Rechtbank Rotterdam, 19-01-2015 / 10/730075-14


ECLI:NL:RBROT:2015:318

Inhoudsindicatie
Veroordeling van een moeder voor de poging tot moord op haar twee minderjarige kinderen. Strafoplegging: Gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder een klinische behandeling gevolgd door een ambulant behandeltraject. Vordering officier van justitie tot oplegging van TBS met voorwaarden niet gevolgd. Uitvoerige strafmotivering en bespreking van verweren tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, afwezigheid van voorbedachte rade en deugdelijkheid van de poging.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-19
Publicatiedatum
2015-01-21
Zaaknummer
10/730075-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/730075-14

Datum uitspraak: 19 januari 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het [naam PI] ([adres 1]), verblijvende in de FPA [naam FPA],

raadsvrouw B.L.M. Ficq, advocaat te Amsterdam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15, 18 december 2014 en

5 januari 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. J. Boender heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde pogingen tot moord;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest;

- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden;

- dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.



ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE


Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het niet veiligstellen van het bloed van de verdachte en het niet uitvoeren van toxicologisch onderzoek op het bloed van de twee kinderen een ernstige schending van de verdedigingsrechten oplevert, waardoor geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Dit zou - zo begrijpt de rechtbank - moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.


Beoordeling


1. Inleiding

Het verweer valt in twee delen uiteen. Het berust in de eerste plaats op de stelling dat het aantreffen van de niet, dan wel beperkt aanspreekbare verdachte en haar twee kinderen in de afgesloten personenauto, waarbij zich in de kofferbak twee geopende gasflessen bevonden en het aantreffen van Temazepam en antidepressiva in de woning, aanleiding had moeten zijn het bloed van de verdachte veilig te stellen en toxicologisch onderzoek te doen naar het bloed van de twee kinderen. Op de tweede plaats stelt de verdediging dat het nalaten van het veiligstellen en onderzoek van het bloed - kennelijk - zodanig verwijtbaar is dat geen sprake meer is van een eerlijk proces.


2. Vaststellingen

In de ochtend van 22 februari 2014 tussen 10:00 en 10:30 uur is de verdachte - zo valt af te leiden uit diverse processen-verbaal van bevindingen - aangekomen in het ziekenhuis. Uit het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte blijkt dat zij op 22 februari 2014, 14:13 uur op het politiebureau aan de [adres 2] is gearriveerd. In de krappe vier uur van verblijf in het ziekenhuis zijn, zo blijkt uit het Pro Justitia Contra Expertise rapport van 15 oktober 2014, geen medicatiespiegels in het bloed bepaald. Kennelijk bestond daarvoor, gezien de medische situatie waarin de verdachte zich op dat moment bevond, noch op grond van andere omstandigheden, bij de behandelaars aanleiding.


Uit het NFI-rapport van 7 juli 2014 “Medisch forensisch onderzoek bij twee zusjes van 8 en 10 jaar oud” volgt dat de behandelend artsen op 22 februari 2014 op de hoogte waren van de toediening van Temazepam bij de twee kinderen. Deze wetenschap noch andere omstandigheden zijn voor de behandeld artsen - kennelijk - aanleiding geweest om het bloed van de kinderen op toxiciteit te onderzoeken. De kinderen zijn vervolgens na kortdurende observatie ontslagen uit het ziekenhuis.


3. Noodzaak

Tegen de achtergrond van voorgaande vaststellingen kan niet worden aangenomen dat waar het voor de behandelaars niet noodzakelijk werd gevonden om het bloed van de verdachte en/of de kinderen (nader) te onderzoeken, deze zelfde omstandigheden voor de politie/officier van justitie wel aanleiding hadden moeten zijn om bloed veilig te stellen, dan wel nader te onderzoeken. De overige onderzoeksbevindingen die daarvoor de aanleiding hadden moeten zijn, die door de verdediging op de zitting - desgevraagd - naar voren zijn gebracht, maken dit niet anders.


Reeds op grond hiervan kan het verweer niet slagen.


