Rechtbank Rotterdam, 28-04-2015 / ROT 14-4425


ECLI:NL:RBROT:2015:2958

Inhoudsindicatie
Gezamenlijke huishouding. Eiser heeft niet aan de hand van concrete, verifieerbare bewijsstukken aannemelijk gemaakt dat de twee stortingen leningen betreffen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-05-11
Zaaknummer
ROT 14-4425
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/4425


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. L.M. Deiman,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. L.A. Bouter.



Procesverloop


Bij besluit van 1 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser en [betrokkene]([betrokkene]) om een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.


Bij besluit van 27 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar gegrond verklaard in die zin dat aan eiser en [betrokkene] met ingang van 1 december 2013 een bijstandsuitkering wordt toegekend onder verrekening van de inkomsten. Tevens wordt de uitkering met ingang van 1 februari 2014 ingetrokken aangezien vanaf die datum de inkomsten de bijstandsnorm overschrijden.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Op 15 oktober 2013 heeft eiser een aanvraag om een bijstandsuitkering voor een alleenstaande bij verweerder ingediend.


1.1

Blijkens een screeningsrapport van 15 oktober 2013 heeft een medewerker van verweerder telefonisch contact met eiser opgenomen, omdat eiser een aanvraagformulier Wwb voor een alleenstaande heeft ingediend, terwijl eiser bij “omschrijving medebewoner” “vriendin” heeft vermeld. Blijkens het rapport heeft eiser desgevraagd geantwoord dat de medebewoner, [betrokkene], zijn vriendin is. Nadat de rapporteur uitdrukkelijk heeft gevraagd of hij een gewone vriendin bedoelt of een vriendin met wie hij een relatie heeft, heeft eiser nogmaals aangegeven dat [betrokkene] zijn vriendin is en dat ze gewoon samenwonen. Nadat de rapporteur heeft meegedeeld dat eiser in dat geval een gezamenlijke aanvraag met [betrokkene] moet indienen, heeft eiser onder meer aangegeven “maar we zijn niet getrouwd hoor” en “komen jullie dat controleren dan”. Desgevraagd heeft eiser de rapporteur verder meegedeeld dat [betrokkene] studiefinanciering ontvangt en met haar bijbaantje ongeveer € 500,- per maand verdient. Als de rapporteur toelicht dat inkomsten van [betrokkene] worden verrekend met de eventuele uitkering van eiser, reageert eiser met dat hij er “er de dupe van wordt dat zij werkt”.


1.2

Blijkens een uitdraai van verweerders registratiesysteem Raak heeft een andere medewerker van verweerder in het kader van de intake van de bijstandsaanvraag op 17 oktober 2013 met eiser gesproken over zijn woonsituatie. Eiser heeft meegedeeld, in tegenstelling tot zijn eerdere uitlatingen, dat hij geen relatie heeft met [betrokkene]. De medewerker heeft toegelicht dat desondanks sprake kan zijn van een gezamenlijke huishouding. Eiser heeft meegedeeld dat er drie personen op zijn adres wonen en dat de woning beschikt over één slaapkamer en één woonkamer. De medewerker heeft eiser de keuze gegeven om óf door te gaan met de aanvraag, maar dat in dat geval [betrokkene] ook aanwezig moet zijn, óf dat eiser zijn woonsituatie gaat aanpassen en dan een nieuwe aanvraag indient.


1.3

Bij brief van 25 oktober 2013 heeft verweerder eiser en [betrokkene] om nadere gegevens verzocht. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat zij die gegevens vóór 25 oktober 2013 moeten opsturen.


1.4

Bij brief van 5 december 2013 heeft verweerder onder verwijzing naar eisers aanvraag van 15 oktober 2013 eiser en [betrokkene] nogmaals om nadere gegevens verzocht. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat zij die gegevens vóór 15 december 2013 moeten opsturen.


1.5

Bij brief van 6 januari 2014 heeft verweerder eiser en [betrokkene] nogmaals verzocht de gevraagde gegevens vóór 15 januari 2014 op te sturen.

1.6

Op 13 februari 2014 hebben eiser en [betrokkene] een aanvraagformulier bijstandsuitkering Wwb “aanvrager met partner/gezamenlijke huishouding” ingevuld en ondertekend. Daarbij is “partner” doorgestreept en vervangen door “medebewoner”.


1.7

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser en [betrokkene] onvoldoende informatie hebben verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat aan eiser en [betrokkene] met ingang van 1 december 2013 een bijstandsuitkering wordt toegekend onder verrekening van de inkomsten.

Voor de periode vanaf de aanvraag op 15 oktober 2013 tot 1 december 2013 wordt geen bijstandsuitkering toegekend omdat de inkomsten van eiser en [betrokkene] in die periode de bijstandsnorm overschrijden. In de maand oktober 2013 is bovendien sprake van twee stortingen van respectievelijk € 1.000,- en € 500,- op de rekening van eiser, waarvan niet is komen vast te staan dat sprake is van een lening.

