Rechtbank Rotterdam, 17-04-2015 / 3887635 - VZ VERZ 15-3598


ECLI:NL:RBROT:2015:2668

Inhoudsindicatie
Ontbinding arbeidsovereenkomst vanwege verval van de functie als gevolg van reorganisatie. Ter zake de vergoeding is er geen aanleiding om af te wijken van het sociaal plan dat is overeengekomen tussen de werkgever en representatieve vakorganisaties.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-04-17
Zaaknummer
3887635 - VZ VERZ 15-3598
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/673
  • AR-Updates.nl 2015-0363
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3887635 / VZ VERZ 15-3598


uitspraak: 17 april 2015


beschikking ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter,

zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EQIN B.V.,

gevestigd te Rozenburg, tevens te Botlek Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. C.D. van den Berg te Haarlem,


tegen


[verweerder] ,

wonende te Waddinxveen,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn.


Partijen worden hierna “EQIN” respectievelijk “[verweerder]” genoemd.


1Het verloop van de procedure

1.1

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ter griffie ontvangen:

  • - het verzoekschrift, met producties, ter griffie ontvangen op 20 februari 2015;
  • - het verweerschrift, met producties;
  • - het e-mailbericht van de gemachtigde van EQIN d.d. 27 maart 2015, met aanvullende producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2015.

Namens EQIN zijn de heer [Z.](Logistiek Directeur) en mevrouw [B.]

(HR Manager) verschenen, bijgestaan door mr. C.D. van den Berg. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.F. Keuchenius. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij EQIN pleitaantekeningen en een aanvullende productie heeft overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat EQIN in de gelegenheid wordt gesteld om op het punt van de loonschalen het een en ander over te leggen en dat [verweerder] daarop mag reageren.


1.3

Bij fax van 30 maart 2015 heeft de gemachtigde van EQIN een drietal producties overgelegd. Bij fax van 1 april 2015 heeft de gemachtigde van [verweerder] een antwoordakte genomen.


1.4

De beschikking is nader bepaald op heden.


2De feiten

Als gesteld door de ene partij en niet, dan wel onvoldoende, betwist door de andere partij en op grond van de niet weersproken inhoud van de producties wordt uitgegaan van het volgende.


2.1

EQIN is gespecialiseerd in de verhuur, verkoop en het onderhoud van industrieel materieel voor onder meer lucht, licht en stroomvoorzieningen. Zij heeft diverse vestigingen in Nederland en een kleine vestiging in België en Duitsland. EQIN is een zelfstandige dochter van Stork Technical Services Holding B.V. (hierna: “Stork”).


2.2

[verweerder], geboren op [geboortedatum in 1963], is op 1 augustus 2012 bij EQIN in dienst getreden in de functie van Unit Manager I (West). Zijn salaris bedraagt thans € 7.036,-- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.


2.3

Bij brief van 12 november 2014 heeft EQIN een adviesaanvraag ex artikel 25 WOR bij de ondernemingsraad (hierna: “de OR”) neergelegd omtrent haar voornemen om de organisatie te wijzigen en het personeelsbestand in Nederland met 40 arbeidsplaatsen te reduceren.


2.4

EQIN heeft een lijst met de door haar geselecteerde boventallige werknemers, waarin onder meer is vermeld dat de functie van Unit Manager I als unieke functie is komen te vervallen, ter toetsing voorgelegd aan een extern adviseur, de heer [H.] (hierna: “[H.]”). Op 10 december 2014 heeft [H.] het volgende aan EQIN medegedeeld:

“(…)

De lijst met boventalligen met de argumentatie is door mij getoetst op correcte toepassing van de regels van het ontslagbesluit. Ik heb hierbij tevens gekeken naar consistentie op de adviesaanvraag aan de Ondernemingsraad van EQIN.


Er is sprake van een correcte toepassing zodat ik kan instemmen met de voorliggende boventalligen lijst.

(…)”


2.5

Op 15 december 2014 heeft de OR haar advies gegeven. In haar adviesrapport is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

A. Inleiding

De ondernemingsraad is deels meegenomen in de onderzoeken naar effectiviteit, efficiency en Sales. Gaande dit traject werd steeds duidelijker dat het uiteindelijk om een ingrijpende reductie van arbeidsplaatsen zou gaan. (…)


Op basis van de drie onderzoeken: BOLT, Scope en SEP is de organisatie op allerlei manieren doorgelicht en heeft het management het Businessplan 2015 opgesteld. Daarin zijn de keuzes bepaald, is de stip op de horizon uitgezet en gaat het nu om het HOE.

