Rechtbank Rotterdam, 23-04-2015 / 10/510300-08


ECLI:NL:RBROT:2015:2847

Inhoudsindicatie
Shaken baby. Vrijspraak kindermishandeling in eerdere periodes; blauwe plekken niet te dateren. Geen bewijsuitsluiting tav deskundigenrapporten. Geen onrechtmatige inbeslagneming medisch dossier slachtoffer. Rechtbank constateert dat het letsel direct voorafgaand aan 112-melding moet zijn ontstaan. Slachtoffer was op dat moment alleen met verdachte. Alternatieve scenario’s niet aannemelijk. Bij strafmaat houdt rechtbank rekening met zeer geruim tijdsverloop en voorts met omstandigheid dat verdachte onlangs opnieuw vader is geworden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-23
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
10/510300-08
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • EeR 2015, afl. 4, p. 155
  • NJFS 2015/132
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 3


Parketnummer: 10/510300-08

Datum uitspraak: 23 april 2015

Tegenspraak




Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres en woonplaats],

raadslieden: mr. T.M. Briggeman, advocaat te Dordrecht en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 19 maart 2015 en 23 april 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde;

- vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.



MOTIVERING VRIJSPRAAK

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 2 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen is.


De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Na de opname van [slachtoffer] in het Sophia Kinderziekenhuis op 30 mei 2008 zijn – onder meer – recente en oudere bilaterale subdurale hematomen geconstateerd. De deskundige

dr. R.A.C. Bilo, forensisch arts, concludeert op grond van het verslag van het eerste CT‑onderzoek van de hersenen en de herbeoordeling van de kinderradioloog dat weliswaar wordt gesproken over subdurale vochtophopingen die een ‘mixed density’ beeld vertonen, doch dat in de verstrekte gegevens geen objectief klinische aanwijzingen gevonden kunnen worden dat er eerder een (schedel)hersentrauma heeft plaatsgevonden bij [slachtoffer] (een eerder trauma kan niet worden uitgesloten). Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden dat [slachtoffer] vóór 30 mei 2008 eerder en vaker potentieel dodelijk letsel dan wel potentieel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Om die reden zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde poging doodslag/zware mishandeling.


Uit het dossier volgt dat bij [slachtoffer] tussen de dag van haar geboorte ([geboortedatum slachtoffer] 2007) en

30 mei 2008 diverse malen blauwe plekken zijn waargenomen (waaronder op haar gezicht, billen, ledematen en romp), waarvoor [slachtoffer] ook eenmaal (op 8 februari 2008) in het ziekenhuis werd opgenomen. Uit de rapportage van deskundige dr. Bilo volgt dat blauwe plekken bij een kind in de leeftijd van [slachtoffer] (tussen de geboorte en 7,5 maand oud) slechts verklaard kunnen worden op basis van een ziekelijke aandoening of een trauma. De deskundige L.L.B.M. van Duurling (hierna: Van Duurling) heeft na kennisname van het medisch dossier van [slachtoffer] geconcludeerd dat een medische aandoening (stollingsstoornis) als oorzaak voor onderhuidse bloeduitstortingen adequaat kan worden uitgesloten en dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van een alternatieve verklaring (stofwisselingsziekte) voor de afwijkende bevindingen zoals die bij [slachtoffer] zijn geconstateerd. Bij afwezigheid van een plausibele accidentele oorzaak voor de herhaaldelijk optredende blauwe plekken op het lichaam van [slachtoffer] acht de rechtbank het op grond van het voorgaande aannemelijk dat de blauwe plekken zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig stomp of samendrukkend mechanisch geweld door menselijk handelen.

Uit het dossier volgt dat van de meeste blauwe plekken achteraf melding is gedaan door de ouders bij het consultatiebureau of de huisarts(enpost). Daarnaast zijn er - naast de twee foto’s die door de opa van [slachtoffer] zijn gemaakt op 9 en 10 februari 2008 - geen foto’s genomen van de blauwe plekken, ook niet ten tijde van de opname van [slachtoffer] in het Ikazia ziekenhuis van 8 tot en met 20 februari 2008. Gelet hierop hebben beide deskundigen (Bilo en Van Duurling) geconcludeerd dat een nadere duiding van (het tijdstip van toebrengen van) de blauwe plekken niet mogelijk is omdat niet bekend is hoe de blauwe plekken qua vorm, locatie, afmetingen en kleur eruit zagen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet eenduidig vast te stellen wie degene is die de blauwe plekken – bij uitsluiting van mogelijke anderen – bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Om die reden zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling(en).



BEWIJSUITSLUITING

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek omdat verdachte op 4 juli 2008 en 20 januari 2009 (feitelijk) als verdachte is gehoord terwijl hij geen juridische bijstand had voorafgaande aan deze verhoren en aan hem niet de mogelijkheid is geboden om een advocaat te consulteren. Een en ander zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de hiervoor bedoelde verklaringen.


De rechtbank overweegt het volgende.


Verdachte is op 4 juli 2008 op het politiebureau gehoord als getuige. Daarbij is hem medegedeeld dat hij – gelet op het ongewisse verloop van het verhoor – niet verplicht was om op vragen antwoord te geven. Verdachte is op 20 januari 2009 aangehouden en dezelfde dag voor de eerste keer als verdachte verhoord. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte voorafgaand aan dat verhoor in de gelegenheid is gesteld een raadsman te raadplegen.


Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dat in beginsel een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv oplevert, dat, behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.


De rechtbank constateert dat de situatie zoals hiervoor bedoeld zich voordoet ten aanzien van het verhoor van verdachte op 20 januari 2009 en zal deze verklaring dan ook uitsluiten van het bewijs. Strikt genomen geldt dit niet voor de verklaringen die verdachte op 4 juli 2008 als getuige heeft afgelegd. Nu de rechtbank laatstgenoemde verklaring niet voor het bewijs zal bezigen, kan het verweer ten aanzien van die verklaring verder onbesproken blijven.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1. tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

hij op of omstreeks 30 mei 2008 te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007) van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet

die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) heeft/hebben geschud en/of (hardhandig

en/of met kracht) heen en weer en/of op en neer heeft/hebben bewogen en/of

anderszins (opzettelijk) geweld heeft uitgeoefend op die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


RECHTMATIGHEID VAN HET (DESKUNDIGEN)BEWIJS


Onbevoegde benoeming van deskundige

De verdediging heeft betoogd dat de rapportage van de deskundige Van Duurling dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat de benoeming van Van Duurling door de rechter-commissaris onbevoegd zou zijn gedaan. Immers, de benoeming van de deskundige heeft op 16 november 2010 plaatsgevonden, terwijl aan de bevoegdheden van de rechter-commissaris door het opnieuw aanbrengen van de zaak op de zitting van 1 september 2009 een einde was gekomen. Dit zou leiden tot een onherstelbaar vormverzuim nu de verdediging door deze benoeming niet in de gelegenheid is geweest om invloed te hebben op de benoeming en/of onderzoeksvragen te formuleren dan wel een second opinion te vragen.


De rechtbank overweegt het volgende.

Zowel ter terechtzitting van 16 juli 2009 als 1 september 2009 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het verrichten van nadere onderzoekshandelingen. Bij vonnis van 19 november 2009 heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. Op het daartegen ingestelde beroep heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage op 13 augustus 2010 arrest gewezen waarin het openbaar ministerie ontvankelijk is verklaard in de vervolging van verdachte. De zaak is terugverwezen naar de rechtbank te Dordrecht teneinde met inachtneming van ’s Hofs arrest recht te doen. Ter terechtzitting van 1 februari 2011 heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 19 november 2009 bevond. Ter gelegenheid van die zitting heeft de raadsvrouw desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de wijze waarop de verdachte – na terugverwijzing van de zaak door het Gerechtshof – is opgeroepen. De rechtbank concludeert dat het onderzoek aldus is hervat en dat derhalve de onderzoeksbevoegdheid van de rechter-commissaris is herleefd. De rechter-commissaris was aldus bevoegd om op 16 november 2010 de deskundige te benoemen.


De rechtbank overweegt ten overvloede dat - voor zover de verdediging heeft gesteld dat het geschonden belang ligt in de omstandigheid dat haar door de benoeming de mogelijkheid is ontnomen om een eigen deskundige in te schakelen - de verdediging op geen enkel moment in de procedure heeft aangegeven dat zij een eigen deskundige voor benoeming wilde voordragen, terwijl deze mogelijkheid er wel ruimschoots is geweest.

De rechtbank verwerpt het verweer.


Onrechtmatige inbeslagneming medisch dossier

De verdediging heeft voorts in de kern genomen betoogd dat de inbeslagneming van het medisch dossier van [slachtoffer] onrechtmatig was zodat de medische gegevens - die via het rapport van de deskundige Van Duurling in het strafdossier terecht zijn gekomen - niet voor het bewijs mogen worden gebezigd.


De rechtbank overweegt het volgende.


In onderhavige zaak heeft de officier van justitie het Erasmus Medisch Centrum/Sophia Kinderziekenhuis (hierna: EMC) op enig moment verzocht om verstrekking van de medische gegevens betreffende [slachtoffer] (aan de Forensische Polikliniek Kindermishandeling – ten behoeve van deskundigenrapportage door de deskundige Van Duurling).

Het EMC heeft de officier van justitie bij brief van 4 mei 2011, welke is opgesteld na

overleg met de behandelend arts, onder meer bericht dat het ziekenhuis alleen op vordering van de rechter-commissaris ex artikel 105 Sv - en dus op grond van een wettelijke verplichting - zal kunnen overgaan tot afgifte van het medisch dossier van [slachtoffer].

Na een daartoe strekkend bevel van de rechter-commissaris d.d. 10 mei 2011 heeft het EMC de bedoelde medische gegevens uitgeleverd en zijn deze vervolgens in beslag genomen.


Ingevolge artikel 96a, derde lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering zijn

op grond van hun bevoegdheid tot verschoning niet verplicht aan het bevel tot uitlevering ter

inbeslagneming te voldoen (onder anderen) de personen die uit hoofde van hun beroep tot

geheimhouding verplicht zijn, voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn.


Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen hij aan de verschoningsgerechtigde toevertrouwt, om bijstand en advies tot een verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht is daarbij gebaseerd op het vertrouwen dat in de professioneel verschoningsgerechtigde mag worden

gesteld. Aan diens oordeel wordt overgelaten of en zo ja in hoeverre het beroepsgeheim in een concreet geval moet wijken voor andere belangen. Het beroepsgeheim verzet zich dus niet tegen elke openbaarmaking van toevertrouwde gegevens, maar de op dit punt noodzakelijke belangenafweging is in handen gelegd van de verschoningsgerechtigde.

