment is er een concreet debat over de aanschaf van een nieuwe vrachtwagen. Dat is echter een aspect dat buiten het bereik van de thans gevorderde voorzieningen valt.


5.7.

De opnames en overboekingen waarop de verzochte voorlopige voorzieningen onder B (zowel primair als subsidiair) zien heeft [gedaagde1] (en/of [gedaagde2]) gedaan in het kader van haar (zijn) eigen behoefte aan liquiditeit; zij strekken voorts, tenminste deels, ter bestrijding van kosten die in haar (zijn) visie wel, en in de visie van[eiser1] niet behoren tot de kosten die ten laste van [eiser2] gebracht mogen worden. [gedaagde1] heeft in dat verband verwezen naar de jarenlange, op zichzelf niet betwiste, gebruikelijke gang van zaken binnen [eiser2] toen zijn broer [broer] nog leefde.[eiser1] wijst in dat verband op de onder 2.7 geciteerde afspraken, die, ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter, een eind hebben gemaakt aan die praktijk. Voorts moet, naar voorlopig oordeel, de toezegging in het proces-verbaal van de tussen[eiser1] en [gedaagde1] gehouden comparitie van partijen (zie 2.9) in redelijkheid zo worden begrepen dat [gedaagde1] die heeft gedaan en dat ook [gedaagde2] zich daarbij heeft neergelegd.


5.8.

Dat op zichzelf volstaat echter niet voor toewijzing. Van belang is dat de gewraakte transacties al geruime tijd plaatsvinden. Deze worden in rekening-courant geboekt en de juistheid van die boekingen staat niet ter discussie. Opnames/overboekingen die door een (indirect) aandeelhouder/bestuurder in rekening courant worden geboekt zijn in beginsel niet aan te merken als onrechtmatige onttrekkingen. Het laten oplopen van de rekening courant stand is op zichzelf evenmin onrechtmatig. Vast staat dat ook de andere (indirect) bestuurder/aandeelhouder een niet te verwaarlozen rekening courant positie heeft opgebouwd. Voorts is van belang dat reeds jaren geen algemene vergaderingen van aandeelhouders zijn gehouden, hoewel daar - in elk geval in het laatste half jaar - wel om was verzocht. Mede om die reden is niet beslist over dividenduitkeringen over de afgelopen jaren, hoewel de onder 2.7 bedoelde afspraken voorzagen in verrekening van opgenomen gelden met dergelijke dividenduitkeringen. Vast staat dat [gedaagde1] nog aanspraak kan maken op een aanzienlijke dividenduitkering.

Ter zitting hebben eiseressen in conventie, desgevraagd, bevestigd de stelling van [gedaagde1] dat [eiser2] een kerngezond bedrijf is met een uitstekende liquiditeitspositie. De vennootschap heeft geen bankkredieten, heeft de afgelopen jaren zeer goede resultaten geboekt en verwacht ook dit jaar weer een behoorlijke winst te maken. Weliswaar ontvangt [gedaagde2] een op zichzelf behoorlijk salaris, doch ter zitting bleken beide partijen te vrezen dat de fiscus, indien deze onderzoek zou doen, tot de opvatting zou kunnen komen dat dat salaris onvoldoende is in relatie tot de gebruikelijke beloning in een met [eiser2] vergelijkbare vennootschap.

Per saldo is, gelet op de situatie als geheel, naar voorlopig oordeel niet aannemelijk dat aan de transacties meteen een einde gemaakt moet worden en evenmin dat de in het verleden naar JH Beheer overgeboekte/opgenomen gelden met spoed moeten worden terugbetaald,. De onderneming van [eiser2] dreigt door de transacties in kwestie op geen enkele wijze in gevaar te komen. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat, behoudens de hierna te bespreken toezegging ter comparitie, voor toewijzing van de gevorderde verboden en/of de betaling geen grond bestaat.


5.9.