Tevens wordt de uitkering met ingang van 1 februari 2014 ingetrokken aangezien vanaf die datum de inkomsten de bijstandsnorm overschrijden. Verweerder heeft geconcludeerd dat [betrokkene] met ingang van 1 februari 2014 studiefinanciering ontvangt. [betrokkene] is een studerende partner jonger dan 27 jaar en er zijn geen kinderen, zodat het ontvangen van studiefinanciering een uitsluitingsgrond voor bijstand is. [betrokkene] is een niet-rechthebbende partner. Eiser maakt om die reden aanspraak op de norm van een alleenstaande. Het inkomen van een student wordt daarbij slechts in aanmerking genomen voor zover het gezamenlijk inkomen van beide partners hoger is dan de toepasselijke gehuwdennorm. Het inkomen uit studiefinanciering wordt daarbij in aanmerking genomen tot het normbedrag. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder in aanvulling hierop toegelicht dat de inkomsten van [betrokkene] in de maand februari 2014 - € 1.480,39 - zodanig zijn dat eiser en [betrokkene] reeds wegens overschrijding van de gehuwdennorm, los van de hoogte van de studiefinanciering van [betrokkene], niet in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering.


3. Eiser voert aan dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte als “aanvraag voor een gezamenlijke huishouding” heeft beoordeeld. Eiser heeft op verzoek van verweerder een formulier “aanvrager met partner” ingeleverd. Hierop heeft eiser het woord “partner” vervangen door “medebewoner”. Als eiser dit formulier niet zou inleveren, dan zou zijn aanvraag niet worden behandeld. Eiser had op dat moment geen keus.

Verder voert eiser aan dat verweerder de stortingen op zijn bankrekening van € 1.000,- van 23 oktober 2013 en van € 500,- van 28 oktober 2013 ten onrechte heeft meegerekend als inkomsten over de maand oktober 2013. Eiser heeft deze bedragen moeten lenen. Bij brief van 9 maart 2015 heeft eiser een verklaring van 7 november 2014 van N. Zoundi over een lening van € 1.000,-, en een verklaring van eiser van 18 juli 2014, overgelegd.

Nu geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, heeft verweerder volgens eiser ten onrechte rekening gehouden met de inkomsten van [betrokkene]. Eiser heeft als alleenstaande recht op een uitkering met ingang van 15 oktober 2013. Verweerder heeft ten onrechte de uitkering met ingang van 1 februari 2014 beëindigd.


4. Met ingang van 1 januari 2015 zijn - voor zover thans van belang - de Participatiewet en de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden en is de Wet werk en bijstand (Wwb) gewijzigd en vernoemd tot de Participatiewet. In artikel 78z, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat door het college op grond van de Wwb genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet. In het vierde lid is bepaald dat op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Participatiewet is ingediend tegen een door het college op grond van de Wwb genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Wwb. Dit betekent dat in dit geval de Wwb het toetsingskader voor de bestuursrechter vormt (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de Raad, van 20 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX9529).


Artikel 11 van de Wwb luidt - voor zover van belang - als volgt.

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. (…)

3. (…)

4. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.


5. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat verweerder de aanvraag ten onrechte als gezamenlijke aanvraag heeft beoordeeld. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eiser en [betrokkene] op 13 februari 2013 zelf een gezamenlijke aanvraag hebben ingediend. Voor de stelling dat dit onder dwang is gebeurd, zijn in de stukken geen aanknopingspunten te vinden. Uit het verslag van het intakegesprek op 17 oktober 2013 blijkt slechts dat verweerder eiser heeft voorgehouden dat hij, om voor een uitkering in aanmerking te kunnen komen, óf een gezamenlijke aanvraag met [betrokkene] moet indienen, óf zijn woonsituatie moet aanpassen alvorens een nieuwe aanvraag in te dienen. De grotendeels door eiser zelf geschetste situatie over zijn woonsituatie met [betrokkene] vormde een gegronde reden voor verweerder om eiser op deze manier de keuze voor te houden.


6. Eiser heeft in zijn aanvraagformulier van 8 oktober 2013 zelf vermeld dat hij op het vermelde adres woont met [betrokkene], die hij aanduidt als “medebewoner” en “vriendin”. Tijdens het telefoongesprek op 15 oktober 2013 heeft hij nogmaals uitdrukkelijk aangegeven dat [betrokkene] zijn vriendin is en dat ze gewoon samenwonen. Op grond van deze duidelijke informatie en stellige uitlatingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding tussen eiser en [betrokkene]. Eisers latere verklaring dat hij geen relatie had met [betrokkene] en dat zij een vriendin van zijn zus was, hoefde voor verweerder geen aanleiding te vormen voor twijfel aan zijn eerdere conclusie, noch voor nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een huisbezoek. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding geen sprake hoeft te zijn van een affectieve relatie. Dit is eiser ook voorgehouden bij het intakegesprek op 17 oktober 2013.


7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag terecht rekening heeft gehouden met de inkomsten van [betrokkene]. De hoogte daarvan is niet in geschil, zodat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers over de maand november en per 1 februari 2014 niet in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering.


8. Ten aanzien van de leningen is de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld van 11 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:801, van oordeel dat eiser niet aan de hand van concrete, verifieerbare bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat het hier gaat om leningen. De achteraf door eiser zelf opgestelde verklaring van 18 juli 2014 over de storting van € 500,- houdt geen afdwingbare betalingsverplichting in. Hetzelfde geldt voor de verklaring van N. Zoundri van 7 november 2014 over de storting van € 1.000,- .Dat eenzelfde bedrag op 18 december 2014 van eisers rekening is afgeschreven, maakt dit niet anders.


9. Eisers beroep is ongegrond.


10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.