Diens oordeel moet in beginsel worden gerespecteerd.


Als een arts uit eigen beweging (“vrijwillig”) besluit bepaalde gegevens over zijn patiënt te verstrekken, is wel het beroepsgeheim, maar niet het verschoningsrecht in het geding. Waarvan de arts zich verschoont is namelijk de nakoming van een wettelijke plicht. In dit geval is dat de plicht tot uitlevering van het voorwerp. Die plicht conflicteert met de plicht tot geheimhouding. Uit dat conflict van plichten biedt het verschoningsrecht een uitweg. De afweging van die plichten wordt in handen van de arts gelegd. Die mag (moet) zelf uitmaken welke plicht het zwaarste dient te wegen. De vraag is dus niet of het ziekenhuis al dan niet tot informatieverstrekking verplicht was, maar of het ziekenhuis een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht.


In artikel 105 lid 3 Sv is artikel 96a lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Het feit dat de rechter-commissaris de uitlevering van het medisch dossier heeft bevolen, ontsloeg het ziekenhuis dus niet van zijn uit het beroepsgeheim voortvloeiende plicht om na te gaan of er redenen waren om zich te verschonen.


De rechtbank stelt vast dat het EMC in zijn brief van 4 mei 2011 enkel heeft aangegeven dat het uit vrees voor juridische claims van de ouders alleen tot verstrekking van de medische gegevens wenste over te gaan op basis van een wettelijke verplichting. In de brief wordt niet gesteld dat het medisch beroepsgeheim zich tegen verstrekking van het dossier verzet, noch wordt met zoveel woorden een beroep op het verschoningsrecht gedaan. Daarnaast is het EMC ook feitelijk overgegaan tot de uitlevering van de medische gegevens, terwijl het dit op grond van eerdergenoemd artikel 96a lid 3 Sv had kunnen weigeren.


Een en ander leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat niet kan worden gezegd dat het EMC (namens de behandelende artsen) een beroep op het verschoningsrecht heeft gedaan. Van een door justitie gemaakte inbreuk op dat verschoningsrecht is dan ook geen sprake zodat hierin geen aanleiding kan worden gezien tot bewijsuitsluiting.


De omstandigheid – zoals door de verdediging betoogd – dat de officier van justitie het EMC verkeerd zou hebben voorgelicht in die zin dat zij zou hebben gezegd dat de ouders zich als belanghebbenden tegen de uitlevering konden verweren alsmede dat – anders dan door de officier van justitie is gesuggereerd – de medische informatie via de deskundige toch onderdeel van het strafdossier is geworden, maakt dit niet anders omdat deze omstandigheden de inbeslagneming niet onrechtmatig maken.


Dat er alternatieve (minder verstrekkende) mogelijkheden waren om aan medische gegevens te komen – zoals door de verdediging betoogd – doet hieraan evenmin af. De feitelijke situatie is dat het EMC zich niet heeft beroepen op haar verschoningsrecht en de medische stukken heeft uitgeleverd, zodat de alternatieve mogelijkheden niet nodig waren.



Bewijsuitsluiting deskundigenverslag Van Duurling

De verdediging heeft betoogd dat de rapportage van de deskundige Van Duurling moet worden uitgesloten van het bewijs nu daaruit niet zou blijken dat het verslag gebaseerd is op haar wetenschap en kennis omtrent datgeen aan haar oordeel is onderworpen en er deswege geen sprake is van een bewijsmiddel in de zin van artikel 344 Sv.


De rechtbank overweegt het volgende.


De deskundige Van Duurling heeft op 20 mei 2011 gerapporteerd naar aanleiding van de aan haar door de rechter-commissaris verstrekte opdracht. Overeenkomstig de daaraan in artikel 51l lid 3 Sv gestelde eis heeft de deskundige in het door haar opgestelde rapport verklaard dat zij de rapportage naar waarheid, zo volledig mogelijk en naar beste inzicht heeft uitgebracht. In aansluiting op het voormelde rapport is de deskundige Van Duurling op 11 november 2013 als deskundige gehoord door de rechter-commissaris en heeft zij op 8 januari 2014 op verzoek van de rechter-commissaris schriftelijk aanvullende vragen beantwoord.

Voor zover moet worden aangenomen dat uit het voormelde rapport d.d. 20 mei 2011 onvoldoende zou blijken dat dit gebaseerd is op wat haar wetenschap en kennis haar leert omtrent datgene wat aan haar oordeel onderworpen is, overweegt de rechtbank dat zulks voldoende blijkt uit de door de deskundige beantwoorde vragen (2 t/m 7) bij de rechter-commissaris, alsmede uit de door haar in het kader van dat verhoor overgelegde curriculum vitae.

Zelfs indien zou worden aangenomen dat het voormelde rapport niet voldoet aan de daaraan in artikel 344, lid 1, 4º Sv gestelde (formele) eisen – hetgeen de rechtbank uitdrukkelijk niet doet – dan zou het bedoelde rapport als bewijsmiddel in de zin van artikel 344, lid 1, 5º Sv kunnen worden gebezigd. Van bewijsuitsluiting op die grond kan geen sprake zijn. De rechtbank verwerpt het verweer.


