Rechtbank Rotterdam, 01-05-2015 / ROT 14-3404


ECLI:NL:RBROT:2015:3165

Inhoudsindicatie
Wet openbaarheid van bestuur. Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiser in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Grond om eiser (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2016-06-22
Zaaknummer
ROT 14-3404
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


Zaaknummer: ROT 14/3404


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2015 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , eiser,gemachtigde: V. Quacken,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, verweerder,

gemachtigde: mr. H.E. Jansen-van der Hoek.



Procesverloop


Door middel van een faxbericht, gedateerd 6 maart 2013, heeft de gemachtigde van eiser namens eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om informatie met betrekking tot zogenaamde 'Wet Mulderbeschikkingen'.


Bij e-mail van 28 maart 2013 heeft het hoofd van de afdeling Vergunningen, handhaving en veiligheid van de gemeente Bernisse de gemachtigde meegedeeld dat de gevraagde informatie niet bestaat.

Bij faxbericht van 6 april 2013 heeft de gemachtigde een aanmaning gestuurd om een besluit te nemen op het Wob-verzoek van 6 maart 2013.

Bij faxbericht van 20 september 2013 heeft de gemachtigde opnieuw een aanmaning gezonden om te beslissen op het Wob-verzoek en heeft hij verzocht de hoogte van de aan hem te verbeuren dwangsom vast te stellen.


Bij besluit van 3 oktober 2013 (het primaire besluit) is het Wob-verzoek - onder verwijzing naar de e-mail van 28 maart 2013 - nogmaals afgewezen op de grond dat de gevraagde gegevens niet aanwezig zijn. Tevens is het verzoek tot vaststelling van de dwangsom afgewezen, omdat met de e-mail van 28 maart 2013 tijdig is beslist op het Wob-verzoek.

Bij faxbericht van 11 november 2013 heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen het besluit tot afwijzing van de vaststelling van een dwangsom. Tevens heeft hij verzocht om in bezwaar te worden gehoord.

Op 13 januari 2014 heeft de hoorzitting bij de commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Bernisse (de commissie) plaatsgevonden. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen.


Bij faxbericht van 5 april 2014 heeft de gemachtigde een aanmaning gezonden om een beslissing op bezwaar te nemen en aangekondigd dat hij, indien niet binnen twee weken is beslist, aanspraak zal maken op een te verbeuren dwangsom. Bij besluit van 10 april 2014, verzonden op 14 april 2014 (het bestreden besluit), heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernisse, tot 1 januari 2015 de rechtsvoorganger van verweerder, in afwijking van het advies van de commissie van 21 januari 2014, het bezwaar ongegrond verklaard.


Tegen dit besluit is op 21 mei 2014 beroep ingesteld.


Bij faxbericht van 1 juli 2014 zijn de gronden van het beroep aangevuld. De gronden zien uitsluitend op de afwijzende dwangsombeschikking.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


De gemachtigde van eiser heeft een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.


Overwegingen


1. De rechtbank zal eerst ambtshalve ingaan op de vraag of eiser en/of zijn gemachtigde namens hem de aan hen op grond van de Wob toekomende bevoegdheden op de juiste wijze hebben gebruikt en of dus geen sprake is van misbruik van recht.


2. De wettelijke grondslag voor het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep wegens misbruik van recht volgt uit artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129). Op grond van deze artikelen kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.


3. Uit deze uitspraak volgt ook dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist zijn, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt te meer indien het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de - soms zeer verstrekkende - bevoegdheden waarover de overheid beschikt en die een burger in de regel niet pleegt te hebben. In het licht daarvan en gelet op artikel 13, tweede lid, van Boek 3 van het BW en de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AL6396) zijn in geval van een dergelijk rechtsmiddel zwaarwichtige gronden onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.