(…)


De OR is van mening dat met name door de gesprekken met zijn Bestuurder, HRM en Sales er een bredere en meer passende invulling is gegeven aan de oorspronkelijke plannen. Helaas betekent dit dat er in een moeilijke arbeidsmarkt afscheid genomen wordt van wel heel veel collega’s. (…)


Sociaal plan EQIN BV en EQIN Industrial BV, 3 december 2014

(…)

Bestuurder en OR hebben beide hard afgesproken dat het nieuwe, nu ter stemming voorliggende Sociaal Plan, van toepassing moet zijn op deze reorganisatie. (…)


Overleg en gesprekken

De Ondernemingsraad is op de hoogte gesteld van de onderzoeken en voor het onderzoek SCOPE is vooraf conform de wet advies gevraagd aan de raad. (…)

Belangrijk is dat beide partijen begrip hebben voor de hoofdlijnen van reorganisatie met name voor het B (G&A + BOLT) en het C (SCOPE) deel. Hierbij is er met name behoefte bij de OR om meer zicht te krijgen en betrokken te worden bij het Hoe. Het A deel (SEP) gaf meer problemen. (…)

Uiteindelijk zijn er basisafspraken gemaakt die na vertaling in Plannen van Aanpak het vertrouwen krijgen van de Bestuurder en de OR gezamenlijk.

Niet op voorhand, want de uitwerking en besprekingen van de plannen van aanpak eisen nog de nodige zorg. (…)


Besluit

De OR wacht onder nadrukkelijke verwijzing van de gemaakte afspraken uw schriftelijk besluit naar aanleiding van deze adviezen af. Vervolgens zal de OR u per omgaande aangeven of uw besluit dan aanleiding geeft voor een vervolgafspraak of dat er na instemming met het Sociaal Plan direct gestart kan worden met de uitvoering.


De Ondernemingsraad vindt het lastig dat andere oplossingen waarbij er geen afscheid genomen zou worden van collega’s niet mogelijk was. De financiële situatie eist nu ingrijpen en in die afweging is dit een stevige discussie geweest. Uit eindelijk betreurt de OR deze, gezien de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, uiterst vervelende maar noodzakelijke stap in het voortbestaan van EQIN.

(…)”


2.6

Op 15 december 2014 zijn Stork enerzijds en de vakverenigingen (zijnde FNV Bondgenoten, CNV Vakmensen, De Unie en VHP2) anderzijds een sociaal plan ten behoeve van de reorganisatie binnen EQIN (alsmede EQIN Industrial B.V.) overeengekomen. In het sociaal plan is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Onderhavige overeenkomst zal gelden als een Collectieve Arbeidsovereenkomst in de zin van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst en heeft een looptijd van 1 december 2014 tot 31 december 2015.

(…)


HOOFDSTUK 3 PROCEDURE


Artikel 3.1 Algemeen

Uitsluitend op basis van de wettelijke bepalingen en met name het ‘Ontslagbesluit’ zullen door de werkgever medewerkers aangewezen worden die als gevolg van de reorganisatie hun functie verliezen. De aldus opgestelde ontslaglijst van de voor ontslag geselecteerde medewerkers zal door een door Stork en de vakverenigingen gezamenlijk aan te wijzen derde deskundige getoetst worden aan voornoemd ontslagbesluit. Eerst nadat de lijst door de derde deskundige akkoord is bevonden en de adviesprocedure ex artikel 25 WOR is afgerond, krijgen de op de lijst vermelde medewerkers de status van boventallige medewerker.

(…)


Artikel 3.3 Ontslagaanzegging met overhandiging beëindigingsovereenkomst

(…)

Indien de medewerker de beëindigingsovereenkomst niet binnen 1 maand ondertekend retourneert (waardoor de opzegtermijn aanvangt op de eerst van de volgende kalendermaand) dan verzoekt de werkgever de bevoegde kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden met toepassing van het sociaal plan.