4. Verwijtbaarheid

Voor zover de omstandigheden voor de politie/officier van justitie wel aanleiding hadden moeten zijn om bloed veilig te stellen, dan wel nader te onderzoeken dan kan over de (mate van) verwijtbaarheid het volgende worden opgemerkt.

Niet iedere nalatigheid kan leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een eerlijk proces als geheel. Daarin speelt de mate van verwijtbaarheid een belangrijke rol. Uit het proces-verbaal van het eerste verhoor met de verdachte van 22 februari 2014 te 15:00 uur blijkt dat zij voorafgaand aan dat verhoor overleg heeft gehad met haar raadsvrouw. Vanaf dat moment had het op de weg van de verdediging gelegen om verzoeken te doen aan politie en/of - kort daarna - aan de rechter-commissaris, die de basis zouden hebben kunnen vormen voor een eventueel later te voeren verweer. De verdediging heeft dergelijke verzoeken niet gedaan en deze inactiviteit vormt een belangrijke component bij de beoordeling van de (mate van) verwijtbaarheid. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de verdediging de (mate van) verwijtbaarheid bij het voeren van het verweer onderbelicht heeft gelaten.


Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.



BEWIJS


Voorbedachte rade en opzet


Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het opzet en de voorbedachte rade niet kan worden afgeleid uit de afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte. Verdachte heeft deze heeft immers afgelegd op een moment dat zij zeer labiel en mogelijk sterk onder invloed van medicatie was, zodat deze verklaringen terughoudend moeten worden gebruikt. Aangevoerd is verder dat de verdachte zich niet heeft kunnen ‘beraden’ in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte zat ten tijde van het tenlastegelegde in een rand-psychotische tunnel, leed aan een zware depressie en was onder invloed van medicatie. Van enig ‘beraden’ kan dan geen sprake zijn.


Beoordeling


1. Verklaringen verdachte

De verdachte heeft voor wat betreft het moment van haar genomen besluit tot de door haar gepleegde handelingen en het opzet dat zij daartoe had, de verklaringen die zij bij de politie heeft afgelegd op de zitting herhaald. De verdachte heeft op de zitting niet aangegeven te twijfelen of haar verklaringen bij de politie op genoemde punten wel juist zijn afgelegd. Zij heeft slechts aangegeven dat zij niet meer precies weet wat de exacte wijze en de volgorde is geweest waarop c.q. waarin zij de uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Er is dan ook geen aanleiding om de verklaringen van de verdachte buiten beschouwing te laten en deze kunnen worden gebruikt als basis voor de bewezenverklaring in het algemeen en ten aanzien van het opzet en de voorbedachte rade, in het bijzonder.


2. Beraad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte rade' moet, indien de voorbedachte rade niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen - of het genomen - besluit en voorts dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte rade gaat het bij uitstek om weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte rade is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.


De verdachte heeft bij de politie verklaard - en dit heeft zij (als gezegd) op de zitting herhaald - dat zij kort nadat haar ex-partner op de avond van 21 februari 2014 had medegedeeld dat hij en de verdachte definitief uit elkaar gingen en de ex-partner was vertrokken, het besluit heeft genomen om zelfmoord te plegen en daarbij haar kinderen van het leven te beroven. Zij heeft de kinderen een tablet Temazepam gegeven en is vervolgens bij de kinderen gaan liggen totdat deze weer sliepen. Ze dacht toen na over hoe ze het zou doen. De verdachte heeft in de keuken een briefje geschreven, waarop stond ‘zorg goed voor de katten’. Zij heeft de gasflessen vanuit de tuin in de auto gezet, de kinderen een voor een uit bed gehaald en voorzien van een kussen en een deken in de auto gelegd. Ten slotte heeft zij de gasflessen opengedraaid en is zelf achter het stuur gaan zitten.


Uit het voorgaande feitencomplex volgt dat de verdachte de voorbedachte rade - nagenoeg - heeft erkend zodat deze voorbedachte rade welhaast rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt. Daarnaast is het tijdsverloop tussen het nemen van het besluit en de daadwerkelijke uitvoering daarvan met alle handelingen die daar feitelijk mee gemoeid zijn geweest, zodanig dat de verdachte ook tijd heeft gehad om zich te beraden op het genomen besluit en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Van contra-indicaties voor die vaststelling is niet gebleken.


