Rechtbank Rotterdam, 29-04-2015 / ROT 14-6717


ECLI:NL:RBROT:2015:3003

Inhoudsindicatie
Intrekking van het beroep heeft plaatsgevonden binnen de beroepstermijn en is eiseres nog binnen de beroepstermijn van deze intrekking teruggekomen. Naar het oordeel van de rechtbank staat geen rechtsregel hieraan in de weg. Het beroep richt zich tegen de hoogte van de in bezwaar vastgestelde proceskosten. In haar (aanvullende) gronden van het beroep voert eiseres aan dat verweerder haar bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Dit standpunt verdraagt zich niet met het betoog van eiseres dat verweerder de proceskosten voor de bezwaarprocedure op een te laag bedrag heeft vastgesteld, omdat bij het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar geen sprake is van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en geen recht op vergoeding van de proceskosten bestaat. Eiseres heeft dan ook geen belang bij deze procedure, zodat haar beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden. Verweerder heeft in deze zaak, voor zover voor dit beroep van belang, een besluit genomen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Dit brengt op grond van artikel 8:105 van de Awb mee dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een eventueel hoger beroep.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
ROT 14-6717
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/6717


uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: R. de Nekker,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: drs. H. van Smaalen.



Procesverloop


Bij brief van 4 augustus 2014 heeft verweerder eiseres de door haar verzochte akte van beëdiging, de kostenonderbouwing naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2013 en 2014 en het brondocument toegezonden en medegedeeld dat er geen foto’s zijn genomen.


Bij besluit van 23 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 4 augustus 2014 gegrond verklaard, alsnog geweigerd de door eiseres verzochte uitdraai van alle betalingen voor het kenteken [kenteken] te verstrekken en de aan eiseres te vergoeden proceskosten voor de bezwaarprocedure bepaald op € 243,-.


Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


Bij brief, ontvangen door de rechtbank op 21 oktober 2014, heeft eiseres het beroep ingetrokken.


Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de rechtbank de ontvangst van de intrekkingsbrief bevestigd.


Bij brief van 22 oktober 2014 heeft eiseres laten weten het beroep niet te hebben ingetrokken.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Eiseres is niet verschenen. Namens verweerder heeft mr. [medewerker] het woord gevoerd.



Overwegingen


1.1.

Bij brief van 25 juli 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 23 juli 2014 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. In deze brief heeft eiseres verzocht om de volgende documenten:

- de aanstellings- en/of beëdigingsakte van de verbalisant(en);

- een recente verantwoording van de kosten van de naheffingsaanslag;

- de foto’s van de gedraging als die er zijn;

- een uitdraai van alle betalingen voor het kenteken [kenteken] op 23 juli 2014.


2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit geweigerd de door eiseres gevraagde uitdraai van alle betalingen voor het kenteken [kenteken] openbaar te maken, omdat deze informatie is vergaard in het kader van de belastingheffing en daardoor valt onder de fiscale geheimhoudingsplicht.


3.1.

De rechtbank dient allereerst in deze zaak de vraag te beantwoorden of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan gemaakt kan worden.


3.2.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8761) kan een bevoegd gedane intrekking na afloop van de beroepstermijn niet meer ongedaan gemaakt worden, tenzij de intrekking heeft plaatsgevonden onder dwang, dwaling of bedrog. In deze zaak heeft de intrekking echter plaatsgevonden binnen de beroepstermijn en is eiseres nog binnen de beroepstermijn van deze intrekking teruggekomen. Naar het oordeel van de rechtbank staat geen rechtsregel hieraan in de weg.


4. Het beroep richt zich tegen de hoogte van de in bezwaar vastgestelde proceskosten. In haar (aanvullende) gronden van het beroep voert eiseres aan dat verweerder haar bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat de brief van 4 augustus 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit standpunt verdraagt zich niet met het betoog van eiseres dat verweerder de proceskosten voor de bezwaarprocedure op een te laag bedrag heeft vastgesteld, omdat bij het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar geen sprake is van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en geen recht op vergoeding van de proceskosten bestaat. Eiseres heeft dan ook geen belang bij deze procedure, zodat haar beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


6. Verweerder heeft in deze zaak, voor zover voor dit beroep van belang, een besluit genomen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Dit brengt op grond van artikel 8:105 van de Awb mee dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een eventueel hoger beroep.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.






De griffier is verhinderd deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen.



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.