De verdediging heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat het deskundigenverslag van Van Duurling niet tot het bewijs kan dienen nu Van Duurling onvoldoende inzicht heeft gegeven in de door haar gehanteerde methode, het rapport gebaseerd is op een (deels) suggestieve vraagstelling en de resultaten mogelijk gebaseerd zijn op feitelijke onjuistheden in de aangeleverde informatie.

Artikel 51l lid 1 Sv schrijft voor dat de deskundige aan zijn opdrachtgever een met redenen omkleed verslag uitbrengt. Hij dient daarbij zo mogelijk aan te geven welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip ‘methode’ daarbij niet te strikt als bepaald wetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgelegd maar dat ook een vast aanvaarde werkwijze daaronder kan vallen. In sommige gevallen zal het niet mogelijk zijn een specifieke methode aan te geven, bijvoorbeeld wanneer het gaat om kennis die gebaseerd is op een brede ervaring op een bepaald terrein.


In onderhavig geval heeft de deskundige (uiteindelijk) de opdracht gekregen om een aanvulling op de deskundigenrapportage van dr. R.A.C. Bilo d.d. 9 november 2009 te formuleren met betrekking tot de door hem - Bilo - in zijn rapportage gestelde voorbehouden (ten aanzien van de duiding van blauwe plekken en de volledigheid van onderzoek naar mogelijke alternatieve verklaringen voor de afwijkende bevindingen bij [slachtoffer]). Blijkens het deskundigenverslag van Van Duurling heeft zij daartoe het forensisch-medisch onderzoek van het medisch dossier van [slachtoffer] (waar dr. Bilo niet over beschikte) gerelateerd aan die voorbehouden. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de deskundigheid van Van Duurling, in samenhang bezien met de beperkte onderzoeksopdracht is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een onvoldoende met redenen omkleed deskundigenverslag als bedoeld in artikel 51l lid 1 Sv.


De verdediging heeft kennelijk aangesloten bij de (standaard-)disclaimer in het deskundigenverslag en heeft geen concrete voorbeelden genoemd van feitelijke onjuistheden in het aan de deskundige verstrekte en door haar gebruikte onderzoeksmateriaal. Behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel – die door de verdediging niet zijn gesteld – zal de rechtbank uitgaan van de betrouwbaarheid van de resultaten van het deskundigenverslag.

De rechtbank verwerpt het verweer.



NADERE BEWIJSOVERWEGING

De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit 1. De verdediging heeft daartoe betoogd dat op grond van de rapporten van de deskundigen Bilo en Van Duurling, accidentele oorzaken noch aangeboren en verworven aandoeningen als oorzaak voor de bij [slachtoffer] geconstateerde afwijkende bevindingen, zodanig zijn uit te sluiten dat daar in strafrechtelijke zin aan voorbij mag worden gegaan. Bovendien zou – indien wordt uitgegaan van een niet-accidentele oorzaak van het op 30 mei 2008 geconstateerde letsel – niet kunnen worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het letsel heeft toegebracht omdat het onzeker is wanneer de oorzaak van het geconstateerde letsel zich heeft voorgedaan, hetgeen de kring van betrokkenen die het letsel kunnen hebben veroorzaakt groter maakt.


Inleiding

[slachtoffer] is op [geboortedatum slachtoffer] 2007, ruim vier weken voor de uitgerekende datum, in het Ikazia Ziekenhuis te Rotterdam geboren. Op 30 mei 2008 – [slachtoffer] is dan 7,5 maand oud – wordt [slachtoffer] door haar moeder rond 1 uur ’s middags bij oma van moederszijde gebracht. Oma past die middag op. Afgezien van een diarreeluier heeft oma niets afwijkends aan [slachtoffer] gemerkt die middag. [slachtoffer] heeft geslapen, ze heeft haar flesje en een fruithapje gekregen en er is buiten gewandeld. Oma omschrijft het gemoed van [slachtoffer] als normaal en vrolijk. Verdachte is omstreeks 16:00 uur bij het huis van oma aangekomen en tussen 17:00 en 17:30 uur is hij met [slachtoffer] richting huis vertrokken. De moeder van [slachtoffer] is die avond aan het werk en verdachte is alleen thuis met [slachtoffer]. Om 20:49 uur die avond belt verdachte met de 112-alarmcentrale en meldt dat de hond bovenop [slachtoffer] is gesprongen en dat zij helemaal slap en weg is en een raar geluid (licht roggelend) maakt. De ambulancemedewerkers constateren even later dat [slachtoffer] een wit grauwige kleur heeft, een dwangstand van de ogen naar rechts heeft, dat ze slap is en er sprake is van een ‘acuut respiratoir insufficient’. Nadat de luchtweg van [slachtoffer] is vrijgemaakt met een zuiger, wordt zij vervoerd naar het Sophia Kinderziekenhuis.

Op de spoedeisende hulp van het Sophia Kinderziekenhuis wordt geconstateerd dat het hoofd van [slachtoffer] een voorkeursstand naar links laat zien en haar rechterarm – en in mindere mate haar rechterbeen – spierslapte vertoont. Ook braakt [slachtoffer] twee keer. Verder worden bij lichamelijk onderzoek op dat moment geen afwijkende bevindingen gedaan.