Dat in de Pro Justitia rapporten is neergelegd dat de keuzevrijheid van de verdachte ten tijde van de hierboven beschreven handelen mogelijk was aangetast en dat het bewezenverklaarde haar om die reden niet of niet geheel kan worden toegerekend doen niet af aan de hiervoor vastgestelde voorbedachte rade.


Conclusie

Het verweer wordt verworpen.


Strafbare poging


Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de mogelijkheid bestaat dat de verdachte de werkelijkheid niet goed heeft kunnen reproduceren zodat rekening moet worden gehouden met het mogelijke scenario dat pas veel later (kort voor het aantreffen door haar ex-partner) de verdachte met haar kinderen in de auto heeft plaatsgenomen, zodat slechts vaststaat dat de kinderen zijn blootgesteld aan propaangas en dat zij bij het aantreffen bij bewustzijn waren. Vast staat immers niet: de hoeveelheid propaangas die is ontsnapt, dat de auto zodanig was afgesloten dat er geen propaangas uit kon ontsnappen, dat de kinderen daadwerkelijk Temazepam hadden ingenomen, het tijdstip waarop de kinderen in de auto zijn geplaatst of het tijdstip waarop de gasflessen zijn opengedraaid. Uitgaande van bovenbedoeld niet uit te sluiten scenario kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een deugdelijke poging omdat het middel daartoe ondeugdelijk is geweest. De verdachte dient om deze reden te worden vrijgesproken.



Beoordeling


1. Inleiding

Om te spreken van een strafbare poging moet de vraag worden beantwoord of de poging in het algemeen tot voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf kan leiden. De rechter moet zich afvragen of het gebruikte middel geschikt is om (zoals in deze zaak) iemand van het leven te beroven. Is het middel ongeschikt om dat doel te bereiken dan is sprake van een absoluut ondeugdelijke poging. Een dergelijke poging is niet strafbaar.

Daar tegenover staat de zogenaamde relatief ondeugdelijke poging. Een dergelijke poging is wél strafbaar. Men spreekt van een relatief ondeugdelijke poging wanneer het gebruikte middel wel tot (zoals in deze zaak) de dood zou kunnen leiden, maar niet tot die dood heeft geleid omdat (bijvoorbeeld) een niet dodelijke hoeveelheid van het middel is gebruikt.


Anders gezegd: Van een straffeloze absoluut ondeugdelijke poging kan pas gesproken worden als de uitvoeringshandeling zo kinderlijk, zo ondoeltreffend, zo ongerijmd is dat zij nimmer tot het door de verdachte beoogde doel had kunnen leiden, zelfs onder voor hem zeer gunstige omstandigheden.


In deze zaak gaat het om het blootstellen van de slachtoffers aan propaangas in een auto terwijl de slachtoffers Temazepam hadden ingenomen. De vraag die derhalve voorligt is of op deze manier iemand in het algemeen zou kunnen komen te overlijden.


2. Vooropstelling

Anders dan bij de onderbouwing van het hier besproken verweer door de verdediging gesteld staat op grond van de verklaring van de verdachte op de zitting vast dat de verdachte haar beide kinderen Temazepam heeft gegeven en dat zij dit hebben ingenomen voorafgaand aan het plaatsen van de kinderen in de auto.


3. Geen absoluut ondeugdelijk middel

In het NFI-rapport “Consultatie Technologie” van 16 mei 2014, wordt op pagina 6 geconcludeerd dat blootstelling aan propaangas potentieel dodelijk kan zijn. Ook is in dit rapport op dezelfde pagina opgenomen dat de combinatie van Temazepam met propaangas, de kansen kunnen verhogen op het optreden van ademhalingsdepressie en negatieve effecten op het hart. In het algemeen zou op de tenlastegelegde wijze iemand kunnen komen te overlijden. Er is daarom geen sprake van een absoluut ondeugdelijk middel.


