Rechtbank Rotterdam, 22-04-2015 / C-10-455001 - HA ZA 14-724


ECLI:NL:RBROT:2015:2808

Inhoudsindicatie
Renvooiprocedure. Paulianeus handelen? Onrechtmatige daad? Beroep op artikel 3:45 BW slaagt niet. Zenden voorschotnota in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-05-01
Zaaknummer
C-10-455001 - HA ZA 14-724
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • INS-Updates.nl 2015-0135
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/455001 / HA ZA 14-724


Vonnis van 22 april 2015


in de zaak van


de naamloze vennootschap

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in renvooi,

advocaat mr. M. Littooij te Breda,


tegen


1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

verweerster in renvooi,

advocaat mr. drs. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MOLENWAARD,

zetelend te Bleskensgraaf,

verweerster in renvooi,

niet verschenen,

3. T. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in renvooi,

advocaat mr. drs. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam.



Partijen zullen hierna [eiser], Gemeente Rotterdam, Gemeente Molenwaard en [gedaagde] genoemd worden. Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid met Gemeente Rotterdam c.s.



1De procedure

1.1.

Deze zaak betreft een renvooiprocedure. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de rangregelingsprocedure met nummer C/10-418084/HA RK 13-93 (hierna: de rangregeling) van 27 mei 2014 blijkt onder andere het volgende:


“Mr. Littooij geeft aan de hand van een pleitnotitie, dat aan dit proces-verbaal is gehecht, een toelichting op de onderbouwing van de vordering van [eiser] N.V., en hetgeen daarover ter zitting van 22 april 2014 is besproken. (…)


De rechter-commissaris verwijst, nu hij hen niet heeft kunnen verenigen, [eiser] N.V. als eiseres en de gemeente Rotterdam, de gemeente Molenwaard en [gedaagde] als verweerders naar de rol van woensdag 9 juli 2014 voor renvooi.”


1.2.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van:

  • - de conclusie van eis in renvooi;
  • - de conclusie van antwoord in renvooi;
  • - het tussenvonnis van 22 oktober 2014;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 11 maart 2015.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

[eiser] verricht werkzaamheden voor de heer [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]) bestaande uit het verlenen van juridische bijstand en het optreden als advocaat.


2.2.

Op 13 juni 2012 heeft er in opdracht van de Gemeente Rotterdam en de Gemeente Liesveld (thans: Gemeente Molenwaard) een executieveiling plaatsgevonden waarbij dertien registergoederen, die in eigendom toebehoren aan [betrokkene1], zijn verkocht. [eiser] heeft op 13 juni 2012, voorafgaand aan deze veiling, conservatoir beslag doen leggen op voormelde registergoederen.


2.3.

Bij verstekvonnis van 17 oktober 2012 is [betrokkene1] door deze rechtbank veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 52.961,88, te vermeerderen met rente en proceskosten. Dit vonnis is op 29 november 2012 aan [betrokkene1] betekend waardoor voormeld beslag executoriaal is geworden.


2.4.

[eiser] heeft een vordering van € 52.961, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag der algehele voldoening en een totaalbedrag van € 2.411,30 aan kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na 17 oktober 2012, aangemeld bij de rechter-commissaris en verzocht om in de rangregeling te worden opgenomen.



3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht verklaart dat [eiser] een vordering heeft op [betrokkene1] zoals deze blijkt uit het tussen hen gewezen vonnis van 17 oktober 2012 en dat [eiser] voor deze vordering dient te worden toegelaten tot de rangregeling met kenmerk C/10-418084/HA RK 13-93;

[eiser] toelaat tot voornoemde rangregeling voor haar vordering zoals deze blijkt uit het vonnis van 17 oktober 2012, te vermeerderen met de kosten van betekening van dat vonnis;

de Gemeente Rotterdam c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, en met bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.


3.2.

De Gemeente Rotterdam en [gedaagde] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering van [eiser] voor zover deze betrekking heeft op betaling van de voorschotnota 20121823 van 11 juni 2012 ad € 11.900 (hierna: de voorschotnota), met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proceskosten.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] met haar vordering tot een bedrag van € 41.061,88 (en de daarover verschuldigde rente en kosten) kan worden toegelaten tot de rangregeling. De Gemeente Rotterdam en [gedaagde] hebben na renvooi erkend dat [betrokkene1] dat bedrag op grond van de betreffende facturen aan [eiser] verschuldigd is.


4.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vordering van [eiser] met betrekking tot de voorschotnota ad € 11.900 van 11 juni 2012 kan worden toegelaten tot de rangregeling.


4.3.

De Gemeente Rotterdam en [gedaagde] hebben daartoe aangevoerd dat de voorschotnota een factuur betreft voor werkzaamheden die nog niet verricht waren en ook niet behoefden te worden verricht. [eiser] had de belangen van [betrokkene1] op toevoegingsbasis kunnen behartigen. Er bestond geen noodzaak om een voorschotnota te zenden. [eiser] probeert zich door de voorschotnota een voordeliger positie te verschaffen ten aanzien van de overige schuldeisers en handelt daardoor in strijd met de gelijkheid van schuldeisers als bedoeld in artikel 3:277 BW. Aldus de Gemeente Rotterdam en [gedaagde].