Op een op 30 mei 2008 gemaakte CT-scan van de schedel van [slachtoffer] worden beiderzijds subdurale bloedingen waargenomen.

De oogarts constateert op 31 mei 2008 (middels een fundoscopie) dat er in beide ogen sprake is van uitgebreide netvliesbloedingen in verschillende lagen van het netvlies.

Op 2 juni 2008 rond 02.00 uur 's nachts verslechtert de klinische situatie van [slachtoffer]. Haar hartslag vertraagt (bradycardie), zij braakt en bij lichamelijk onderzoek blijkt de fontanel meer gespannen. Later ontstaan trekkingen (convulsies) en wordt [slachtoffer] opgenomen op de Intensive Care, waar medicatie wordt gestart en bij haar een beademingsbuisje wordt ingebracht (intubatie) om haar ademhaling te waarborgen. Na een ingreep door de neurochirurg, waarbij bij [slachtoffer] beiderzijds 10 cc vocht uit de ruimte tussen het harde hersenvlies en de schedel (epidurale ruimte) wordt gepuncteerd, stabiliseert haar klinische situatie weer.


Op 17 juni 2008 wordt [slachtoffer] ontslagen uit het ziekenhuis en in een pleeggezin geplaatst.

Na een melding door het Sophia Kinderziekenhuis aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) wordt op 10 juni 2008 aangifte gedaan van poging tot doodslag, dan wel poging zware mishandeling.


Oorzaak van het letsel

Op verzoek van de officier van justitie (d.d. 31 juli 2008) heeft dr. R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige KNMG/consulent forensische kindergeneeskunde (hierna: Bilo) als deskundige gerapporteerd. Het oordeel van de deskundige Bilo volgt uit zijn 2e voorlopige rapportage d.d. 9 november 2009, in samenhang met zijn verklaring bij de rechter-commissaris van 11 november 2013 en de beantwoording van aanvullende vraagstelling van 9 januari 2014 en luidt – samengevat – als volgt:


Op 30 mei 2008 wordt [slachtoffer] opgenomen in het Sophia Kinderziekenhuis. Daar wordt geconcludeerd dat er sprake is van bilaterale subdurale hematomen (beiderzijds bloedingen tussen het harde hersenvlies en de hersenen) met intraretinale (bloedingen in het netvlies van beide ogen) en preretinale (bloedingen tussen het netvlies en het glasvocht) bloedingen welke zeer suggestief zijn voor kindermishandeling.

Gesteld kan worden dat de bevindingen ieder afzonderlijk verklaard kunnen worden op basis van vele oorzaken, namelijk aangeboren en verworven aandoeningen en traumatische beschadiging.

Binnen het kader van de bij onderzoeker bekende gegevens kan het worden uitgesloten dat aangeboren of verworven aandoeningen een plausibele verklaring vormen voor de afwijkingen (afzonderlijk en in combinatie) die bij [slachtoffer] op en na 30 mei 2008 zijn aangetroffen. Dit betekent dat op basis van exclusie een traumatische beschadiging voor de afzonderlijke bevindingen en de combinatie van bevindingen de enig plausibele verklaring vormt. Een geboortetrauma vormt geen plausibele verklaring.


Het is wegens het ontbreken van klinische verschijnselen niet waarschijnlijk dat de in de verstrekte gegevens beschreven val van de commode (welke mogelijk voor eind november 2007 heeft plaatsgevonden) aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van bloedingen in het hoofd. Vanwege het verloop in tijd (netvliesbloedingen genezen binnen 8 tot 10 weken) en de uitgebreidheid van de op 30 mei 2008 vastgestelde netvliesbloedingen kunnen deze evenmin verklaard worden op basis van de val van de commode.

De beschreven val van de commode kan ook niet hebben geleid tot afwijkingen die op hun beurt geleid hebben tot de klinische noodsituatie op 30 mei 2008. Indien de beschreven val al tot afwijkingen in het hoofd geleid zou hebben (hetgeen niet waarschijnlijk is), is uitgesloten dat een klinische noodsituatie pas maanden later optreedt. Subdurale bloedingen in het hoofd, die niet direct aanleiding geven tot een klinische noodsituatie, leiden niet tot een klinische noodsituatie maanden later.

Op basis van voorgaande gegevens zijn aangeboren en verworven aandoeningen alsmede accidentele oorzaken (met hoge mate van waarschijnlijkheid) uitgesloten als verklaring voor de bevindingen bij [slachtoffer] afzonderlijk en in combinatie.

Het ontbreken van een trauma in de anamnese en de mogelijke restschade bij [slachtoffer] zijn zeer suggestief voor niet accidenteel traumatisch hersenletsel door menselijk handelen, mits voldoende differentieel diagnostisch onderzoek is gedaan ter exclusie van ziekelijke aandoeningen.

Vermoedelijk is het letsel, mede gezien de uitgebreide retinabloedingen en het ontbreken van uitwendig waarneembaar letsel, het gevolg van een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bijvoorbeeld op basis van schudden, hoewel een contacttrauma niet volledig uitgesloten kan worden, waarbij - gelet op de uitgebreidheid van de netvliesbloedingen - meer wordt geneigd naar een acceleratie-deceleratietrauma dan naar een contacttrauma.

