Rechtbank Rotterdam, 01-04-2015 / C/10/442108 / HA ZA 14-51


ECLI:NL:RBROT:2015:2449

Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Uitsluiting. Opzet. Doelbewuste constructie om eigen vennootschappen te laten profiteren van het op onrechtmatige wijze afhandig maken van (potentiële) klanten van derde. Bewust van schadelijke gevolgen voor derde. Persoonlijke bevoordeling.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-08
Zaaknummer
C/10/442108 / HA ZA 14-51
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/598
  • OR-Updates.nl 2015-0144
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/442108 / HA ZA 14-51

472826 / KG ZA 15-331


Vonnis van 1 april 2015


in de zaak van


1 [eiser1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUMO BEHEER B.V.,

gevestigd te Druten,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. E.M. Mulder,


tegen


de naamloze vennootschap

HDI GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A. Hendrikse.



Partijen zullen hierna [eisers] (dan wel ieder voor zich [eiser1] en Dumo) en HDI genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 28 mei 2014 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • - de conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
  • - de brief met bijlagen van mr. Mulder van 25 augustus 2014;
  • - de brief met bijlage van mr. Mulder van 29 augustus 2014;
  • - het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 september 2014;
  • - de pleitaantekeningen die door beide partijen ter comparitie zijn gebruikt;
  • - de akte tot rectificatie, eiswijziging en overlegging van stukken van [eisers];
  • - de akte uitlating eiswijziging en producties van HDI.

1.2.

Na de comparitie heeft de zaak enige tijd op de parkeerrol gestaan voor schikkingsoverleg. Nadat de zaak is opgebracht, zijn genoemde aktes genomen.


1.3.

Om administratieve redenen is het incident als bedoeld in artikel 223 Rv voorzien van het zaak- en rolnummer 472826 / KG ZA 15-331.


1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.



2De vordering in de hoofdzaak

2.1.

[eisers] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank:


1. voor recht verklaart dat [eiser1] in de in de dagvaarding besproken gerechtelijke procedure

tussen Sator c.s. en [eiser1] e.a., (ook) wordt aangesproken door Sator c.s. tot vergoeding

van schade die zij heeft geleden als gevolg van een handelen en/of nalaten begaan in

zijn hoedanigheid van bestuurder en/of medebeleidsbepaler van Dumo en/of Whitehorse

en/of Molco en/of DSP;

2. gedaagde veroordeelt om aan [eiser1] te betalen het bedrag dat [eiser1] in zijn hoedanigheid

van bestuurder en/of medebeleidsbepaler van Dumo, Whitehorse, Molco of DSP aan

Nipparts en/of Sator c.s. dient te betalen op grond van een rechterlijke uitspraak in de

gerechtelijke procedure tegen Sator c.s., of op grond van een met toestemming van HDI

- met Sator c.s. gesloten vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het aan die

gerechtelijke procedure ten grondslag liggende geschil, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 19 oktober 2011 althans een in goede justitie door de rechtbank te

bepalen datum tot aan de dag van algehele voldoening;

3. gedaagde veroordeelt om aan eisers te betalen de kosten van verweer en/of

bereddingskosten in de zin van de Polis, tot en met oktober 2013 € 272.417,- dan wel

een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 19 oktober 2011, althans 15 oktober 2012, althans een in goede

justitie door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. gedaagde veroordeelt om aan eisers te betalen de kosten van verweer van [eiser1] in de

gerechtelijke procedure tegen Sator c.s. vanaf november 2013 tot aan het einde van die

procedure, op basis van 75% dan wel een in goede justitie door de rechtbank te bepalen

percentage, van de facturen (inclusief BTW) van de advocaten van [eiser1], althans

een vergoeding voor die kosten van verweer van [eiser1] nader op te maken bij staat, en te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddatum van de betalingstermijn van de

onderliggende facturen van de advocaten van [eiser1] tot aan de dag der algehele

voldoening;

5. waarbij de Rechtbank verstaat dat HDI maximaal € 750.000 terzake van deze

‘aanspraak’ in de zin van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering hoeft te

vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 oktober 2011 dan

wel een in goede justitie door de Rechtbank te bepalen datum tot aan de dag van

algehele voldoening;

6. met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit deel van de procedure.


2.2.

HDI verweert zich en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten.