4. Strafbare poging

De feiten en omstandigheden waarvan de verdediging stelt dat deze niet kunnen worden vastgesteld maken niet dat dit op zichzelf beschouwde deugdelijke middel alsnog verwordt tot een absoluut ondeugdelijk middel. Het niet kunnen vaststellen van deze feiten en omstandigheden dan wel het vaststellen van het tegendeel zouden hooguit tot de conclusie kunnen leiden dat het middel en daarmee de poging relatief ondeugdelijk is. Dit leidt echter niet tot conclusie dat sprake was van een niet strafbare poging. Een en ander nog daargelaten dat voor sommige door de verdediging gestelde (niet vaststaande) feiten en omstandigheden minst genomen aanwijzingen voorhanden zijn.


Conclusie

De rechtbank verwerpt het verweer.


Bewezenverklaring


Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:


zij

in de periode van 21 februari 2014 tot en met 22 februari 2014

te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijnde de minderjarige kinderen

van verdachte van het leven te beroven,


met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedrogeerd door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

een tablet Temazepam, te

laten innemen en- propaangasflessen in haar personenauto

merk Peugeot, type 307 heeft gezet en

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar deze (personen)auto heeft

gebracht en- de propaangasflessen in deze personenauto

heeft opengedraaid en- en

- de portieren van deze personenauto heeft gesloten

,


teneinde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] middels verstikking (door toedoen

van het vrijkomende propaangas), om het leven te brengen,


zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.


Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



STRAFBAARHEID FEIT


Het bewezen feit levert op:


poging tot moord, meermalen gepleegd.



Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het tenlastegelegde en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.


Beoordeling

De verdachte is door zes deskundigen onderzocht. In het Pro Justitia rapport van 10 juni 2014 komen de deskundigen Trompenaars (psychiater), Koudstaal (klinisch psycholoog) en De Kruijf (milieurapporteur) tot de conclusie dat de verdachte ten aanzien van hetgeen haar ten laste wordt gelegd als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.


Op verzoek van de verdediging is in opdracht van de rechter-commissaris een Pro Justitia Contra Expertise rapport opgesteld d.d. 15 oktober 2014. De rapporteurs Verkes (psychiater), Hopman-van Emmerik (klinisch psycholoog) en Van Bakel (psychiater) komen tot de conclusie dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde in ieder geval als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.


Verkes, Hopman-van Emmerik en Van Bakel merken in hun rapport op pagina 37 nog wel het volgende op:

“…men zou kunnen stellen dat betrokkene door de psychische toestand waarin zij in de avond en nacht van 21 op 22 februari verkeerde geen andere optie meer had dan een poging tot (zelf-)doding te ondernemen voor haarzelf en haar kinderen. Het zou ons inziens dus zelfs zo kunnen zijn dat betrokkene als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten aanzien van het tenlastegelegde.”


De beschouwingen en analyses van de deskundigen omtrent de conclusies dat de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, zijn in beide Pro Justitia rapporten zeer uitgebreid en uitvoerig gemotiveerd. Op de zitting van 15 december 2014 zijn 5 van de bovengenoemde deskundigen bovendien uitvoerig gehoord waarbij zij hun conclusies desgevraagd nader hebben gemotiveerd.

Noch in het contra expertise rapport, noch in de nadere motivering van de opstellers van dit rapport op de zitting is van een overtuigende en deugdelijke motivering gebleken voor de bovengenoemde ‘globale’ opmerking over een mogelijke volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Aan deze ‘conclusie’ wordt daarom voorbijgegaan.


Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


In juni 2013 kwam de verdachte er achter dat haar echtgenoot een buitenechtelijke relatie was aangegaan. De verdachte heeft sindsdien klachten van depressie gekregen en heeft daarvoor ook medicatie gekregen van de huisarts. Hoewel haar echtgenoot meerdere keren beloofde de relatie met zijn vriendin te beëindigen, kwam de verdachte er keer op keer achter dat hij dat niet deed. De verdachte kreeg steeds meer klachten van depressie en heeft de huisarts enkele weken voorafgaande aan het delict verzocht om een verhoging van de medicatie. De avond voorafgaande aan het delict heeft de echtgenoot de verdachte en de kinderen medegedeeld dat hij voor zijn vriendin koos en dat het huwelijk tussen hem en de verdachte definitief voorbij was. De echtgenoot van de verdachte heeft later deze avond de woning verlaten, waarna de verdachte zich naar eigen zeggen heel erg alleen voelde en ten einde raad was.