Voor de medewerker geldt dat de kosten van de werkgever voor de termijn dat de medewerker door de ontbindingsprocedure langer in dienst is, worden afgetrokken van de vergoeding op grond van het bepaalde in hoofdstuk 4.

(…)”


2.7

Bij brief van 15 december 2014 heeft EQIN aan de OR medegedeeld dat zij heeft besloten de voorgenomen reorganisatie uit te zullen voeren met inachtneming van de adviezen van de OR.


2.8

Bij brief van 15 december 2014 heeft EQIN aan [verweerder] medegedeeld dat zijn arbeidsplaats in het kader van de reorganisatie is komen te vervallen en dat hij per direct is vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden met behoud van zijn salaris. Bij de brief is tevens een vaststellingsovereenkomst gevoegd, waarin is vermeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 maart 2015 zal eindigen onder toekenning van een ontslagvergoeding conform het sociaal plan, zijnde een in termijnen uit te betalen bedrag van € 34.195,50 bruto.


2.9

[verweerder] heeft geweigerd de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen.


3Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, onder toekenning van een vergoeding van € 34.195,50 bruto met aftrek van de kosten van EQIN voor de termijn dat [verweerder] door de ontbindings-procedure langer in dienst is, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.


3.2

Aan het verzoek is een verandering in de omstandigheden, zijnde het verval van de functie van [verweerder] als gevolg van de reorganisatie, ten grondslag gelegd. EQIN heeft – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

De functie van [verweerder] is uniek binnen EQIN, zodat het afspiegelingsbeginsel toepassing mist. Dit is ook bevestigd door [H.] bij zijn toetsing. In de oude situatie was Unit Manager I (West) inhoudelijk gezien een geheel andere en zwaardere functie dan die van vestigingsleider HUB (in Noord, Zuid en België), aangezien de ‘span of control’ en de omzetverantwoordelijkheid behorende bij de functie van [verweerder] aanzienlijk groter waren dan die van HUB-leider. Bovendien werd [verweerder] twee schalen hoger beloond, schaal O in plaats van M. Ter onderbouwing daarvan heeft EQIN na de zitting een overzicht van de salarisschalen alsmede de salarisstroken van de drie voormalige HUB-leiders (de heren

[V.], [K.] en [S.]) overgelegd, met toelichting.

Mede als gevolg van het SCOPE project (met als doel verbetering van de operationele processen) heeft de reorganisatie ertoe geleid dat de Operations organisatie is opgesplitst in een Organisatie Techniek en een Organisatie Logistiek. In de nieuwe situatie zijn de taken en verantwoordelijkheden van [verweerder] opgesplitst en ondergebracht bij andere afdelingen en is de unieke functie van [verweerder] komen te vervallen. De HUB-leiders zijn herplaatst in de functie van Logistiek Manager (tevens schaal M).


3.3

De medewerkers die boventallig zijn, worden gewezen op het vacatureoverzicht op Intranet en er wordt door afdeling personeelszaken ook wel degelijk gezocht binnen het gehele Stork-concern. Er zijn echter op het niveau van [verweerder] geen passende functies voorhanden en [verweerder] heeft zelf ook geen vacature aangedragen.


3.4

De door EQIN aangeboden vergoeding is conform het sociaal plan en EQIN kan daarop geen uitzondering maken. Alle andere medewerkers hebben de vaststellingsovereenkomst ondertekend en zijn reeds uit dienst. Voor het bepalen van de vergoeding wordt verzocht rekening te houden met artikel 3.3 van het sociaal plan en de daarin omschreven betalingswijze van de vergoeding (namelijk in termijnen).


3.5

Het ontbindingsverzoek houdt geen verband met enig opzegverbod.


4Het verweer

4.1

Het verweer strekt ertoe de verzochte ontbinding af te wijzen althans de ontbinding niet toe te wijzen zonder toekenning van een vergoeding van (tenminste) € 34.195,50, te vermeerderen met de kosten van noodzakelijke rechtsbijstand ad € 3.500,-- exclusief BTW.