3De verdere beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser1] aanspraak heeft op uitkering onder de tussen Dumo en HDI gesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering ter zake van schadevergoeding die [eiser1] mogelijk aan Sator en Nipparts (hierna ook gezamenlijk Sator c.s.) moet betalen en ter zake van de in de lopende procedure tegen Sator c.s. door [eiser1] gemaakte en nog te maken kosten van verweer. In die procedure, aanhangig bij de rechtbank Midden-Nederland (onder zaak- en rolnummer 316234 / HA ZA 11-1954), stellen Sator c.s. zich op het standpunt dat twee van hun (voormalige) bestuurders – [persoon1] en [persoon2] – in samenwerking met [eisers] stelselmatig en structureel en daarmee onrechtmatig het duurzame bedrijfsdebiet van Sator c.s. hebben afgebroken en hen aldus op onrechtmatige wijze hebben beconcurreerd.


3.2.

Voor de vaststaande feiten in deze procedure verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis. In het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2014 in de procedure tussen Sator c.s. als eisers en (onder meer) [eisers] heeft die rechtbank ten aanzien van [persoon1] en [persoon2] onder meer het volgende overwogen en beslist:

  • - [persoon1] heeft in de periode van 2005 tot en met 2010 ten onrechte potentiële klanten van Nipparts doorgezet naar twee (indirect) door [eiser1] bestuurde vennootschappen, te weten Molco en DSP, bij welke vennootschappen [persoon1] een financieel belang had;
  • - [persoon1] is voor de als gevolg hiervan door Nipparts geleden schade aansprakelijk, zowel op grond van bestuurdersaansprakelijkheid als in zijn hoedanigheid van werknemer, dit laatste omdat sprake was van opzet;
  • - Ook [persoon2] is hiervoor op beide gronden aansprakelijk, omdat zij van het doorzetten van potentiële klanten op de hoogte was en wist of behoorde te weten dat dit nadelig voor Nipparts zou kunnen zijn, terwijl zij tegen het handelen van [persoon1] geen actie heeft ondernomen;
  • - Het voorgaande geldt ook voor het aandragen door [persoon1] van bestaande klanten van Nipparts aan ACP, een (indirect) door [eiser1], [persoon1] en [persoon2] beheerste vennootschap.

3.3.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis herhaalt de rechtbank hier de in het tussenvonnis al geciteerde passages uit het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, die specifiek betrekking hebben op [eisers]:


“4.21. [eisers] wist ten tijde van het doorschuiven van bovengenoemde (potentiële) klanten dat [persoon1] en [persoon2] bestuurders van Nipparts waren. De door hem (via Molco) bestuurde vennootschap DSP was immers al lange tijd klant van Nipparts. [eisers] was gelet op zijn betrokkenheid bij de in rechtsoverweging 2.17 bedoelde aandelentransacties en de in rechtsoverweging 4.16 bedoelde leningsovereenkomsten voorts op de hoogte van de financiële belangen van [persoon1] en [persoon2] bij Molco (en daarmee ook bij DSP). [eisers] wist vanwege het geheimhoudingsbeding in de koopovereenkomsten met betrekking tot de aandelen in Molco ook dat de betrokkenheid van [persoon1] en [persoon2] bij Molco (en DSP) voor de buitenwereld verborgen moest blijven. Het was [eisers] verder bekend dat [persoon1] en [persoon2] vanaf 2002 niet langer eigenaar van Nipparts waren. [eisers] – en daarmee ook Molco en DSP – diende(n) daarom op zijn minst ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat het doorschuiven van klanten naar DSP en Molco niet in het belang van Nipparts was. [eisers] heeft weliswaar gesteld dat dit ten voordele van Nipparts is gebeurd omdat Nipparts deze klanten niet kon of wilde beleveren, maar deze stelling heeft zij in het licht van het standpunt van Sator c.s. zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.15 onvoldoende onderbouwd. [eisers] heeft slechts gesteld dat zij niet bekend is met de gehele structuur van de organisatie van Sator c.s. en diens interne beleid op basis waarvan mogelijk op de door Sator c.s. gestelde wijze gehandeld had moeten worden. Zij wist echter […] dat Nipparts met agenten werkte en dat Molco ten onrechte als agent van Nipparts werd gepresenteerd. Door desondanks het vorenstaande de door [persoon1] […] doorgeschoven klanten te benaderen en (een deel daarvan) te beleveren, heeft Molco als bestuurder van DSP onrechtmatig jegens Nipparts gehandeld. Zij heeft het onbehoorlijk handelen van [persoon1] jegens Nipparts actief bevorderd, terwijl zij zich daarvan gelet op de lange handelsrelatie met Nipparts had moeten onthouden. [eisers], in hoedanigheid van bestuurder, kan van dit handelen van Molco een ernstig verwijt worden gemaakt. In plaats van dat handelen in verband met de voor hem kenbare belangen van Nipparts te voorkomen, is hij daarbij persoonlijk operationeel betrokken geweest. Ook [eisers] is derhalve jegens Nipparts aansprakelijk.

