Rechtbank Rotterdam, 07-04-2015 / 10/701295-13


ECLI:NL:RBROT:2015:2513

Inhoudsindicatie
10 jaar gevangenisstraf voor doodslag ex-vriendin Gezien het feit dat verdachte een motief had, hij zeer kort voor het overlijden van het slachtoffer in de woning was, er geen aanwijzingen zijn dat een ander dan verdachte in het korte tijdsbestek aanwezig is geweest in de woning noch dat het slachtoffer problemen had met anderen dan verdachte en verdachte voorts onaannemelijk en in strijd met bewijsmateriaal heeft verklaard, kan het niet anders zijn dan dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-10
Zaaknummer
10/701295-13
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701295-13

Datum uitspraak: 7 april 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedatum] 1983,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Den Haag PPC, locatie ’s-Gravenhage.


Raadsman mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het impliciet primair tenlastegelegde (moord);

- bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag);

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.



MOTIVERING VRIJSPRAAK


Het impliciet primair tenlastegelegde (moord) is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van voorbedachte raad en overweegt daaromtrent het volgende.


Evenmin als de officier van justitie en de raadsman kan de rechtbank vaststellen dat

verdachte op de ochtend van 11 november 2013 van huis is gegaan met het plan om het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank slaat daarbij acht op het feit dat de verdachte met een taxi naar het huis van het slachtoffer is gegaan en hij volgens de taxichauffeur geen opvallend gedrag vertoonde in de taxi. Nu onduidelijk is op welk moment bij verdachte het voornemen is ontstaan om het slachtoffer te doden, kan daarmee ook niet vastgesteld worden hoeveel later hij dat voornemen tot uitvoering heeft gebracht. Gelet hierop kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van voorbedachte raad.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) heeft begaan op die wijze dat:



1.

hij, op of omstreeks 11 november 2013 te Rotterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, (met kracht) de nek/hals van die [slachtoffer] met een snoer en/of touw en/of een trui (althans een kledingstuk) dichtgesnoerd/dichtgetrokken en/of die [slachtoffer] aan een snoer en/of touw en/of een trui (althans een kledingstuk) aan de nek/hals opgehangen aan een haak aan een deur, waardoor die [slachtoffer] onvoldoende lucht kreeg, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



NADERE BEWIJSMOTIVERING


De rechtbank heeft zich voor de vraag gesteld gezien door wie [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) met een snoer en een trui is gewurgd. Daarbij is met name van belang of verdachte of mogelijkerwijs een ander dan verdachte zulks gedaan kan hebben. De rechtbank heeft daarbij met name de volgende feiten en omstandigheden in acht genomen.


De politie heeft bij het betreden van de plaats delict geconstateerd dat de voordeur van de woning van het slachtoffer geen braaksporen vertoonde. Dit wijst erop dat de dader de woning is binnengetreden met een huissleutel of dat het slachtoffer de deur voor de dader heeft opengedaan. Nu het slachtoffer naakt is aangetroffen acht de rechtbank de kans klein dat het slachtoffer de deur zelf heeft opengedaan voor een haar onbekend persoon. Ook zijn er geen aanwijzingen voor roof.

Voorgaande omstandigheden wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat iemand die beschikte over een huissleutel en/of een goede bekende was van het slachtoffer, het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Nu uit het dossier is gebleken dat alleen het slachtoffer, de dochter van het slachtoffer en verdachte een sleutel van de woning hadden en niet is gebleken van aanwijzingen dat de dochter enige betrokkenheid heeft gehad bij de doding van het slachtoffer en voorts niet is gebleken van een ander persoon die aan voornoemde criteria voldoet, wijst een en ander reeds om die reden in de richting van verdachte als dader.


Daarbij komt dat verdachte een motief heeft, immers had het slachtoffer de relatie tussen haar en verdachte de avond voor haar overlijden verbroken. Verdachte zou er andere vrouwen op na hebben gehouden en het slachtoffer zou verdachte het huis uit hebben gezet. Het slachtoffer zou voorts gedreigd hebben om verdachte bij de politie aan te geven in verband met zijn illegaliteit.

De door de verdediging gewekte suggestie dat het slachtoffer misschien wel actuele problemen had met een boze, ontevreden klant dan wel een stalker, is op geen enkele wijze steekhoudend in het dossier naar voren gekomen.


Verdachte heeft weliswaar een verklaring afgelegd maar hij blijft vaag en geeft uit zichzelf vrijwel geen enkel detail prijs. Wat wel vaststaat is dat verdachte kort voor het overlijden van het slachtoffer bij haar in de woning is geweest. Hij is die dag om 9.14 uur door een taxichauffeur afgezet bij de woning van het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer toen in de woonkamer zat en nog steeds boos op hem was. Hierop zou verdachte zonder jas en telefoons anderhalf uur tot twee uur zijn gaan wandelen en op een bankje hebben gezeten zodat het slachtoffer zou kunnen ‘afkoelen’. Bij terugkomst in de woning zou hij het slachtoffer levenloos op de vloer van de badkamer hebben aangetroffen. Dit cruciale deel van de verklaring van verdachte vindt geen steun in het overige bewijsmateriaal. De looproute van verdachte is onderzocht en verdachte is niet te zien op de betreffende camerabeelden. Dit sluit echter niet uit dat verdachte (wel) naar buiten is geweest.


Echter daargelaten of verdachte wel of niet naar buiten is geweest, uit de verklaring van getuige [getuige] kan worden afgeleid dat verdachte rond 10.30 uur (nog steeds dan wel voor de tweede maal) in de woning van het slachtoffer is geweest. Rond dat tijdstip was namelijk volgens [getuige] de WhatsApp van de gsm van verdachte voor het laatst bekeken. Verdachte had naar eigen zeggen zijn gsm in de woning van het slachtoffer achtergelaten toen hij ging wandelen. Het is niet aannemelijk geworden dat iemand anders dan verdachte op zijn WhatsApp gekeken heeft. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte, zo hij de woning al verlaten zou hebben, veel korter is weggeweest dan hij verklaard heeft.


Volgens de verklaring van de dochter van het slachtoffer is er om 11.07 uur nog op de WhatsApp van de gsm van haar moeder gekeken. Omstreeks 11.40 uur heeft een buurman verdachte pogingen zien doen om zichzelf van het leven te beroven. Verdachte heeft verklaard dat hij bij terugkeer in de woning vrijwel direct zag dat het slachtoffer dood was en dat hij toen zelf ook dood wilde, hetgeen impliceert dat het slachtoffer omstreeks 11.40 uur al overleden was. Dit tijdstip past overigens bij het door het NFI bepaalde postmortale interval van 7 uur en 49 minuten voorafgaande aan de temperatuurmeting op 11 november 2013 om 18:52 uur, hetgeen impliceert dat het slachtoffer kort na 11.07 uur is overleden. Nu aannemelijk is dat verdachte vanaf 10.30 uur (weer) in de woning was en verdachte niet heeft verklaard dat behalve hij en het slachtoffer nog iemand anders in de woning aanwezig was, kan het gelet op al het voorgaande niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer van het leven heeft beroofd.


Daarbij komt dat enkele details uit de verklaring van verdachte in strijd met het overige bewijsmateriaal en derhalve volstrekt onaannemelijk zijn.

Toen de politie de woning betrad werd geconstateerd dat de deur van binnenuit op slot was gedaan. Blijkens onderzoek aan de voordeur bevonden de dagschoot en de bovenste insteekgrendel zich zeer waarschijnlijk in een uitgedraaide (gesloten) stand. Verdachte heeft verklaard dat hij de deur niet op slot heeft gedraaid, maar dat het penslot / de insteekgrendel wel vaker vanzelf in gesloten stand valt als de deur heel hard dicht gaat. Door de dochter van het slachtoffer, die al jaren met haar moeder in het betreffende huis woont, wordt dat bestreden.


De huissleutel die verdachte in bezit had, heeft de politie gevonden in zijn jas die op de bank lag. Verdachte heeft verklaard dat hij de eerste keer dat hij de woning binnenkwam, de huissleutel in zijn tas heeft gedaan en de tas op de bank heeft gelegd. De tas en zijn jas heeft hij tijdens de wandeling in de woning laten liggen. Dat zou betekenen dat verdachte voordat hij ging wandelen zijn sleutel weer uit zijn tas moet hebben gehaald en toen hij weer terugkwam in de woning en hij zijn ex-vriendin levenloos zag liggen, de sleutel weer in zijn jas (die op de bank lag) moet hebben gedaan, hetgeen de rechtbank ongeloofwaardig voorkomt.


Gezien het feit dat verdachte een motief had, hij zeer kort voor het overlijden van het slachtoffer in de woning was, er geen aanwijzingen zijn dat een ander dan verdachte in het korte tijdsbestek aanwezig is geweest in de woning noch dat het slachtoffer problemen had met anderen dan verdachte en verdachte voorts onaannemelijk en in strijd met bewijsmateriaal heeft verklaard, kan het niet anders zijn dan dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht.


Tot slot is bij technisch onderzoek gebleken dat er DNA van verdachte aanwezig was op de trui die om de nek van het slachtoffer zat gewikkeld. Zijdens de verdediging is er – op zichzelf terecht – op gewezen dat dit DNA mede gezien de affectieve relatie tussen verdachte en het slachtoffer op verschillende wijzen op de trui kan zijn terecht gekomen en dat dit gegeven derhalve niet belastend mag worden uitgelegd. Ontlastend is het echter evenmin en het doet in elk geval niets af aan al het hierboven overwogene.


Gelet op al het vorenstaande, bezien in onderling verband, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die het slachtoffer op 13 november 2013 om het leven heeft gebracht door haar te wurgen met een snoer en een trui.



STRAFBAARHEID FEIT


Het bewezen feit levert op:


DOODSLAG


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Uit de NIFP rapportage van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door GZ-psycholoog L. Vermeulen en psychiater M.D. van Ekeren d.d. 17 juli 2014 volgt dat het niet mogelijk is de vraag te beantwoorden of er bij verdachte, in het bijzonder ten tijde van het hem tenlastegelegde, sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Het klinische beeld dat verdachte tijdens het huidige onderzoek vertoont kan worden geclassificeerd als een depressie in engere zin bij intacte realiteitstoetsing. Dit beeld staat in groot contrast met het beeld van verdachte dat uit getuigenverklaringen in de processen-verbaal beschreven wordt. Verdachte stond bekend als een psychisch gezond functionerende, sociaal vaardige, charmante en extraverte man, die zich vanuit een goede adaptatie als vluchteling in sociaal maatschappelijk opzicht adequaat heeft weten te redden. Denkbaar is dat het huidige toestandsbeeld (deels) reactief bepaald is door de huidige strafzaak en detentiesituatie, alsmede door zijn dreigende uitzetting uit Nederland in de periode daarna.

Er zijn op grond van het beperkte onderzoek geen aanwijzingen dat er sprake zou kunnen zijn van een persoonlijkheidsstoornis.


De rechtbank volgt de conclusies van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit aan verdachte kan worden toegerekend.


Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde strafbare feit.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van doodslag. Verdachte heeft zijn ex-vriendin [slachtoffer], om redenen die waarschijnlijk altijd onbekend zullen blijven, gewurgd.

Doodslag behoort tot de meest ernstige strafbare feiten, waarop de wetgever hoge straffen heeft gesteld. Het meest wezenlijke recht van iemand, namelijk het recht te mogen leven, is op grove wijze geschonden.

Het slachtoffer laat onder andere een dochter en moeder na, die ernstig lijden onder het verlies van hun moeder en kind. Blijkens de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke nabestaandenverklaringen van de dochter en de moeder van het slachtoffer, heeft dit verlies hun leven ernstig ontwricht. Het wegvallen van het slachtoffer heeft voor een onherstelbaar gemis in hun leven gezorgd. De dochter is inmiddels ook zelf moeder geworden en het kleinkind kan, door toedoen van verdachte, haar oma nooit leren kennen.


De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan dit zeer ernstige misdrijf. Voorts neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven. Zowel tijdens de politieverhoren als ter terechtzitting heeft de verdachte slechts vage verklaringen afgelegd dan wel heeft hij verklaard dat hij zich dingen niet meer kan herinneren. Voor de familie van het slachtoffer is het van groot belang voor de verwerking van het verlies van hun dierbare dat zij de ware toedracht van het gebeuren kennen. Verdachte heeft de nabestaanden hierover in het ongewisse gelaten.


De verdachte is, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2015 in het verleden niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.


De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van de omtrent de verdachte opgestelde rapportage zoals hiervoor vermeld.


De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en op de straffen die voor een feit als het onderhavige in de regel in dit ressort worden opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden is.

Gelet op de ressortelijke oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De rechtbank heeft als strafverhogende factoren in aanmerking genomen dat het slachtoffer in haar eigen woning om het leven is gebracht, dat verdachte het slachtoffer op een wrede manier om het leven heeft gebracht en dat hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad.


IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN


De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen wapens en munitie, zoals vermeld op de beslaglijst, te onttrekken aan het verkeer.


De in beslag genomen wapens en munitie, zoals vermeld op de beslaglijst, zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 36b, 36c en 287 van het Wetboek van Strafrecht.




BESLISSING


De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- verklaart onttrokken aan het verkeer:


1.00

STK Pistool Kl: grijs

BBM POLICE sinnr AAGE7872NL

G4486560, vds 106123, 6.35 mm


7.00

STK Munitie

KOGELPATROON sinnr AAGE7895NL

G4486587, vds 80452, ka1.22


1.00

STK Revolver Kl: zwart

BBM OLYMPIC 38 sinnr AAGE7898NL

G4486609, vds 106122, .22 lr


2.00

STK Munitie

KOGELPATROON Geco sinnr AAHF1149NL

G4687134, vds 80450, kal 6.35 mm


6.00

STK Munitie

PATRONEN sinnr AAGE7895NL

G4486587 (De 7de kogel is gebruikt proefschot NFI)



1.00

STK Revolver Kl: zwart

BBM OLYMPIC 38 sinnr AAGE7898NL

.22 LR, G4486609.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mr. P. Joele en mr. A.B. Baumgarten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2015.


De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage bij vonnis van: [verdachte]



TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING



Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij, op of omstreeks 11 november 2013 te Rotterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, (met kracht) de nek/hals van die [slachtoffer] met een snoer en/of touw en/of een trui (althans een kledingstuk) dichtgesnoerd/dichtgetrokken en/of die [slachtoffer] aan een snoer en/of touw en/of een trui (althans een kledingstuk) aan de nek/hals opgehangen aan een haak aan een deur, waardoor die [slachtoffer] onvoldoende lucht kreeg, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;