De verdachte heeft haar twee dochters een slaaptablet gegeven en hen naar haar auto gebracht. Zij heeft vervolgens twee propaangasflessen in de kofferbak van de auto geplaatst, deze flessen opengedraaid en is zelf in de auto gaan zitten. Hieraan voorafgaand heeft zij een afscheidsbriefje geschreven en dat in de woning achtergelaten.

De volgende ochtend heeft de echtgenoot van de verdachte de auto met daarin verdachte en hun twee kinderen op de oprit voor hun huis aangetroffen. Bij het openen van de deuren van de auto was een gaslucht waarneembaar. De beide kinderen reageerden in eerste instantie niet, maar kwamen vrij snel bij bewustzijn.


De verdachte heeft zich door aldus te handelen schuldig gemaakt aan een poging tot moord op haar kinderen. Een poging tot moord is een van de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. De kinderen zullen naar alle waarschijnlijkheid psychische gevolgen van dit optreden van hun moeder ondervinden. Juist in de eigen woning en in gezelschap van hun moeder zouden kinderen zich veilig moeten kunnen voelen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.


Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt echter rekening met de rapportages die betreffende de verdachte zijn opgemaakt en die hiervoor zijn aangehaald en welke hierna zullen worden uitgewerkt. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat ook verdachte heeft te lijden onder de door haar gepleegde handelingen nu zij niet meer bij haar kinderen kan zijn.


Reclassering Nederland heeft twee rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 24 april 2014 en 29 juli 2014. Het laatstgenoemde rapport ziet op een voorbereiding van TBS met voorwaarden.


De deskundigen Trompenaars (psychiater), Koudstaal (klinisch psycholoog) en De Kruijf (milieurapporteur) hebben - kort samengevat - als volgt gerapporteerd over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens in de vorm van een depressieve stoornis, die ernstig van aard is. Door het sterk op de voorgrond staan van het huidige depressieve toestandsbeeld is een diagnose ten aanzien van de persoonlijkheid niet te trekken. Uit het onderzoek komen wel sterke aanwijzingen naar voren voor de aanwezigheid van afhankelijke, ontwijkende en dwangmatige persoonlijkheidstrekken. Ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was er van deze ernstige depressieve stoornis sprake en beïnvloedde deze stoornis in zeer aanzienlijke mate de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat deze mede daaruit verklaard kunnen worden. Geadviseerd wordt om de verdachte ten aanzien van hetgeen haar ten laste wordt gelegd als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.


De deskundigen Verkes (psychiater en klinisch farmacoloog), Hopman-van Emmerik (klinisch psycholoog) en Van Bakel (psychiater) hebben - kort samengevat - het volgende gerapporteerd over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

De onderzoekers zijn het eens met de conclusie uit het eerste Pro Justitia rapport dat de verdachte lijdt aan een depressieve stoornis, welke ernstig was ten tijde van het eerdere Pro Justitia onderzoek. Volgens de onderzoekers is deze inmiddels licht van ernst. Tevens zijn zij het eens met de conclusie dat de verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aan een ernstige depressieve stoornis leed en dat deze stoornis de verdachte in zeer aanzienlijke mate beïnvloedde in haar gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, zodat deze mede daaruit verklaard kunnen worden. Bovendien was er volgens de onderzoekers van de contra-expertise onmiddellijk voorafgaande aan het tenlastegelegde sprake van een met de depressieve stoornis samenhangend (rand)psychotisch toestandsbeeld. Zij concluderen eveneens dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in ieder geval als sterk verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden.