4.2

Primair meent [verweerder] dat het verzoek dient te worden afgewezen, nu zijn functie binnen EQIN niet is komen te vervallen en er geen sprake is van een verandering in de omstandigheden. [verweerder] heeft daartoe aangevoerd dat zijn functie wel degelijk uitwisselbaar is met die van HUB-leider. In de organogram van de oude situatie is zijn functie immers op hetzelfde niveau geplaatst als die van de HUB-leiders. Bovendien worden zowel hij als de HUB-leiders Operations Managers genoemd. Dat zijn functie een andere naam kent, is historisch verklaarbaar. Aanvankelijk vervulde [verweerder] als opdrachtnemer de functie van HUB-leider ‘ad interim’. Na een half jaar is de overeenkomst bij gelijkblijvende inhoud omgezet in een arbeidsovereenkomst. [verweerder] kwam op een iets hoger salaris in dienst dan de bestaande HUB-leiders en daar moest een passende formule voor worden gevonden, hetgeen gebeurde door middel van de benaming. Nu de HUB-leiders door EQIN zijn geplaatst in de functie van Logistiek Manager is de functie van Logistiek Manager West inhoudelijk gelijk aan de functie van Unit Manager I.

Ten aanzien van de door EQIN na de zitting overgelegde producties, heeft [verweerder] het verweer gevoerd dat de voormalige HUB-leiders recentelijk de functie van Operations Manager zijn gaan vervullen, maar klaarblijkelijk zonder dat hun loonschaal is aangepast. De Operations Managers die de HUB-leiders opvolgden, de heren [W.] en [R.], vielen namelijk wel in schaal N. Vergeleken had dan ook moeten worden met de heren [W.] en [R.]toen zij nog de functie van Operations Manager vervulden. [verweerder] blijft dan ook bij zijn betwisting dat de andere drie Operations Managers twee loonschalen lager waren ingedeeld.

Er kan op goede gronden worden aangenomen dat [H.] niet goed is ingelicht over bovengenoemde feiten met betrekking tot de functie van [verweerder].


4.3

Subsidiair meent [verweerder] dat het slecht denkbaar is dat hij, mede gezien de omvang van het Stork-concern, niet herplaatsbaar zou zijn. Er blijkt van geen enkel onderzoek op dit punt.


4.4

Meer subsidiair voert [verweerder] verweer tegen het bepaalde in artikel 3.3 van het sociaal plan. [verweerder] voert aan dat hij niet op zijn vergoeding mag worden gekort wegens de enkele gebruikmaking van het recht om het beweerdelijke verval van zijn arbeidsplaats zelf te onderzoeken en deze te doen beoordelen door een juridisch adviseur. Bovendien is de kantonrechter niet gebonden aan een sociaal plan en mag hij de redelijkheid daarvan en de toepassing in individuele gevallen zelfstandig beoordelen.


4.5

Ten slotte heeft [verweerder] aan het einde van de zitting, met een beroep op artikel 5 EVRM (noot kantonrechter: bedoeld zal zijn artikel 6 EVRM), bezwaar gemaakt tegen het feit dat EQIN eerst ter zitting met nieuwe informatie is gekomen. Hij heeft daarom verzocht slechts de schriftelijke processtukken die voorafgaand aan de zitting zijn overgelegd bij de beoordeling te betrekken.


5De beoordeling

5.1

EQIN heeft gesteld dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod, hetgeen door [verweerder] niet is betwist, en er is geen aanleiding om daar anders over te oordelen, zodat de kantonrechter dit standpunt deelt.


5.2

Vooropgesteld wordt het volgende. Met zijn verzoek om bij de beoordeling uitsluitend rekening te houden met de schriftelijke processtukken die voorafgaand aan de zitting zijn overgelegd, wordt [verweerder] geacht een beroep te doen op artikel 6 EVRM dat ziet op het recht op een eerlijk proces. Dit beroep wordt afgewezen. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen kennis genomen van het verzoekschrift, het verweerschrift en de door EQIN overgelegde aanvullende producties. Ter zitting hebben partijen hun stellingen nader toegelicht en hebben zij voldoende gelegenheid gehad om op elkaars standpunten te reageren. Aangezien er nog op het punt van loonschalen onduidelijkheid bestond, is EQIN toegestaan om nadere producties over te leggen. Vervolgens heeft [verweerder] kunnen reageren op deze producties. Hiermee is het beginsel van hoor en wederhoor voldoende toegepast en niet gebleken is dan ook dat in strijd met artikel 6 EVRM is gehandeld.