4. Op grond van de Wob heeft een burger de bevoegdheid een bestuursorgaan te verzoeken om openbaarmaking van (informatie uit) documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Een verzoeker hoeft op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob bij zijn verzoek geen belang te stellen. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat het doel van deze aan de burger toekomende bevoegdheid is dat bepaalde documenten openbaar worden gemaakt. De burger hoeft, wanneer hij een Wob-verzoek doet, dus niet te specificeren waarom hij openbaarmaking van die documenten wenst, maar zijn doel moet wel zijn dát de documenten openbaar worden gemaakt. Dat betekent dat in het kader van de Wob sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid, indien een burger verzoekt om documenten met een ander doel dan de openbaarmaking van de in die documenten neergelegde informatie.


5. De rechtbank is van oordeel dat eiser dan wel zijn gemachtigde namens hem misbruik heeft gemaakt van de aan hen op grond van de Wob toekomende bevoegdheden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de volgende aspecten betrokken.


6. De gemachtigde heeft in beroep een door eiser ondertekende volmacht, gedateerd 8 augustus 2013, overgelegd, waarin eiser hem machtigt om “hem (lees: eiser) te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur op te vragen alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het bij weigering voeren van (gerechtelijke) procedures om deze gegevens alsnog te verkrijgen evenals het voeren van (gerechtelijke) dwangsomprocedures en het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor proceskosten e.e.a. in de ruimste zin des woords. Mocht er een proceskostenveroordeling/dwangsom uitgesproken worden is deze voor [X] (lees: [X] , de eenmanszaak van gemachtigde.)”


7. Met het verzoek van 6 maart 2013 heeft de gemachtigde namens eiser verzocht om, kort gezegd, openbaarmaking en verstrekking van alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring in 2010 die tot een Mulderbeschikking hebben geleid, uitgeschreven door een bij verweerder in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar. Uit een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 december 2014 (ECLI:NL:RBGEL: 2014:7847) is gebleken dat de gemachtigde namens eiser vergelijkbare verzoeken heeft gedaan bij een groot aantal andere gemeenten in Nederland. Vaststaat dat de gemachtigde ook namens andere personen vergelijkbare verzoeken bij gemeenten heeft ingediend. Dat eiser op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat het doel van een Wob-verzoek relevant kan zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

Op de vraag van de rechtbank ter zitting wat de reden was voor het Wob-verzoek en waarom de procedure wordt voortgezet nadat verweerder heeft aangegeven dat de gevraagde informatie niet bestaat, heeft eisers gemachtigde geantwoord dat verweerder niet op een adequate manier heeft gehandeld. Gemachtigde heeft desgevraagd verklaard dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan het feit dat de stukken er niet zijn De reden dat hij de procedure voortzet, is gelegen in het naar zijn mening onjuiste dwangsombesluit. Tevens heeft gemachtigde opgemerkt dat het indienen van een summier bezwaarschrift geen misbruik van recht geeft.


8. Deze omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat eiser en/of zijn gemachtigde namens hem met het verzoek van 6 maart 2013 niet heeft/hebben beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel slechts is geweest procedures te genereren, waarmee aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een dwangsom bij niet tijdig beslissen dan wel een proceskostenvergoeding in bezwaar en eventueel in (hoger) beroep zou kunnen worden verkregen. Hieruit volgt dat eiser de hem in de Wob toegekende bevoegdheid bewust heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld, zodat hij deze bevoegdheid heeft misbruikt.


11. Dat in de bestuurlijke fase sprake was van misbruik van bevoegdheid door eiser dan wel zijn gemachtigde namens hem heeft tot gevolg dat alle op die fase volgende handelingen, waaronder de keuze om verder te procederen, delen in dat lot. Dat betekent ook dat het voor (de gemachtigde van) eiser ten tijde van het instellen van het beroep evident moest zijn, dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Zij zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.


12. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiser in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat biedt grond om eiser (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Een proceskostenveroordeling kan enkel betrekking hebben op kosten die zijn genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu gemachtigde van verweerder geen ambtenaar in dienst van de gemeente Nissewaard is, maar een speciaal voor deze procedure aangestelde, als zelfstandige werkende jurist, ziet de rechtbank aanleiding om tot een proceskostenveroordeling over te gaan.


13. De rechtbank veroordeelt eiser in de door verweerder gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).


Beslissing


De rechtbank - verklaart het beroep niet-ontvankelijk;- veroordeelt eiser in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan verweerder.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.







griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.