4.4.

Als onbetwist staat vast dat [eiser] op 11 juni 2012 met [betrokkene1] heeft afgesproken dat zij [betrokkene1] een voorschotnota zou sturen, hetgeen [eiser] op 11 juni 2012 heeft gedaan. Daarmee heeft [betrokkene1] zich verbonden om € 11.900 aan [eiser] te betalen. Dat betekent dat [eiser] op 11 juni 2012 recht had op deze betaling.


4.5.

De rechtbank treedt niet in de vraag of het zenden van een voorschotnota op 11 juni 2012 noodzakelijk was omdat dit niet relevant is voor het bestaan van de schuld aan [eiser] ten tijde van de beslaglegging. Met betrekking tot het verweer dat [eiser] de belangen van [betrokkene1] op toevoegingsbasis had kunnen behartigen overweegt de rechtbank dat – als onbetwist – tussen partijen vast staat dat [betrokkene1] voor 13 juni 2012 niet voor een toevoeging in aanmerking kwam.


4.6.

Het verweer dat [eiser] door het zenden van de voorschotnota ‘op onaanvaardbare wijze de gelijkheid van schuldeisers doorbreekt’ wordt verworpen. De schuldeisers behouden immers een gelijke rang om uit de netto-opbrengst van de veiling te worden voldaan. Alleen is de vordering van [eiser] met € 11.900 toegenomen.


4.7.

De Gemeente Rotterdam en [gedaagde] hebben ter comparitie nog aangevoerd dat het verzenden van de voorschotnota op 11 juni 2012 in het zicht van de veiling van de registergoederen van [betrokkene1] op 13 juni 2012 paulianeus handelen is.


4.8.

Ook dit verweer wordt verworpen. De actio Pauliana geeft een schuldeiser de mogelijkheid tot vernietiging van rechtshandelingen van zijn debiteur die hem in zijn verhaalsmogelijkheden benadelen (artikelen 3:45-48 BW). Vereist voor vernietigbaarheid is onder meer dat sprake is van een door de debiteur onverplicht verrichte rechtshandeling. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente Rotterdam en [gedaagde] een beroep hebben gedaan op de vernietigbaarheid van de afspraak tussen [eiser] en [betrokkene1] om op 11 juni 2012 een voorschotnota te sturen. Vernietiging op de in artikel 3:49 BW vermelde wijze heeft derhalve niet plaatsgevonden. Los daarvan heeft [betrokkene1] - zoals onder 4.4 overwogen - zich verbonden tot betaling van het voorschot aan [eiser] en kon [eiser] daarop jegens [betrokkene1] aanspraak maken. Zodoende bestond er een op overeenkomst berustende verplichting tot betaling. Dit wijst op een verplicht verrichte rechtshandeling. Het lag op de weg van de Gemeente Rotterdam en [gedaagde] om te stellen welke onverplicht verrichte rechtshandeling zij wensten te vernietigen. Nu Gemeente Rotterdam en [gedaagde] dit hebben nagelaten kan ook om die reden het beroep op het bepaalde in artikel 3:45 BW niet slagen.


4.9.

De Gemeente Rotterdam en [gedaagde] hebben voorts ter comparitie aangevoerd dat het ten opzichte van de andere schuldeisers onrechtmatig is om in het zicht van de veiling een voorschotnota te zenden voor werkzaamheden die nog niet zijn verricht.


4.10.

Bij de beoordeling van dit verweer is het volgende van belang. Het gaat om een voorschotnota van € 11.900. Dit is in de gegeven omstandigheden geen ongepast hoog bedrag. Dit blijkt onder meer uit de door [eiser] overgelegde declaraties (productie 6 bij conclusie van eis in renvooi) en het overzicht uit haar financiële administratie (productie 7 bij conclusie van eis in renvooi). Hieruit volgt dat tegenover het voorschot onderhanden werk en verschotten staan voor een bedrag dat het voorschot overtreft. De rechtbank acht het zenden van de voorschotnota in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig. Het verweer wordt derhalve verworpen.


4.11.

Slotsom is dat de vordering van [eiser] kan worden toegelaten tot de rangregeling. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen als in het dictum omschreven.


4.12.

De gemeente Molenwaard is niet verschenen in deze renvooiprocedure zodat zij wordt geacht haar tegenspraak te hebben laten varen. De rechtbank zal de vordering van [eiser], als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.


4.13.

De Gemeente Rotterdam, de Gemeente Molenwaard en [gedaagde] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 608 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 452), derhalve in totaal € 1.512.




5De beslissing

De rechtbank


5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] een vordering heeft op [betrokkene1] zoals deze blijkt uit het tussen hen gewezen vonnis van 17 oktober 2012;


5.2.

laat [eiser] toe tot de rangregeling voor haar vordering zoals deze blijkt uit het tussen [eiser] en [betrokkene1] gewezen vonnis van 17 oktober 2012, te vermeerderen met de kosten van betekening van dat vonnis;


5.3.

veroordeelt de Gemeente Rotterdam, de Gemeente Molenwaard en [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.512;


5.4.

verklaart onderdeel 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2015.

1573/2148/32