[…]


Wel moet het ervoor worden gehouden dat bovengenoemde vennootschappen van het doorschuiven van (potentiële) Nipparts-klanten naar Molco en DSP, alsmede de belangenverstrengeling waarin [persoon1] en [persoon2] zich ten opzichte van Molco en DSP bevonden, op de hoogte waren. […] Het was voor deze vennootschappen dan ook voorzienbaar dat Nipparts als gevolg van het doorschuiven van (potentiële) Nipparts-klanten naar Molco en DSP nadeel zou lijden, terwijl zij daarvan zelf als (indirect) aandeelhouders van Molco en DSP zouden kunnen profiteren. Zij hadden dan ook belang bij de wanprestatie c.q. onrechtmatige daad van [persoon1], [persoon2], […] [eisers] en Molco. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank […] Dumo en Whitehorse uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk voor de door Nipparts als gevolg van het doorschuiven van klanten naar Molco en DSP geleden schade, indien en voor zover zij hiervan profijt hebben gehad. Of aan deze voorwaarde is voldaan, staat thans nog niet vast.

[…]


Vaststaat dat in 2008, toen naar eigen zeggen van [persoon2] c.s. en [eisers] het plan ontstond om in ACP een onderneming op te zetten voor de verkoop van Ashuki-producten, een wijziging in de aandeelhoudersstructuur heeft plaatsgevonden. […] Whitehorse en […] hebben aldus bewerkstelligd dat Nipparts-medewerkers […] een geldelijk belang kregen bij hun, voor hun werkgever nadelige, werkzaamheden voor ACP. Hierdoor hebben Whitehorse en […] het hierboven beschreven handelen van [persoon1], [persoon2] […] actief bevorderd, terwijl zij op de hoogte waren van het verwijtbare karakter daarvan (zie rechtsoverweging 4.23 met betrekking tot het toerekenen van wetenschap). Zij zijn derhalve uit hoofde van onrechtmatige daad jegens Nipparts aansprakelijk. Van het handelen van Whitehorse kan aan [eisers], in hoedanigheid van diens bestuurder, een ernstig verwijt worden gemaakt. In plaats van dat handelen in verband met de voor hem kenbare belangen van Nipparts te voorkomen, is hij daarbij persoonlijk operationeel betrokken geweest. Ook [eisers] is derhalve jegens Nipparts aansprakelijk.”


3.4.

Op 10 december 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland een tweede tussenvonnis gewezen. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door Sator c.s.


3.5.

De in het tussenvonnis van 28 mei 2014 en hierboven weergegeven feiten staan ook vast in de hoofdzaak.


3.6.

HDI heeft op verschillende punten verweer gevoerd tegen de vordering in de hoofdzaak:

  • - het ontbreken van verzekerde hoedanigheid;
  • - het ontbreken van deelnemingen in de zin van de polis;
  • - de omstandigheid dat de gestelde kosten van verweer niet (geheel) kosten van verweer tegen een aanspraak in de zin van de polis betreffen;
  • - de redelijkheid van de gestelde kosten;
  • - de uitsluitingsclausule ter zake van opzet en persoonlijke bevoordeling;
  • - de verplichting tot medewerking.

3.7.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van HDI op de in de polisvoorwaarden opgenomen uitsluitingsgronden. Om die reden behoort de vordering in de hoofdzaak in alle opzichten te worden afgewezen. De andere verweren van HDI behoeven daarom geen bespreking. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.


3.8.

De desbetreffende bepalingen uit de polisvoorwaarden luiden als volgt:


Artikel 5 Uitsluitingen

Van deze verzekering zijn uitgesloten aanspraken verband houdend met en/of voortvloeiend uit:

(...)

