Rechtbank Rotterdam, 17-04-2015 / ROT-15_1986


ECLI:NL:RBROT:2015:2662

Inhoudsindicatie
Wet Bibob. Weigering exploitatievergunning en DHW-vergunning voor horecagelegenheid binnen wellnesscentrum. Tweede keer voorlopige voorziening gevraagd, nadat eerder afgewezen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden over financiele situatie of onrechtmatigheid besluit. Voorziening opnieuw afgewezen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-04-17
Zaaknummer
ROT-15_1986
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht


Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 15/1986


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[naam] B.V., te [plaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. C.J.M. Stubenrouch,


en


de burgemeester van de gemeente Binnenmaas, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.M. Vaassen.



Procesverloop


Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft verweerder de aanvragen van verzoekster om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning ten behoeve van de horecagelegenheid binnen het wellnesscentrum “[naam]” afgewezen.


Tegen dit besluit heeft verzoekster op 9 september 2014 bezwaar gemaakt. Tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Verzoekster heeft in haar bezwaar verweerder verzocht om de bezwaarprocedure over te slaan en rechtstreeks beroep in te stellen bij de rechtbank. Bij brief van 1 oktober 2014 heeft verweerder ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep. De rechtbank heeft ingestemd met het rechtstreeks beroep en het beroep geregistreerd onder zaaknummer ROT 14/6264.


Bij uitspraak van 20 oktober 2014, zaaknummer ROT 14/6261, heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om in samenhang met dit rechtstreekse beroep een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.


Verweerder heeft op 21 oktober 2014 in het beroep onder meer een aantal stukken ingediend waarvan hij heeft verzocht de kennisname te beperken tot de rechtbank. Verzoekster heeft daarmee ingestemd. Het verzoek is door de rechter-commissaris gerechtvaardigd geacht.


Op 24 maart 2015 heeft verzoekster de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Namens verzoekster is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van [eigenaar verzoekster]. Verder zijn verschenen [eigenaar wellness-B.V.] en [belastingadviseur]. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen, vergezeld van T. van Kralingen en P. van Dijk.



Overwegingen


1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.


2.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen (de drank- en horecavergunning).


Op grond van artikel 27, derde lid, van de DHW kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.


2.2.

Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Binnenmaas 2010 1ste herziening april 2012 is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester (exploitatievergunning).


2.3.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) kan een bestuursorgaan, voor zover dat bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid heeft gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Op grond van het vijfde lid vindt de weigering bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Op grond van het achtste lid wordt in dit artikel mede verstaan onder strafbaar feit: een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.


Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door de burgemeester worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.


3.1.

De horecagelegenheid van verzoekster is gevestigd in het pand aan [straat] te[plaats](het pand), dat eigendom is van [persoon]. In het pand wordt een sportcentrum geëxploiteerd door [naam] B.V. (de sportschool-B.V.) en wordt een wellnesscentrum onder de naam “[naam]” (het wellnesscentum) geëxploiteerd door [naam] B.V. (de wellness-B.V.). Van beide ondernemingen is [eigenaar wellness-B.V.] bestuurder en enig aandeelhouder. De horecagelegenheid van verzoekster is ten behoeve van het sportcentrum en het wellnesscentrum.


3.2.

Verweerder heeft op eerdere aanvragen om een exploitatievergunning en drank- en horecavergunning ten behoeve van de horecagelegenheid in het pand voor de sportschool-B.V. door [voormalig leidinggevende] (moeder van [eigenaar wellness-B.V.] en ex-echtgenote van [persoon]) en later voor de wellness-B.V. door [eigenaar wellness-B.V.] afwijzend beslist op grond van artikel 3 van de Wet Bibob. Hieraan ten grondslag lag, voor zover van belang, een samenwerkingsverband tussen de aanvragers en [persoon]. [persoon] werd daarbij in verband gebracht met voor de exploitatie van een horecabedrijf relevante strafbare feiten, te weten de onherroepelijk vaststaande veroordelingen voor opzetheling en voor witwassen tezamen met handelen in strijd met de Opiumwet (cocaïnehandel). In de uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1050, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het kader van de eerste afwijzing geoordeeld dat de aangevraagde vergunningen het plegen van deze strafbare feiten kunnen faciliteren en om die reden verweerders standpunt dat een horecagelegenheid in een sportcentrum als dat van de sportschool-B.V, onder meer vanwege de laagdrempeligheid daarvan, een goede mogelijkheid biedt om te handelen in verdovende middelen en gestolen goederen en de opbrengsten hiervan wit te wassen, niet onjuist geacht.