5.3

De noodzaak tot reorganisatie is niet door [verweerder] betwist en is daarnaast ook voldoende gebleken uit de adviesaanvraag aan de OR, het adviesrapport van de OR en het sociaal plan. Voorts wordt opgemerkt dat EQIN conform artikel 25 WOR heeft gehandeld door de OR in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over de door haar voorgenomen reorganisatie en na het adviesrapport op 15 december 2014 het besluit te nemen om de reorganisatie uit te voeren met inachtneming van de adviezen van de OR.


5.4

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil de vraag of de functie van [verweerder] als gevolg van de reorganisatie binnen EQIN is komen te vervallen. Daar waar EQIN stelt dat de functie van [verweerder] een unieke functie betreft zodat afspiegeling niet aan de orde is, meent [verweerder] dat zijn functie uitwisselbaar is met die van HUB-leider zodat het afspiegelingsbeginsel onjuist door EQIN is toegepast. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.


Uitwisselbare functies zijn functies die naar functie-inhoud, vereiste kennis en vaardigheden en vereiste competenties vergelijkbaar en naar niveau en beloning gelijkwaardig zijn. De functies moeten op de beoordeelde factoren uitwisselbaar zijn met elkaar, dus onderling en vice versa.


Ter zitting heeft EQIN gesteld dat de ‘span of control’ en de omzetverantwoordelijkheid behorende bij de functie Unit Manager I aanzienlijk groter waren dan die van de HUB-leider. Daar waar de HUB-leider leiding gaf aan 14 tot 35 werknemers (direct en indirect) en verantwoordelijk was voor een afdeling waarin 7 tot 10 miljoen euro omzet werd behaald, had [verweerder] leiding over 85 (6 direct en 79 indirect) werknemers die een omzet genereerden van 20 miljoen euro, aldus EQIN. [verweerder] heeft dit niet, althans niet voldoende, betwist. Voorts valt uit de organogram van de Operations organisatie van EQIN in de oude situatie af te leiden dat [verweerder] leiding gaf aan meer afdelingen dan de HUB-leiders, waaronder een grotere Techniek-afdeling. Zo vielen de grotere reparaties, de zogenaamde 3e lijnsreparaties, in beginsel onder de verantwoordelijkheid van [verweerder].


Verder heeft EQIN gesteld dat de functie van [verweerder] zich bevond in loonschaal O, terwijl de functie van HUB-leider twee schalen lager werd beloond, namelijk loonschaal M. Uit het door haar overgelegde overzicht van de salarisschalen alsmede de salarisstroken van de HUB-leiders (Noord, Zuid en België), blijkt niet alleen dat de functies van HUB-leider Noord en Zuid in M zijn ingeschaald – de functie van HUB-leider België valt onder een andere schaal –, maar ook dat het salaris van [verweerder] minstens 30% hoger ligt dan die van de drie HUB-leiders.

Het na de zitting gevoerde verweer van [verweerder] dat zijn loon had moeten worden vergeleken met die van de heren [W.] en [R.], nu de voormalige HUB-leiders hen hebben opgevolgd in de functie van Operations Manager, kan niet worden gevolgd. In de oude situatie was de heer [W.] Operations Director en leidinggevende van [verweerder] en was de heer [R.] Manager Projecten. Hun functies waren derhalve wezenlijk anders dan die van [verweerder] en de HUB-leiders, zodat geenszins valt in te zien waarom het loon van [verweerder] met die van hen vergeleken had moeten worden.


Uit het voorgaande vloeit voort dat Unit Manager I qua functie-inhoud een aanmerkelijk zwaardere functie was dan die van HUB-leider, zodat de vereiste competenties niet worden geacht vergelijkbaar te zijn. Bovendien werd Unit Manager I twee schalen hoger beloond, hetgeen duidt op een verschil in functie-niveau. Het een en ander leidt tot het oordeel dat de functies niet onderling met elkaar uitwisselbaar zijn.