De rechtbank neemt de conclusies aangaande de toerekeningsvatbaarheid uit de beide rapporten over, omdat deze in hoofdlijnen overeenkomen en ook door hetgeen overigens op de zitting is gebleken ondersteund worden. De verdachte heeft afhankelijke, ontwijkende en dwangmatige persoonlijkheidstrekken en was ten tijde van het tenlastegelegde lijdende aan een ernstige depressieve stoornis. Door de ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het begaan van het feit was de verdachte derhalve sterk verminderd toerekeningsvatbaar.


De deskundigen Trompenaars (psychiater), Koudstaal (klinisch psycholoog) en De Kruijf (milieurapporteur) hebben - kort samengevat - als volgt gerapporteerd over de mate van recidive.

Het risico op recidive wordt thans als ‘matig’, ingeschat maar dat dit kan mogelijk ‘hoog’ zijn in specifieke situaties, bijvoorbeeld wanneer de behandeling van de verdachte zou stagneren of wanneer betrokkende (deels) de zeggenschap over haar kinderen kwijt zou raken. Geadviseerd wordt de verdachte intensief te behandelen middels een klinische opname en daarna mogelijk ambulant. Bij voorkeur dient dit plaats te vinden binnen het kader van een maatregel van TBS met voorwaarden, omdat bij een voorwaardelijk strafdeel het staken van de behandeling mogelijk kan leiden tot het slechts nog uitzitten van een voorwaardelijk strafdeel.


Trompenaars heeft op de zitting opgemerkt dat zij voorzichtigheidshalve tot het advies van een maatregel van TBS met voorwaarden zijn gekomen omdat op basis van het onderzoek niet goed is in te schatten hoe hoog het recidiverisico precies is.


De deskundigen Verkes, Hopman-van Emmerik en Van Bakel schatten het recidiverisico lager in dan in het eerste Pro Justitia rapport. Zij overwegen zakelijk weergegeven als volgt:

De verdachte zal over voldoende weerbaarheid en veerkracht beschikken om - mede dankzij de aanwezigheid van een goed steunsysteem - de situationele factoren in de toekomst op een adequate wijze vorm te geven. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om op basis hiervan geen behandeling in een strafrechtelijk kader op te leggen. Dit is niet langer passend, omdat de depressieve stoornis van de verdachte niet langer ernstig is. Geadviseerd wordt de verdachte langdurig intensief psychiatrisch te behandelen in een vrijwillig kader.


Op de zitting heeft Verkes aangegeven dat hij gevaar op herhaling als zeer klein inschat en de verdachte geen gevaar voor haar omgeving is.


De rechtbank acht - overeenkomstig het rapport van de deskundigen Trompenaars, Koudstaal en De Kruijf - het recidivegevaar voor het in de toekomst opnieuw plegen van soortelijke delicten aanwezig. De rechtbank acht hiervoor met name de zeer reële toekomstige moeilijke factoren als de echtscheiding, eventueel (deels) gezagsverlies over de kinderen, de totstandkoming en nakoming van de omgangsregeling inzake de kinderen en het ‘omgaan’ met de huidige partner van de echtgenoot van de verdachte, van belang. De onderbouwing van het (zeer) lage recidiverisico door de andere deskundigen is onvoldoende gemotiveerd zodat daaraan voorbij zal worden gegaan.


Ter beperking van het recidivegevaar heeft de verdachte intensieve behandeling nodig. Hoewel aan de formele vereisten voor het opleggen van de maatregel van TBS is voldaan, zal de rechtbank hiertoe niet overgaan. De rechtbank is door de motivering van de deskundigen Trompenaars en Koudstaal niet overtuigd geraakt van de noodzakelijkheid hiervan en is van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een intensieve behandeling als bijzondere voorwaarde bij een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd (3 jaar). De rechtbank is ervan overtuigd dat de verdachte zeer gemotiveerd is tot de behandeling die zij reeds geruime tijd ondergaat en welke ook goed verloopt, zoals blijkt uit een op de zitting van 18 december 2014 door de verdediging overgelegd behandelplan. Ook is onderkend dat het sociale netwerk van de verdachte - gelet ook op hetgeen is voorgevallen - als vangnet kan en zal fungeren. Dat de intentie bij dit netwerk in ieder geval bestaat is gebleken uit de ondersteuning van de verdachte op de zitting en de door de raadsvrouw overgelegde brief waarin die intentie expliciet is gemaakt.