5.5

Opzet, persoonlijke bevoordeling en vermogensdelicten

a. opzettelijk door één of meer verzekerde(n) veroorzaakte en/of beoogde schade

b. (rechts)handelingen door of namens de rechtspersoon, waardoor één of meer verzekerden

en/of derden (in)direct persoonlijk worden bevoordeeld, dan wel zulks hebben beoogd.

(…)

Artikel 10 Vergoeding van schade en kosten

10.1

Verzekeraars vergoeden, tot ten hoogste het op het polisblad genoemde van toepassing

zijnde verzekerd bedrag per aanspraak en per contractjaar, voor alle verzekerden en voor alle

navolgende onderdelen van artikel 10 tezamen:

10.1.1.

Schadevergoeding

Het bedrag van de schade dat een verzekerde krachtens rechterlijke of arbitrale uitspraak of

schikking gehouden is aan derden te betalen. Deze schadevergoeding is inclusief de wettelijke

rente daarover.

10.1.2

Kosten van verweer

De redelijke kosten die op verzoek van of met toestemming van verzekeraars worden gemaakt

in verband met het voeren van verweer tegen aanspraken van derden ook al blijken deze

ongegrond, met inbegrip van de proceskosten tot betaling waarvan verzekerde mocht worden

veroordeeld, met inachtneming van het volgende:

10.1.2.1 De kosten van verweer zullen worden vergoed totdat verzekeraars het standpunt

hebben ingenomen dat de aanspraak niet is gedekt of dat een uitsluiting van kracht is en dit

standpunt schriftelijk aan verzekerde kenbaar hebben gemaakt.

10.1.2.2 Onverminderd het bepaalde in artikel 10.1.2.1 geldt, indien een aanspraak is

gebaseerd op een uitsluiting zoals bepaald in artikel 5.5, dat de kosten van verweer zullen

worden vergoed totdat een rechtelijke of arbitrale uitspraak heeft geleid tot de vaststelling dat er

sprake van opzet, persoonlijke bevoordeling of een vermogensdelict. In dat geval zullen de door

verzekeraars betaalde kosten van verweer van verzekerde worden teruggevorderd.”


3.9.

Op HDI rust de stelplicht en eventuele bewijslast ten aanzien van feiten die aan het beroep op de onderhavige uitsluitingen ten grondslag liggen.


3.10.

Aan haar beroep op opzet dan wel persoonlijke bevoordeling legt HDI het volgende ten grondslag. Uit de dagvaarding in de procedure tussen Sator c.s. en onder anderen [eisers] blijkt dat [eiser1] volgens Sator c.s. langdurig heeft samengewerkt met [persoon1] en [persoon2] om op onrechtmatige wijze klanten van Sator c.s. ‘door te zetten’ naar de (indirect) door [eiser1] bestuurde vennootschapen, te weten Molco, DSP en ACP. Hieruit volgt dat [eiser1] zich bewust moet zijn geweest van het feit dat Sator c.s. als gevolg van dit handelen schade zouden leiden. De aan Molco en DSP doorgezette klanten konden immers niet meer door Sator c.s. bediend worden, en niet gebleken is op welke wijze Sator c.s. in staat zouden zijn de ‘gestolen omzet’ te compenseren. Dat betekent dat sprake is geweest van opzet. Bovendien hadden onder anderen [persoon1] en [persoon2] belang bij deze gedragingen, omdat zij (financieel) betrokken waren bij de aandeelhouder van Molco en DSP, en dus financieel belang hadden bij vergroting van de omzet van die vennootschappen. Dat betekent dat de handelingen van [eiser1] erop gericht waren om (onder anderen) [persoon1] en [persoon2] persoonlijk te bevoordelen.


3.11.

HDI heeft voorts verwezen naar de door de rechtbank Midden-Nederland vastgestelde feiten en haar oordeel over die feiten (zie productie 30 van [eisers] en de hierboven geciteerde passages uit het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland). Specifiek met betrekking tot [eiser1] houdt dat vonnis in het kort het volgende in:

  • - [eiser1] wist ten tijde van het doorschuiven van (potentiële) klanten van Sator c.s. naar Molco en DSP – waartoe [persoon1] en [persoon2] gebruik maakten van informatie die hun uit hoofde van hun dienstverband met Sator c.s. bekend was – dat [persoon1] en [persoon2] bestuurders van Nipparts waren;
  • - [eiser1] was voorts op de hoogte van de financiële belangen van [persoon2] en [persoon1] bij Molco en DSP;
  • - [eiser1] wist ook dat de betrokkenheid van [persoon1] en [persoon2] bij Molco en DSP verborgen moest blijven;
  • - Omdat [eiser1] wist dat [persoon1] en [persoon2] geen eigenaar van Nipparts meer waren, moest hij er rekening mee houden dat het doorschuiven van (potentiële) klanten naar Molco en DSP niet in het belang van Nipparts was;
  • - [eiser1] wist dat Molco ten aanzien van de doorgeschoven (potentiële) klanten ten onrechte als agent van Nipparts werd gepresenteerd;
  • - [eiser1] heeft het onbehoorlijke handelen van [persoon1] jegens Nipparts actief bevorderd en hij is bij dit alles persoonlijk operationeel betrokken geweest;
  • - [eiser1] heeft via zijn vennootschap Whitehorse en samen met een vennootschap van [persoon1] en [persoon2] bewerkstelligd dat medewerkers van Nipparts een geldelijk belang kregen bij voor Nipparts nadelige werkzaamheden die erop gericht waren om (potentiële) klanten van Nipparts te bedienen vanuit de (indirect) door [eiser1], [persoon1] en [persoon2] beheerste vennootschap ACP.

3.12.

[eiser1] heeft in de onderhavige procedure, in het kader van zijn verweer tegen het beroep van HDI op de uitsluitingsclausule, niet betoogd dat de rechtbank Midden-Nederland onjuiste feiten heeft vastgesteld. Daartoe bestond wel gelegenheid. De rechtbank wijst er op dat zij in het tussenvonnis (onder 4.9) uitdrukkelijk heeft overwogen dat ter comparitie onder andere de door de rechtbank Midden-Nederland genomen beslissingen aan de orde konden komen. In de onderhavige procedure moet er daarom van worden uitgegaan dat de door de rechtbank Midden-Nederland vastgestelde feiten als zodanig niet ter discussie staan. Voor het beroep van HDI op opzet dan wel persoonlijke bevoordeling betekent dit het volgende.


3.13.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de formulering van de opzetclausule in de polis, slechts sprake is van opzet indien de verzekerde de toegebrachte schade heeft beoogd of zich ervan bewust was dat de schade het gevolg van zijn handelen zou zijn. Een ruime uitleg van het begrip ‘opzet’ ligt dus niet in de rede, zoals [eiser1] ter comparitie terecht heeft betoogd (pleitaantekeningen onder 14). De in het onderhavige geval vaststaande feiten kunnen echter tot geen andere conclusie leiden dan dat sprake is geweest van een doelbewuste constructie – anders gezegd: een ‘opzetje’ – om (onder andere) Molco en DSP te laten profiteren van het op onrechtmatige wijze afhandig maken van (potentiële) klanten van Sator c.s. Niet valt in te zien dat dergelijke gedragingen zouden kunnen plaatsvinden zonder schade aan Sator c.s. toe te brengen. De constructie was er immers juist op gericht Molco en DSP te laten profiteren ten koste van Sator c.s. Schade van Sator c.s. is zo bezien dus het noodzakelijke gevolg van de door [eiser1] met [persoon2] en [persoon1] opgezette samenwerking. In het licht van de vaststaande feiten had het op de weg van [eiser1] gelegen om te onderbouwen dat dit in dit specifieke geval anders ligt. Hij heeft dat echter niet concreet betoogd, laat staan met feiten onderbouwd, ook niet in reactie op het expliciete betoog van HDI op dit punt (pleitaantekeningen onder 8.1). De enkele stelling van [eiser1] ter comparitie dat de constructie leidde tot een “win/win-situatie” waarvan ook Sator c.s. profiteerden is in het licht van de vaststaande feiten onvoldoende concreet. Als vaststaand moet dan ook worden aangenomen dat [eiser1] zich bewust is geweest van het feit dat zijn gedragingen, indien die het beoogde resultaat zouden hebben, zouden leiden tot schade van Sator c.s. Dat betekent dat sprake is geweest van opzet op de schade in de zin van de polis, zodat het beroep op de uitsluitingsclausule slaagt.


3.14.