De verstrekte gegevens over het gedrag van [slachtoffer] op 30 mei 2008 zijn zeer suggestief voor het ontstaan van het letsel dat geleid heeft tot de klinische noodsituatie op 30 mei 2008 na het moment dat [slachtoffer] de laatste keer normaal functionerend en reagerend is gezien en voor het vaststellen van de klinische noodsituatie door vader. Onder normaal functioneren moet in dit verband worden verstaan normaal drinken, normaal interacteren, niet spugen direct aansluitend op het gevoed worden en lachen.

Uit de medische literatuur komt naar voren dat een incident dat aanleiding geeft tot een klinische noodsituatie zoals in onderhavige zaak, zich direct voor het ontstaan van de klinische noodsituatie heeft voorgedaan.


Waar de verdediging heeft betoogd dat Bilo – op grond van de hem ter beschikking gestelde informatie en dus zónder kennisname van het medisch dossier van [slachtoffer] – nimmer tot een betrouwbare uitsluiting van aangeboren en verworven aandoeningen heeft kunnen komen, overweegt de rechtbank dat Bilo in zijn rapport heeft onderkend geen kennis te hebben genomen van de medische gegevens betreffende de opname en behandeling in het Sophia Kinderziekenhuis en dat hij om die reden een voorbehoud heeft gemaakt in zijn conclusies.


Op 5 november 2010 is L.L.B.M. van Duurling, verbonden aan de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPK) te Utrecht, door de rechter-commissaris benoemd als deskundige. Aan Van Duurling is opgedragen om - op basis van het door het Sophia Kinderziekenhuis uitgeleverde medische dossier van [slachtoffer] - een aanvulling op de deskundigenrapportage van Bilo te formuleren, met betrekking tot de door Bilo gestelde voorbehouden. Het oordeel van de deskundige Van Duurling volgt uit haar rapportage d.d. 20 mei 2011, in samenhang met haar verklaring bij de rechter-commissaris van 11 november 2013 en de beantwoording van aanvullende vraagstelling van 8 januari 2014 en luidt – samengevat – als volgt:


De combinatie van de bevindingen (onderhuidse bloeduitstortingen, bloedingen onder het harde hersenvlies en netvliesbloedingen) is, zonder aannemelijke verklaring voor het ontstaan van deze bevindingen, zeer verdacht voor toegebracht schedel-/hersenletsel.

Na het uitsluiten van accidentele oorzaken en een geboortetrauma bij [slachtoffer] dienen volledigheidshalve tevens medische oorzaken, die een verklaring zouden kunnen vormen voor iedere afwijkende bevinding afzonderlijk, te worden uitgesloten.

Na kennisname van het medische dossier kan worden geobjectiveerd dat bij [slachtoffer] - meerdere malen en uitgebreid - onderzoek naar eventuele stollingsstoornissen heeft plaatsgevonden zodat kan worden vastgesteld dat een medische aandoening als oorzaak voor onderhuidse bloeduitstortingen bij [slachtoffer] in het Sophia Kinderziekenhuis adequaat is uitgesloten.

Na kennisname van het medische dossier van [slachtoffer] blijkt eveneens dat uitgebreid aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden naar mogelijke alternatieve verklaringen voor de bevindingen bij [slachtoffer] en specifiek naar eventuele stofwisselingsziekten bij haar. Geconcludeerd kan worden dat in het Sophia Kinderziekenhuis na volledig aanvullend onderzoek bij [slachtoffer] geen aanwijzingen werden gevonden voor het bestaan van

een alternatieve verklaring voor de afwijkende bevindingen zoals die bij [slachtoffer] zijn geconstateerd.

Na het wegnemen van de voorbehouden van Bilo kan de conclusie van Bilo, dat de medische situatie van [slachtoffer] op 30 mei 2008 gezien de acute klinische verslechtering het gevolg moet zijn geweest van een trauma, als onderbouwd worden beschouwd.

Indien sprake is van een schudincident, waarna een medische noodsituatie is opgetreden, ontstaan de symptomen vrijwel aansluitend aan het incident. De symptomen zijn bijvoorbeeld bewustzijnsverlies, ademhalingsproblemen en reanimatiebehoeftigheid. Bij [slachtoffer] zijn subdurale bloedingen en netvliesbloedingen geconstateerd en was er sprake van een medische noodsituatie. Gezien de medische noodsituatie was er sprake van potentieel dodelijk letsel.


De verdediging heeft betoogd dat de conclusie van Van Duurling – dat een medische aandoening als oorzaak van afwijkende bevindingen adequaat kan worden uitgesloten – onbegrijpelijk is omdat uit het verhoor van Van Duurling is gebleken dat niet ten aanzien van alle alternatieve verklaringen medisch onderzoek is verricht.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de verklaring van Van Duurling bij de rechter-commissaris d.d. 11 november 2013 volgt dat er onderzoek is gedaan naar het bestaan van stollingsziekten, aangeboren vaatstoornissen, sinus sagittalis trombose, osteogenis imperfecta, stofwisselingsziekten, infecties, benigne externe hydrocephalus en hemofagocyterende lymfohistoricytose, als alternatieve verklaring voor de subdurale bloedingen dan wel dat er in het medisch dossier geen aanwijzingen voor het bestaan van de aandoeningen is gevonden. Hoewel de feitelijke constatering van de verdediging op zich juist is, in die zin dat geen specifiek medisch onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van het syndroom van Ehlers-Danlos (bindweefselziekte), leidt dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot de door de verdediging beoogde gevolgtrekking. Vastgesteld moet immers worden dat Van Duurling op basis van haar deskundigheid en op basis van de haar ter beschikking staande medische gegevens heeft geconcludeerd dat een medische oorzaak voor de bij [slachtoffer] vastgestelde afwijkende bevindingen voldoende is uitgesloten. De rechtbank acht deze conclusie in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet onbegrijpelijk. Daarbij is mede van belang dat er bij [slachtoffer] tot op heden geen bindweefselziekte is geconstateerd en zij niet ziek is geworden. De rechtbank verwerpt het verweer.