De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd en daaraan verbonden algemene en bijzondere voorwaarden. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich klinisch zal laten opnemen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [naam FPA] - ter behandeling van haar psychische problematiek - alsmede de overige bijzondere voorwaarden en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie gedateerd op 19 november 2014 niet eerder is veroordeeld.


Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.


IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN


De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto met kenteken [kenteken] terug te geven aan de rechthebbende.


Ten aanzien van de in beslag genomen personenauto zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die als rechthebbende kan worden aangemerkt.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.



BESLISSING


De rechtbank:


verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;


stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht;


stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich voor behandeling van haar psychische problematiek klinisch laten opnemen in FPA [naam FPA], althans een soortgelijke instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de (geneesheer-)directeur van die instelling in overleg met Reclassering Nederland behandeling klinisch nodig acht;

de veroordeelde zal zo nodig na klinische behandeling meewerken aan een (langdurige) ambulante behandeling bij een forensische polikliniek, zolang deze instelling dit in overleg met Reclassering Nederland nodig acht;

de veroordeelde zal zich na afronding van haar klinische behandeling opnieuw laten opnemen, indien dit binnen de proeftijd door de Reclassering Nederland, in overleg met de behandelaars van de veroordeelde, noodzakelijk wordt geacht;

de veroordeelde zal gedurende de proeftijd alleen contact hebben met haar kinderen op een wijze die door Reclassering Nederland passend wordt geacht.


geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- gelast de teruggave aan de rechthebbende van: de personenauto met kenteken [kenteken];


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. A.J.M. van Breevoort en J. Leyenaar-Holleman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2015.

Bijlage I bij vonnis van 19 januari 2015:


TEKST TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


zij

in of omstreeks de periode van 21 februari 2014 tot en met 22 februari 2014

te [plaats]

ter uitvoering van het door haar, verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

(een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zijnde de (minderjarige) kinderen

van verdachte) van het leven te beroven,


met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,


- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedrogeerd en/of verdoofd door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

een of meer tabletten/capsules Temazepam, althans een

medicijn/medicament/slaapmiddel/kalmeringsmiddel, toe te dienen en/of te

laten innemen en/of

- ( vervolgens) een of meer (propaan)gasflessen in haar/een (personen)auto

(merk Peugeot, type 307) heeft gezet/geplaatst en/of

- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] vanuit hun slaapkamer(s), in

slapende en/of bedwelmde toestand, naar deze (personen)auto heeft

gedragen/gebracht en/of (vervolgens) in deze (personen)auto heeft

gezet/gelegd en/of

- ( vervolgens) voornoemde (propaan)gasflessen in deze (personen)auto

heeft opengedraaid en/of

- ( daarbij) (vervolgens) zelf in deze (personen)auto heeft plaatsgenomen en/of

- ( daarbij) (vervolgens) de portieren van deze (personen)auto heeft gesloten

en/of gesloten heeft gehouden,


teneinde (zichzelf en/of) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] middels verstikking (door toedoen

van het vrijkomende (propaan)gas), om het leven te brengen,


zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;



(art. 289/287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)





1 Zie: De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 383 onder aanhaling van de noot van Van Veen bij Hoge Raad 15 januari 1980, NJ 1980, 245. (https://hybrid.kluwer.nl/docview?link=%2Fdelegate%2Fscion%2Fdocument%2Fhtml%2Finoda905f4a2fb4322bd621a6a764a6a47aa%3Fv%3Dn%26h1%3D%2528%2528poging.%257B27%257Dstrafbaar%2529%2529%252C%2528%2528poging.%257B4%257Dstrafbare%2529%2529%252C%2528hullu%2529%26idp%3DLegalIntelligence%26cfu%3Ddefault%26provider%3DKluwer32&type=document&provider=Kluwer32&idp=LegalIntelligence)