Van [gedaagde1]/[gedaagde2] mocht worden verwacht dat zij zich zouden houden aan de jegens[eiser1] bij gelegenheid van de comparitie van partijen gedane toezeggingen. In die zin is het continueren van de transacties dan ook jegens[eiser1] als (indirect) mede-aandeelhouder als schending van de op [gedaagde1] rustende verplichtingen aan te merken. Dat [gedaagde1]/[gedaagde2] de betrokken middelen zo dringend nodig heeft dat van hen naleving van die toezegging niet verlangd kon worden is wel gesteld, maar slechts in zeer algemene termen onderbouwd en dan ook niet voldoende aannemelijk geworden. Het mislukken van de mediation is op zichzelf onvoldoende rechtvaardiging voor die transacties. Toch is ook dat alles niet genoeg voor toewijzing van de vorderingen van[eiser1]. Nog daargelaten dat onduidelijk is of, en zo ja, in hoeverre, sprake is van schade voor[eiser1] is, gelet op de hiervoor weergegeven achtergrond, niet aannemelijk geworden dat[eiser1] een - rechtens te respecteren - spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde onverwijlde voorzieningen. Dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is is niet aannemelijk. Voor de vordering onder 2 geldt voorts dat ook overigens aan de eisen voor een geldvordering in kort geding niet is voldaan. Daarom zal de vordering van[eiser1] worden afgewezen.


5.10.

De voorzieningenrechter merkt nog op dat voor het nemen van maatregelen om de patstelling (waarvan op zichzelf aannemelijk is dat deze, als zij voort blijft duren, ook de belangen van de onderneming en de daarbij betrokkenen zal schaden) te doorbreken op dit moment des te minder aanleiding bestaat nu niet alleen de procedure voor de Ondernemingskamer reeds aanhangig is, maar ook ter zitting is toegezegd dat op (betrekkelijk) korte termijn een algemene vergadering van aandeelhouders zal worden belegd.


5.11.

Eisers in conventie zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden in conventie worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00


6De beoordeling in reconventie

6.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv dient een beslag onder meer te worden opgeheven bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, in dien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing vordert ligt, met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, om aannemelijk te maken dat de door de beslag-legger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

Dit komt erop neer dat ook wanneer twijfel mocht bestaan doch anderzijds het bestaan van de vordering niet bij voorbaat onwaarschijnlijk voorkomt, het beslag in beginsel gehand-haafd moet worden.


6.2.

Verweersters in reconventie hebben de beslagen waarvan in dit kort geding opheffing wordt gevorderd gelegd ter verzekering van een vordering ad € 144.300,00, die

zij stellen te hebben op eisers in reconventie in het kader van het niet nakomen van [gedaagde2]/[gedaagde1] van de reeds eerder aangehaalde, tijdens de comparitie d.d. 8 september 2014 gedane, toezegging om met directe ingang naast zijn salaris geen gelden meer aan [eiser2] te onttrekken (zie 2.8 en 2.9).


6.3.

Het gelegde beslag op de aan [betrokkene2], de echtgenote van [gedaagde2],

toebehorende helft van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] zal reeds worden opgeheven op grond van het feit dat de gepretendeerde vordering ad

€ 144.300,00 niet is ingesteld jegens [betrokkene2].


6.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser2] geen partij is bij de onder zaaknummer / rolnummer: C/10/442045 / HA ZA 14-44 thans aanhangige procedure bij deze rechtbank (waarin de toezegging is gedaan) en evenmin partij is bij de onder 2.7 geciteerde Overeenkomst. [eiser2] is in deze te beschouwen als een derde. Nog daargelaten de in conventie besproken bevoegdheidsproblemen (die ook zijn ingeroepen in het kader van het ingediende beslag-rekest) valt niet in te zien dat of waarom [eiser2] op grond van schending van die afspraken een vordering op [gedaagde1]/[gedaagde2] zou toekomen, zoals verweersters in reconventie stellen; op die schending wordt de vordering gebaseerd ter verzekering van verhaal waarvan deze beslagen zijn gelegd. Dat geldt ook met inachtneming van de in conventie geschetste achtergrond. Dit leidt ertoe dat de beslagen voor zover deze zijn gelegd door [eiser2] opgeheven moeten worden.