Conform artikel 3.1 van het sociaal plan is de lijst met boventallige werknemers – waarin is vermeld dat Unit Manager I een unieke functie betreft die vervalt – voorgelegd aan een externe deskundige, [H.], die de lijst heeft getoetst op correcte toepassing van de regels van het ontslagbesluit en dus ook of de afspiegeling juist is toegepast. De stelling van [verweerder] dat [H.] daarbij niet goed zou zijn ingelicht, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Voorts wordt in aanmerking genomen dat de functie van Unit Manager I in het kader van de reorganisatie is uitgekleed, in die zin dat de Techniek-afdeling (waaronder Reparatie & Onderhoud) naar de Organisatie Techniek is overgeplaatst en dat de afdelingen Magazijn & baliewerkzaamheden, Materieelplanning & Transport, Administratie en Facilitair Management zijn verplaatst binnen de Organisatie Logistiek.

Dit alles overziend, is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functie van Unit Manager I een unieke functie betreft die is komen te vervallen, zodat afspiegeling niet aan de orde is.


5.5

De stelling van [verweerder] dat hij in aanmerking komt voor de functie van Logistiek Manager West wordt verworpen. Deze functie is qua inhoud en niveau vergelijkbaar met die van HUB-leider. Niet voor niets zijn de HUB-leiders (Noord, Zuid en België) doorgestroomd naar de functie van Logistiek Manager (Noord, Zuid en België).

Met een verschil van 2 loonschalen is de functie niet passend voor [verweerder].


Nu [verweerder] voor het overige geen vacatures heeft aangedragen waarvoor hij in aanmerking zou kunnen komen en EQIN heeft gesteld dat er geen passende functies voorhanden zijn binnen EQIN of Stork-breed, is niet aannemelijk geworden dat [verweerder] herplaatsbaar is in een andere functie.


5.6

Het verval van de functie van [verweerder] en het feit dat er voor hem geen passende functie voorhanden is binnen de organisatie van Stork is een verandering in de omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve hoort te eindigen.

De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden per 1 mei 2015.


5.7

In het kader van de vaststelling van een billijke vergoeding stelt de kantonrechter vast dat het sociaal plan is overeengekomen tussen EQIN enerzijds en vier representatieve vakorganisaties anderzijds, waarbij het sociaal plan is aangemerkt als een collectieve arbeidsovereenkomst. Conform aanbeveling 3.7 van de Kring van kantonrechters heeft in dat geval te gelden dat de vergoeding voor elke af te vloeien werknemer in beginsel aan de hand van het sociaal plan vastgesteld moet worden, tenzij blijkt dat onverkorte toepassing van het sociaal plan leidt tot een evident onbillijke uitkomst voor de betrokken werknemer.

[verweerder] heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen de inhoud van artikel 3.3 van het sociaal plan op grond waarvan hij in verband met deze procedure wordt gekort op zijn vergoeding, maar heeft geen omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat dit evident onbillijk voor hem uitpakt. Daartegenover heeft EQIN terecht gesteld dat het niet zo kan zijn dat een medewerker door het voeren van een procedure langer in dienst is en daarvan financieel profiteert. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de financiële afvloeiingsregeling zoals omschreven in het sociaal plan.


[verweerder] heeft de door EQIN op basis van het sociaal plan berekende hoogte van de ontslagvergoeding ad € 34.195,50 bruto niet betwist. Indien [verweerder] akkoord was gegaan met de vaststellingsovereenkomst, was zijn arbeidsovereenkomst geëindigd per 1 maart 2015, onder toekenning van dit bedrag. Als gevolg van deze procedure is [verweerder] echter twee maanden langer in dienst. Op grond van artikel 3.3 van het sociaal plan komen de daarmee gepaard gaande kosten van EQIN, zijnde twee maandsalarissen, in mindering op de ontslagvergoeding.


De ontbindingsvergoeding aan [verweerder] wordt thans dan ook bepaald op een bedrag van

€ 18.997,50 bruto (= € 34.195,50 - € 7.599,00 - € 7.599,00).


5.8

Tevens wordt bepaald dat deze vergoeding wordt uitbetaald in termijnen zoals omschreven in artikel 4.3 sub a van het sociaal plan.


5.9

Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze.


6De beslissing

De kantonrechter:


ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2015;


kent aan [verweerder] ten laste van EQIN een vergoeding toe van € 18.997,50 bruto en veroordeelt EQIN deze vergoeding te betalen op de wijze zoals omschreven in artikel 4.3 sub a van het sociaal plan;


bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.


Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

775