3.3.

Op 26 november 2013 heeft verzoekster bij verweerder aanvragen ingediend om exploitatievergunning en drank- en horecavergunning ten behoeve van een horecagelegenheid in het wellnesscentrum binnen het pand.


Bij brief van 11 februari 2014 heeft verweerder verzoekster bericht dat advies zal worden gevraagd over de gevraagde vergunningen bij het Landelijk Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (het Bureau).


Bij besluit van 14 februari 2014 heeft verweerder, na berichten in de media over de aanstaande opening van het wellnesscentrum, verzoekster gelast, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per week en met een maximum van € 50.000,-, om geen (alcoholische) dranken en spijzen te verstrekken via de horecagelegenheid binnen het wellnesscentrum zonder in het bezit te zijn van een exploitatievergunning en een DHW-vergunning. Verzoekster is vanaf 14 februari 2014 desondanks de horecagelegenheid zonder vergunningen gaan exploiteren en heeft de maximale dwangsom inmiddels verbeurd.


Op 8 april 2014 heeft het Bureau verweerder negatief over de gevraagde vergunningen geadviseerd. Verweerder heeft naar aanleiding van de door verzoekster ingebrachte zienswijze op het voornemen tot weigering op grond van dit advies nader advies gevraagd bij het Bureau. Het Bureau heeft het negatief advies gehandhaafd.


3.4

Verweerder heeft vervolgens de vergunningen op 6 augustus 2014 aan verzoekster geweigerd op grond van artikel 3 van de Wet Bibob. Aan de weigering ligt (kort gezegd) ten grondslag een samenwerkingsverband tussen verzoekster en haar eigenaar, [eigenaar verzoekster], enerzijds en [eigenaar wellness-B.V.]en [persoon]anderzijds, waarbij [persoon] in verband wordt gebracht met voor het exploiteren van een horeca-onderneming relevante strafbare feiten. Die strafbare feiten van [persoon] betreffen enerzijds de (hierboven genoemde) veroordelingen voor opzetheling en voor witwassen tezamen met handelen in strijd met de Opiumwet (cocaïnehandel) en anderzijds het stelselmatig handelen in strijd met de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) door geen aangifte te doen over de jaren 2005 tot en met 2011 van bezit van onroerend in Nederland, terzake waarvan verzuimboetes zijn opgelegd door de Belastingdienst. Het met de eerste feiten verkregen financieel voordeel is ontnomen, maar gevaar bestaat op herhaling van deze delicten en dat het daarmee verkregen financieel voordeel via de horecagelegenheid wordt witgewassen. Het met de tweede feiten verkregen financieel voordeel, dat zeer groot is, kan worden ingezet via de horecagelegenheid terwijl tevens gevaar bestaat op verder handelen in strijd met de AWR.


3.5.

Bij besluit van 30 december 2014 is verweerder tot invordering van de verbeurde dwangsom overgegaan door inning daarvan bij verzoekster vanaf maart 2015 in twaalf maandelijkse termijnen. Bij een tweede besluit van 30 december 2014 heeft verweerder verzoekster gelast, onder aanzegging van sluiting onder bestuursdwang, uiterlijk op 12 februari 2015 de verstrekking zonder benodigde vergunningen van (alcoholische) dranken en spijzen via de horecagelegenheid binnen het wellnesscentrum te beëindigen. Verzoekster heeft vervolgens vanaf 12 februari 2015 de horecagelegenheid in het wellnesscentrum gesloten, nadat bij uitspraak van 12 februari 2015 van de voorzieningenrechter (ECLI:NL:RBROT:2015:890) het verzoek om voorlopige voorziening betreffende de bestuursdwang was afgewezen.


4.1.

Zoals hierboven onder 1. is overwogen, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank op 20 oktober 2014 op een eerder verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster ten aanzien van de weigering van de gevraagde vergunningen voor de horecagelegenheid in het wellnesscentrum beslist.


4.2.