6.5.

Eisers in reconventie hebben niet behoorlijk gemotiveerd betwist dat ondanks de ter comparitie gedane toezegging door [gedaagde2][eiser1] nadien - in de periode vanaf 8 september 2014 tot en met 19 januari 2015 - door [gedaagde2] naast zijn reguliere salaris en vergoedingen nog een bedrag van € 144.300,00 is opgenomen.

De stelling van eisers in reconventie dat de afspraak niet binnen het mediation-traject bindend tussen partijen is vastgelegd en dat hetgeen in het kader van de mediation is besproken vertrouwelijk is en partijen niet bindt wordt gepasseerd, nu verweersters in reconventie zich louter beroepen op die tijdens de comparitie gemaakte afspraak.


6.6.

Zoals in conventie reeds werd overwogen heeft [gedaagde2]/[gedaagde1], zonder dat daarvoor een voldoende zwaarwegende grond aannemelijk is geworden, zijn verplichtingen jegens[eiser1] geschonden. Dat daaruit voor[eiser1] - als mede- middellijk aandeelhouder - schade van de gestelde omvang kan voorvloeien, wat daar verder ook van zij, is door verweersters in reconventie als zodanig niet betwist.

Dit brengt met zich mee - gelet op het in 6.1 weergegeven toetsingskader - dat de vordering van[eiser1] niet als summierlijk ondeugdelijk is aan te merken.


6.7.

Het ten laste van [gedaagde1] en/of [gedaagde2] gelegde beslag op de banktegoeden onder de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V. en de coöperatieve RABOBANK VOORNE-PUTTEN ROZENBURG U.A. zal echter worden opgeheven, omdat de voorzieningenrechter de overige beslagen voldoende acht ter verzekering van verhaal van de door[eiser1] gepretendeerde vordering ad € 144.300,00 (met rente en kosten begroot op € 187.500,00).


6.8.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de beslagen, voor zover deze zijn gelegd door[eiser1]

[eiser1], op de auto’s, de aandelen en de aan [gedaagde2] toebehorende helft van de woning, zullen worden gehandhaafd. Een belangenafweging leidt, gelet op het onder 6.7 overwogene, niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat de gelegde beslagen op de auto’s, de aandelen en de aan [gedaagde2] toebehorende onverdeelde helft van de woning, gelet op de opmerkingen ter zitting op dat punt, niet bijzonder knellend worden geacht.


6.9.

In de omstandigheid dat partijen ieder deels in het (on)gelijk zijn gesteld ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren.


7De beslissing

De voorzieningenrechter


in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,


7.2.

veroordeelt de eiseressen in conventie in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden in conventie tot op heden begroot op € 1.429,00,


7.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


in reconventie

7.4.

heft op het ten laste van [betrokkene2] gelegde beslag op de haar toebehorende

helft van de onroerende zaak gelegen aan de [adres];


7.5.

heft op de ten laste van [gedaagde1] en/of [gedaagde2] gelegde beslagen op de banktegoeden onder de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V. en de coöperatieve RABOBANK VOORNE-PUTTEN ROZENBURG U.A., voor zover deze gelegde beslagen doel hebben getroffen;


7.6.

heft op de ten laste van [gedaagde2] gelegde beslagen op zijn aandelen binnen [gedaagde1], op de aan [gedaagde2] toebehorende helft van de woning aan de [adres], de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken1] en de auto van het merk Toyota met het kenteken [kenteken2], doch uitsluitend voor zover deze zijn gelegd door [eiser2];


7.7.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;


7.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2015. 1862/106