Op grond van de polisvoorwaarden is sprake van een afzonderlijke uitsluitingsgrond indien de aanspraken van de derde voortvloeien uit handelingen door of namens de rechtspersoon waardoor een of meer verzekerden en/of derden (indirect) persoonlijk zijn bevoordeeld dan wel zulks is beoogd. Uit de in dit geval vaststaande feiten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat met de door [eiser1] verrichte handelingen in elk geval indirect werd beoogd om (onder anderen) [persoon1] en [persoon2] persoonlijk te bevoordelen. Zij hadden immers, als gevolg van hun (financiële) belangen in Molco, ASP en ACP, persoonlijk financieel belang bij een verbetering van de marktpositie van genoemde vennootschappen, die van de handelingen van [eiser1] het beoogde gevolg zou zijn. Daarmee staat vast dat met die handelingen in elk geval een indirecte persoonlijke bevoordeling van [persoon1] en [persoon2] werd beoogd. Dat is voldoende voor een geslaagd beroep op de onderhavige uitsluitingsgrond. De rechtbank wijst er op dat [eiser1] op dit punt geen ander verweer heeft gevoerd dan dat hijzelf geen persoonlijk voordeel heeft genoten (pleitaantekeningen onder 15), zulks terwijl de rechtbank in haar tussenvonnis (onder 4.8) expliciet had opgemerkt dat het punt van de persoonlijke bevoordeling op de comparitie besproken zou kunnen worden en HDI in haar na het tussenvonnis genomen conclusie van antwoord (onder 8.5) haar standpunt hierover nader had uitgewerkt. Het wel door [eiser1] gevoerde verweer slaagt niet, omdat op grond van de polisvoorwaarden voor een geslaagd beroep op de onderhavige uitsluitingsgrond niet vereist is dat [eiser1] zelf persoonlijk is bevoordeeld.


3.15.

Nu sprake is van twee uitsluitingsgronden, die ieder voor zich aan dekking in de weg staan, luidt de conclusie dat [eiser1] geen aanspraak aan de onderhavige verzekering kan ontlenen.


3.16.

In dit verband verdient bijzondere aandacht de kwestie van de kosten van verweer. Op grond van artikel 10.1.2.2 worden immers de kosten van verweer (in dit geval van [eiser1] in de procedure tegen Sator c.s.) vergoed totdat een rechterlijke uitspraak heeft geleid tot de vaststelling dat er sprake is van opzet of persoonlijke bevoordeling. In dat geval zullen de al vergoede kosten van verweer door de verzekeraar worden terug gevorderd. Deze bepaling gaat er klaarblijkelijk van uit dat de kosten van verweer al zijn vergoed in de periode totdat een dergelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. Dat is ook logisch, omdat polisvoorwaarden als hier aan de orde in de regel mede zijn bedoeld om de verzekeraar bij het voeren van verweer te betrekken. In het onderhavige geval heeft HDI de kosten van verweer nog niet vergoed. Of die opstelling nu terecht was of niet, met het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland is inmiddels een rechterlijke uitspraak voorhanden die leidt tot de vaststelling dat sprake is van opzet en persoonlijke bevoordeling. Dat betekent dat [eiser1] geen rechtens te respecteren belang heeft bij een beslissing op grond waarvan de kosten van verweer tot het moment van die rechterlijke uitspraak alsnog zouden moeten worden vergoed. HDI kan immers tegelijkertijd aanspraak maken op terugvordering van die kosten, zoals zij in deze procedure ook heeft betoogd (akte uitlating producties in het incident, onder 2.10).


3.17.

Ten aanzien van [eiser1] als verzekerde onder de polis is dus sprake van uitsluitingsgronden. Dat betekent dat ook ten aanzien van Dumo als verzekeringnemer geen grond bestaat om tot enigerlei uitkering onder de verzekering over te gaan.


3.18.

De vordering in de hoofdzaak zal dus worden afgewezen.


3.19.

Nu de vordering in de hoofdzaak niet voor toewijzing in aanmerking komt, bestaat ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv. Ook de vordering in het incident zal daarom worden afgewezen.


3.20.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in het incident als in de hoofdzaak. Ter zake van het advocatensalaris zal de rechtbank aanknopen bij het werkelijke belang van de zaak. Dat wil zeggen dat tarief VII (€ 2.580,-- per punt) zal worden toegepast.



4De beslissing

De rechtbank


in het incident


4.1.

wijst de vordering af;


4.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van HDI, tot op heden begroot op

€ 2.580,-- aan advocatensalaris;


4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;




in de hoofdzaak


4.4.

wijst de vordering af;


4.5.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van HDI, tot op heden begroot op

€ 3.715,-- ter zake van het griffierecht en € 6.450,-- aan advocatensalaris;


4.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2015.




1980/2537