De verdediging heeft voorts betoogd dat de deskundigen een accidentele hersenbeschadiging - door een val van de commode - ten onrechte en ongemotiveerd hebben uitgesloten. De rechtbank overweegt het volgende. De door de verdediging bedoelde val van de commode van [slachtoffer] heeft vermoedelijk plaatsgehad in november 2007.

In zijn rapport heeft Bilo uitgebreid gemotiveerd hoe en waarom het niet aannemelijk is dat de val van de commode heeft geleid tot bloedingen in het hoofd, alsmede dat de val van de commode niet kan hebben geleid tot de uitgebreide netvliesbloedingen en de klinische verschijnselen zoals die zich op 30 mei 2008 manifesteerden. Verwezen wordt naar de conclusies van Bilo zoals hiervoor opgenomen. De rechtbank is op grond van de bevindingen van Bilo, alsmede gelet op de omstandigheid dat geen andere plausibele verklaring voor het letsel van [slachtoffer] is gesteld of gebleken, van oordeel dat een niet-accidentele oorzaak voor het hersenletsel afdoende is uitgesloten.


Op grond van de conclusies van de hiervoor benoemde deskundigenverklaringen acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel het gevolg is van een repeterend acceleratie-deceleratietrauma (schudincident), al dan niet met impact.


Vervolgens doet zich de vraag voor op welk moment het trauma zich heeft voorgedaan.

Uit de hiervoor weergegeven deskundigenverklaringen kan worden afgeleid dat het letsel dat heeft geleid tot de klinische noodsituatie moet zijn ontstaan nadat [slachtoffer] voor het laatst normaal functionerend en reagerend is gezien en voordat de klinische noodsituatie door verdachte werd vastgesteld. Onder normaal functioneren als hiervoor bedoeld verstaan de deskundigen dat het kind normaal drinkt en interacteert, dat er niet direct aansluitend aan de voeding gespuugd wordt en dat het kind lacht. De rechtbank constateert op basis van zowel de verklaring van de oma van moederszijde omtrent het verloop van de middag van 30 mei 2008, alsmede op basis van de verklaring van verdachte zelf, dat [slachtoffer] tot aan het verlaten van het huis van oma normaal functioneerde. Voor zover de verdediging heeft gesteld dat de omstandigheid dat [slachtoffer] ’s middags een vieze diarreeluier had erop zou kunnen duiden dat zij al eerder symptomen vertoonde van een later in te treden klinische noodsituatie, overweegt de rechtbank dat Bilo deze omstandigheid als niet relevant heeft aangemerkt. Beide deskundigen concluderen dat een (schud)incident dat aanleiding geeft tot een klinische noodsituatie, zich direct voor het ontstaan van de klinische noodsituatie zal voordoen.


Anders dan door de verdediging gesteld is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen steun biedt voor de veronderstelling dat het letsel dat heeft geleid tot een klinische noodsituatie, enkele dagen of weken eerder kan zijn ontstaan.


Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat op 30 mei 2008, direct voorafgaand aan het moment waarop [slachtoffer] slap werd en in ademnood kwam te verkeren, zij het slachtoffer was van een schudincident. Vast is komen te staan dat [slachtoffer] op dat moment alleen thuis was met verdachte. Dit maakt dat de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat verdachte degene is die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dusdanig door elkaar heeft geschud dat bij haar het geconstateerde letsel is ontstaan.


Alternatief scenario

Verdachte heeft in zijn 112-melding en tijdens zijn verhoren door de politie gesuggereerd dat de hond [hond J] het letsel bij [slachtoffer] zou hebben veroorzaakt. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij achter de computer zat en beneden iets te drinken ging halen en toen het hekje open heeft laten staan waardoor hij [hond J] naar boven zag gaan. Toen verdachte een aantal minuten later boven kwam en [hond J] ging zoeken trof hij [hond J] in het bedje van [slachtoffer] aan en verkeerde zij in ademnood. Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat hij niet heeft gezien dat de hond naar boven was gegaan en dat hij – verdachte – toen hij weer terug in de computerkamer zat, gorgelende geluiden uit de kamer van [slachtoffer] hoorde. Verdachte heeft aldus wisselend verklaard over hetgeen vooraf is gegaan aan het aantreffen van [hond J] in het bedje van [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde toedracht onaannemelijk is en verwijst daarbij onder meer naar het onderzoek van dr. M.B.H. Schilder betreffende het gedrag van [hond J] ten opzichte van [slachtoffer]. Schilder concludeert – samengevat – dat de afwezigheid van krassen op het bedje van [slachtoffer] een contra-indicatie is voor het scenario dat [hond J] in het bedje van [slachtoffer] gesprongen is omdat deze krassen – nadat [hond J] bij de door Schilder afgenomen test in het bedje was gesprongen – wel zichtbaar waren. Schilder heeft voorts geconcludeerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [hond J] [slachtoffer] heeft geschud omdat daarvoor geen goede reden te vinden is en het, gezien de ruimtelijke situatie en kleding van [slachtoffer], onwaarschijnlijk is dat daarmee het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel kan worden verklaard. Schilder wijst ten slotte nog op het ontbreken van bijtsporen op het lichaam van [slachtoffer], hetgeen ook Bilo heeft geconstateerd. Verder verdient in dit licht vermelding dat onderzoek aan de slaapzakjes van [slachtoffer] geen bijtsporen laat zien en dat de moeder van [slachtoffer] na het incident geen hondenharen in het bedje heeft aangetroffen.


Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] op 30 mei 2008 heeft vastgepakt en geschud, waardoor hij [slachtoffer] potentieel dodelijk letsel heeft toegebracht.


Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte op 30 mei 2008 in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gehandeld, zodat de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.




STRAFBAARHEID FEIT


Het bewezen feit levert op:


1

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE

Over de persoonlijkheid en geestvermogens van de verdachte is gerapporteerd door

dr. B.A. Blansjaar, psychiater, d.d. 6 juli 2009 en drs. T. ’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, d.d. 15 juli 2009.


Gelet op de geruime tijd die is verstreken sinds deze rapporten zijn opgesteld zal de rechtbank – mede op verzoek van de verdediging – de bevindingen en conclusies uit deze rapportages, buiten beschouwing laten.


Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op zijn 7,5 maanden oude dochtertje [slachtoffer]. Gelet op het vastgestelde letsel bij [slachtoffer] (o.a. bloedingen onder het harde hersenvlies en uitgebreide netvliesbloedingen in beide ogen) en de omstandigheid dat zij – voordat verdachte haar vanuit de woning van oma mee naar huis nam – normaal functioneerde, kan het niet anders dan dat verdachte zijn dochtertje op 30 mei 2008 dusdanig heeft vastgepakt en geschud dat kort daarna het letsel is ontstaan. Nu verdachte tot op heden geen openheid van zaken heeft gegeven over de gebeurtenissen kort voor de 112-melding althans voor het geconstateerde letsel geen plausibele verklaring heeft gegeven, hetgeen de rechtbank verdachte zeer kwalijk neemt, kan de rechtbank slechts vermoeden dat verdachte uit frustratie tot zijn daad is gekomen. Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige en grove wijze inbreuk gemaakt op zijn ouderlijke plicht om zijn kind te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind geestelijke of lichamelijke schade kan berokkenen. De omstandigheid dat de (blijvende) lichamelijke gevolgen voor [slachtoffer] beperkt zijn gebleven, is zeker niet te danken aan het handelen van verdachte. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat [slachtoffer] als gevolg van het op haar uitgeoefende geweld gedurende lange tijd in een pleeggezin heeft verbleven. De impact daarvan op het geestelijk welzijn van [slachtoffer] en andere familieleden moet niet worden onderschat. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.


De rechtbank is van oordeel dat op een dergelijk feit in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.


In het kader van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het zeer geruime tijdsverloop tussen het strafbare feit en de strafoplegging. Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank het onvoorwaardelijke deel van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf zal beperken tot de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte - als stok achter de deur - een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van enige duur, dit mede in verband met de omstandigheid dat verdachte enige tijd geleden wederom vader is geworden.


De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstig strafbaar feit en dat verdachte – ook na zoveel tijd – doordrongen moet worden van de laakbaarheid van zijn handelen. Om die reden zal de rechtbank niet volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een forse werkstraf opleggen.


Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.



BESLISSING


De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;


stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf (maak een keuze)voor de duur van 180(vul uren in cijfers in)(honderdtachtig(vul getal in letters in)) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90(vul duur in cijfers in) dagen(maak een keuze)(maak een keuze);

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

mr. G.M. Munnichs en mr. J. Leyenaar-Holleman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2015.




Bijlage I bij vonnis van: 23 april 2015



TEKST TENLASTELEGGING.



Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 30 mei 2008 te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007) van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet

die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) heeft/hebben geschud en/of (hardhandig

en/of met kracht) heen en weer en/of op en neer heeft/hebben bewogen en/of

anderszins (opzettelijk) geweld heeft uitgeoefend op die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

november 2007 tot en met 29 mei 2008 te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk, meermalen, althans eenmaal (telkens)

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007) van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer] (telkens) (hardhandig en/of met kracht) heeft/hebben

geschud en/of (telkens) (hardhandig en/of met kracht) heen en weer en/of op en

neer heeft/hebben bewogen en/of anderszins (opzettelijk) geweld heeft

uitgeoefend op die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;


en/of


hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

november 2007 tot en met 29 mei 2008 te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk,

meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer], geboren op

[geboortedatum slachtoffer] 2007) (telkens) in haar gezicht en/of op/tegen haar hoofd en/of

haar lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of (telkens) in haar

gezicht en/of haar hoofd en/of haar lichaam heeft/hebben geknepen en/of

(telkens) (hardhandig en/of met kracht) in haar gezicht en/of aan haar hoofd

en/of haar lichaam heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of anderszins

(opzettelijk) geweld heeft uitgeoefend op die [slachtoffer],

waardoor voornoemde [slachtoffer] (telkens) letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden.