Rechtbank Rotterdam, 14-04-2015 / 10/690201-14


ECLI:NL:RBROT:2015:2551

Inhoudsindicatie
Dodelijke schietpartij. Beroep op noodweer verworpen. Bewezen is verklaard dat verdachte het slachtoffer, dat met een vuurwapen in de broeksband op hem afliep, opzettelijk heeft doodgeschoten door gericht op de borst van het slachtoffer te schieten. Rechtbank oordeelt dat er sprake was van een noodweersituatie voor verdachte. Verdachte heeft echter disproportioneel gehandeld door direct op het slachtoffer te schieten in plaats van te volstaan met een minder vergaand middel. Beroep op noodweer om die reden verworpen. Rechtbank veroordeelt verdachte tot gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
10/690201-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690201-14 [promis]

Datum uitspraak: 14 april 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het (post)adres:

[adres en woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht te Dordrecht,


raadsman mr. J.Y. Taekema, namens mr. A.L. Pöll, advocaat te 's-Gravenhage.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gerekwireerd:

- vrijspraak van het onder 1 impliciet primair (medeplegen van moord) ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren met aftrek van voorarrest.



HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING


De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de bestanddelen voorbedachte raad en medeplegen. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van doodslag nu verdachtes opzet niet was gericht - ook niet in voorwaardelijke zin - op het doden van [slachtoffer].


Wat betreft de strafbaarheid van het feit dan wel de verdachte heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat aan hem een beroep toekomt op noodweer dan wel putatief noodweer.

Tot slot is een strafmaatverweer gevoerd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, subsidiair gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren.



MOTIVERING VRIJSPRAAK


De rechtbank is - met de raadsman en de officier van justitie - van oordeel dat het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (medeplegen van moord) niet kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Gelet op de standpunten van de raadsman en de officier van justitie behoeft dit oordeel geen nadere motivering.



BEWIJS


Bewijsverweer feit 1

De raadsman heeft - overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota - betoogd dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het doden van [slachtoffer].


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte als ongeoefend schutter van dichtbij richting het lichaam van het slachtoffer heeft geschoten.


Beoordeling

Op basis van de bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht), de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank van het volgende uit.


Op 25 april 2014 heeft de verdachte te Rotterdam vanuit een auto tweemaal gericht met een vuurwapen op [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) geschoten. Het slachtoffer is hierbij eenmaal in de borst geraakt en ten gevolge van dit schotletsel overleden.

Op het moment dat het slachtoffer, die liep in de richting van de rechterachterzijde van de auto op welke plaats in de auto de verdachte zat, de verdachte tot zeer dichtbij was genaderd, heeft de verdachte zijn vuurwapen getrokken, doorgeladen en tweemaal achter elkaar afgevuurd richting het slachtoffer. De verdachte heeft daarbij, volgens zijn eigen verklaring, gericht op de borst van het slachtoffer geschoten.


Gelet op deze omstandigheden en de uiterlijke verschijningsvorm van deze handeling acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de opzet van de verdachte gericht is geweest op het veroorzaken van dodelijk letsel bij het slachtoffer.


Conclusie

Het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

(van korte afstand) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op, althans

in de richting van, die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] in zijn borst,

althans in zijn lichaam is geraakt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2.

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Rotterdam een (vuur)wapen van categorie

II of III, te weten een semi-automatisch pistool, merk FEG, model PA-63,

althans een soortgelijk wapen, voorhanden heeft gehad;.



Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


1.

Doodslag.


2.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.






Beroep op noodweer


Standpunt verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf.

De verdachte zat immers achterin een auto en kon zich daarom niet onttrekken aan de bedreiging met een vuurwapen door het slachtoffer.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. De officier van justitie heeft in haar schriftelijk requisitoir gewezen op contra-indicaties voor het aannemen van noodweer.


Beoordeling

Vooropgesteld zij dat een ieder het recht heeft zich binnen zekere grenzen te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf (artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht). Volgens vaste rechtspraak geldt dit ook wanneer er sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand op het punt staat om tot de “aanval” over te gaan.

Bij de beoordeling van een beroep op noodweer dient vervolgens te worden getoetst of de verdediging wel noodzakelijk was, met andere woorden of er een alternatief voorhanden was waarvan het gebruik redelijkerwijs van de verdachte mocht worden gevergd (subsidiariteitseis). Tot slot dient de ter verdediging gekozen gedraging te worden getoetst aan de proportionaliteitseis, welke eis inhoudt dat de als verdedigingsmiddel gekozen gedraging in redelijke verhouding dient te staan tot de (dreigende) aanranding.


De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.


Enkele minuten vóór het fatale schietincident hebben de verdachte en het slachtoffer contact met elkaar gehad omdat een vriend van de verdachte drugs wilde kopen. Hoewel de verdachte heeft verklaard het slachtoffer niet te kennen, sprak het slachtoffer de verdachte “opgefokt” aan, terwijl de verdachte niet degene was die drugs kwam kopen. Zonder dat sprake is geweest van een drugsdeal zijn de verdachte en zijn vriend weer in de auto gestapt en zijn zij weggereden. De verdachte zat achterin, achter de bijrijder in de auto.

Omdat men kort daarna zag dat het slachtoffer achter de auto aan rende, is de bestuurder teruggereden. Ter hoogte van het slachtoffer is de auto gestopt en heeft de bestuurder het slachtoffer aangesproken.

Op grond van de ter terechtzitting bekeken camerabeelden en de verklaring van getuige [getuige] is vast komen te staan dat het slachtoffer enkele passen richting de auto heeft gemaakt, even stil heeft gestaan en vervolgens richting het rechterachterportier liep waar de verdachte zat. Het slachtoffer boog zich in de richting van het achterportier en viel direct daarna achterover op straat.


Vast staat dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg, dat bij hem in zijn broeksband is aangetroffen.

Afgaande op de verklaring van de verdachte - en de mede-inzittenden van de auto - heeft het slachtoffer laten zien dat hij een vuurwapen in zijn broeksband had. De verdachte heeft voorts ter zitting verklaard dat het slachtoffer zijn rechterhand op zijn vuurwapen had toen hij op de auto afliep. De verdachte maakte daaruit op dat het slachtoffer zijn vuurwapen wilde trekken. Volgens de verklaring van de verdachte dacht hij op dat moment: ‘het is hij of ik’. De verdachte heeft toen, volgens zijn verklaring, zijn vuurwapen uit zijn broeksband gehaald, dat doorgeladen en geschoten.


Naar het oordeel van de rechtbank was door de gedragingen van het slachtoffer voor de verdachte sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf.


De verdachte zat als passagier in een auto, waardoor de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden gezegd dat de verdachte zich op enig moment had kunnen en moeten onttrekken aan de dreigende situatie.


Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden is de rechtbank echter van oordeel dat de gekozen gedraging van de verdachte - als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de (dreigende) aanranding. Immers, het slachtoffer had zijn vuurwapen niet ter hand genomen, niet getrokken en dus ook niet op de verdachte gericht, maar heeft het wapen in zijn broeksband gehouden. De verdachte daarentegen heeft, toen hij een vuurwapen in de broeksband van het slachtoffer zag en voorts zag dat het slachtoffer zijn hand op dat vuurwapen had, in een zeer kort tijdsbestek zijn wapen uit zijn broeksband gehaald, het wapen doorgeladen en gericht op de borst van het slachtoffer en tweemaal gevuurd. Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte op dat moment ter afschrikking van het slachtoffer kunnen en moeten volstaan met het tonen van zijn vuurwapen aan het slachtoffer. Door direct te schieten, vanaf zeer korte afstand op de borst van het slachtoffer, heeft de verdachte buitenproportioneel gehandeld, met de dood van het slachtoffer tot gevolg.


Conclusie

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging weliswaar heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, maar dat hij daarbij een onevenredig zwaar middel heeft ingezet door direct - tot tweemaal toe - te vuren in de richting van de borst van het slachtoffer in plaats van zijn vuurwapen ter afschrikking te tonen aan het slachtoffer die, met een vuurwapen in de broeksband, naar verdachte toeliep.


Er was sprake van een situatie waarin zowel het slachtoffer als de verdachte beschikten over een vuurwapen. Indien door de aanwezigheid van vuurwapens een dreigende situatie ontstaat, is het daadwerkelijk gebruiken daarvan door de een ten opzichte van de ander niet gerechtvaardigd als de ander zijn wapen (nog) in de broeksband heeft. Het door de verdachte laten zien aan het slachtoffer dat hij ook een wapen bij zich had, was naar het oordeel van de rechtbank in deze omstandigheid een voldoende adequaat middel om zich te weren tegen het onmiddellijk dreigende gevaar, afkomstig van het slachtoffer. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte zich niet met succes kan beroepen op noodweer. Voorts is gesteld noch gebleken dat de verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging.


Het verweer wordt verworpen.


Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Putatief noodweer

Een beroep op putatief noodweer dient te worden beoordeeld vanuit de situatie zoals deze zich ten tijde van het te beoordelen feit voordeed. Van putatief noodweer is sprake wanneer iemand verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Een beroep op putatief noodweer kan slagen in het geval iemand denkt te worden aangerand, terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet het geval is.


Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep op noodweer is overwogen kan bespreking van dit verweer achterwege blijven. De door de rechtbank aanwezig geachte noodweersituatie sluit immers uit dat sprake is van putatief noodweer.


Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft op klaarlichte dag in een vrij drukke winkelstraat het slachtoffer van dichtbij vanuit een auto met een vuurwapen neergeschoten. Het slachtoffer is door één kogel in zijn borst geraakt en ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

De verdachte heeft door zijn handelen de nabestaanden van het slachtoffer groot en onherstelbaar leed berokkend. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten onrust en angst veroorzaken in de samenleving. Dat geldt te meer nu winkelend publiek en winkeliers getuige zijn geweest van het schietincident en de afloop daarvan. Voorts acht de rechtbank het kennelijke gemak waarmee de verdachte omgaat met het bezit en gebruik van een vuurwapen uitermate zorgwekkend. Dat hij het vanzelfsprekend vindt om met grote regelmaat een vuurwapen bij zich te dragen, ook in de openbare ruimte, geeft te denken.


Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 maart 2015 reeds eerder is veroordeeld, waaronder ook voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank ziet geen reden voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen, zoals door de verdediging is bepleit. Dat feit is, zoals gezegd, op zich zelf al een ernstig feit en rechtvaardigt een gevangenisstraf van een aantal maanden.


Anderzijds zal de rechtbank enigszins rekening houden met de achtergrond van de noodweersituatie die zich voorafgaand aan het schietincident heeft afgespeeld.


Alles afwegend wordt de hierna te noemen straf passend en geboden geacht.



VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van het onder 1. tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.160,69 aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente.


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.730,69 (uitvaart, urn en bloemstukken).


De verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit.

Subsidiair heeft de verdediging - evenals de officier van justitie - bepleit dat de reiskosten van familieleden en de inzet van een brassband voor de stille tocht die voor het slachtoffer is gehouden, niet voor toewijzing vatbaar zijn.


Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op

€ 1.730,69 (kosten uitvaartverzorging, aanschafkosten van de urn en bloemstukken), vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij zal voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.


Nu de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.




TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.



BESLISSING


De rechtbank:


verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], toe tot een bedrag van € 1.730,69, (zeventienhonderddertig euro en negenenzestig cent) bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;


bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;


verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.730,69 (hoofdsom zeventienhonderddertig euro en negenenzestig cent), beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.





Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. A. Verweij en A.J.M. van Breevoort, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2015.




Bijlage I bij vonnis van:14 april 2015



TEKST TENLASTELEGGING.



Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

(van korte afstand) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op, althans

in de richting van, die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] in zijn borst,

althans in zijn lichaam is geraakt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2.

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Rotterdam een (vuur)wapen van categorie

II of III, te weten een semi-automatisch pistool, merk FEG, model PA-63,

althans een soortgelijk wapen, voorhanden heeft gehad;