Dit verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen op de grond dat er geen sprake was van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat het mogelijk financieel nadeel van verzoekster niet kan worden toegeschreven aan de weigering door verweerder van de benodigde vergunningen en dat verzoekster voor de onderneming geen investeringen heeft behoeven te doen. De voorzieningenrechter heeft daartoe verder overwogen dat niet is gebleken van apert onrechtmatige besluiten met de geweigerde vergunningen. De voorzieningenrechter zag geen aanwijzingen om het standpunt van verweerder dat verzoekster en haar eigenaar in een zakelijk samenwerkingsverband staan tot [persoon] en daarmee in relatie tot diens strafbare feiten, te betwijfelen.


4.3.

Dit oordeel is in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het beroep is beslist. Er is dan ook geen aanleiding voor een nieuwe beoordeling, tenzij er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. De voorzieningenrechter zal dan ook beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden.


5.1.

Aan het thans voorliggende verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat, anders dan ten tijde van de beoordeling door de voorzieningenrechter in oktober 2014, zij nu een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel vanwege haar nijpende financiële positie. Verzoekster heeft vanaf 12 februari 2015 geen inkomsten meer als gevolg van de door verweerder afgedwongen sluiting van haar horecagelegenheid. Ook het wellnesscentrum is niet langer levensvatbaar als de bezoekers geen mogelijkheid tot eten of drinken kan worden geboden. De behandeling door de rechtbank van de beroepen van verzoekster en de wellness-B.V. tegen de weigering van de benodigde vergunningen voor de horecagelegenheid is pas op 8 juni 2015 gepland. Onder de huidige omstandigheden zullen verzoekster en de wellness-B.V. echter tegen die tijd naar verwachting al failliet verklaard zijn, dit terwijl verzoekster verwacht dat in beroep de onrechtmatigheid van de weigering van de gevraagde vergunningen zal komen vast te staan. Verzoekster wijst in dat verband naar jurisprudentie, waaronder twee uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1109) en van 6 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1553) in volgens haar vergelijkbare gevallen.


5.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken zij in een zodanige financiële noodsituatie zal komen te verkeren dat de uitspraak op haar beroep niet kan worden afgewacht.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar financiële situatie een door haar belastingadviseur opgestelde lijst van kosten en baten van de horecagelegenheid over de periode van augustus 2014 tot en met maart 2015 overgelegd. Vast staat dat verzoekster na de sluiting van de horecagelegenheid in zoverre geen inkomsten meer genereert.

Verzoeksters betoog dat zij de komende periode € 24.000,- aan personele kosten per maand zal hebben vanwege zes personeelsleden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, is op geen enkele wijze onderbouwd. Er zijn geen arbeidsovereenkomsten overgelegd. Daarbij komt dat verzoekster in haar beroepschrift nog stelde dat zij, met uitzondering van de bedrijfsleider die op basis van detachering via de wellness-B.V. voor haar werkt, alleen personeel via uitzendbureaus inhuurt.

Voorts is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoekster de wellness-B.V. als verpachter van de horecagelegenheid pacht en servicekosten van € 7000,- per maand verschuldigd is. Er is echter niet gebleken van opeisbare schulden aan de verpachter of de leverancier van verzoekster (eveneens de wellness-B.V.).


5.3.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekster evenmin nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat nu wel, anders dan ten tijde van de eerdere beoordeling door de voorzieningenrechter op 20 oktober 2014, sprake is van een kennelijk apert onrechtmatig besluit ten aanzien van de weigering van de gevraagde vergunningen. De in dat verband aangehaalde uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2015 en 6 maart 2015 betreffen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen gelijke gevallen, reeds omdat in die zaken alleen sprake was van onregelmatigheden in de belastingaangifte zonder bijkomende strafbare feiten.


5.4.

Nu er geen aanleiding is om kennelijk aan de rechtmatigheid van de weigering van de gevraagde vergunningen te twijfelen, ziet de voorzieningenrechter evenmin grond om uit coulance vanwege het belang van het wellnesscentrum bij een horecavoorziening in het pand voor haar bezoekers de voorziening te treffen dat het verzoekster wordt toegestaan gedeeltelijk en onder voorwaarden haar horecagelegenheid te exploiteren totdat op het beroep is beslist. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster en het wellnesscentrum de horecagelegenheid een jaar lang illegaal in weerwil van waarschuwingen en dwangsombesluiten van verweerder in stand hebben gehouden en ter zitting is gebleken van alternatieve mogelijkheden voor het wellnesscentrum om haar bezoekers van eten en drinken te voorzien.


6. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2015.






griffier voorzieningenrechter



Afschrift verzonden aan partijen op:







Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.