Rechtbank Rotterdam, 20-03-2015 / 3278724 CV EXPL 14-35931


ECLI:NL:RBROT:2015:3195

Inhoudsindicatie
vordering ex artikel 7:268 lid 2 BW. Vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst door medebewoner na overlijden van huurder. In casu is er sprake van zulke bijzondere omstandigheden dat zoon geacht kan worden een duurzame gemeenschappelijke huishouding te hebben gevoerd.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-05-06
Zaaknummer
3278724 CV EXPL 14-35931
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3278724 CV EXPL 14-35931


uitspraak: 20 maart 2015


vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te Rotterdam,

eiser in conventie bij exploot van dagvaarding van 18 juli 2014,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. M. Hartkoorn te Rotterdam,


tegen


de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. G.H.A. Vlierhuis te Rotterdam,


Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “SWR”.


1Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • - het exploot van dagvaarding van 18 juli 2014, met producties;
  • - de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties;
  • - het vonnis van 27 augustus 2014 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
  • - de conclusie van antwoord in reconventie en producties;
  • - het proces-verbaal van de op 14 november 2014 gehouden comparitie van partijen.

Het vonnis is nader bepaald op heden.


2De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende vast:


2.1

Tussen (de rechtsvoorgangster van) SWR als verhuurster en de vader van [eiser] als huurder is met ingang van 1 december 1992 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woonruimte gelegen aan [adres]te Rotterdam. Na het overlijden van de vader, op 5 december 2009, is de huurovereenkomst voortgezet door de moeder van [eiser].


2.2

[eiser] en zijn gezin staan sedert 23 januari 2012 in het bevolkingsregister ingeschreven op het adres [adres]te Rotterdam.


2.3

[eiser] heeft daarvóór, vanaf 1991, op diverse andere adressen in Rotterdam ingeschreven gestaan, laatstelijk (sedert 22 november 2007) op het adres [straatnaam]te Rotterdam. De huurovereenkomst met betrekking tot laatstgenoemde woning, waarvan SWR eveneens de verhuurster is, is door [eiser] op 29 december 2011 opgezegd.


2.4

De moeder van [eiser] is op 19 januari 2014 overleden.


2.5

Bij brief van 13 februari 2014 heeft [eiser] aan SWR verzocht om hem als medehuurder aan te merken en de huurovereenkomst met hem voort te zetten.


2.6

Bij brief van 26 februari 2014 heeft SWR aangegeven niet met het verzoek van [eiser] in te kunnen stemmen.


3De stellingen van partijen


in conventie

3.1

[eiser] vordert in conventie om te bepalen dat hij de huurovereenkomst welke tussen SWR en de moeder van [eiser] heeft bestaan met betrekking tot de woning aan [adres] Rotterdam voortzet en SWR te veroordelen in de proceskosten.


3.2

Aan de eis is naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1

[eiser] wenst de huurovereenkomst die tussen SWR en zijn moeder heeft bestaan, voort te zetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW.

3.2.2

[eiser] voerde een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij en zijn echtgenote sedert januari 2012 voor zijn moeder hebben gezorgd, gezamenlijk in de woning hebben gewoond en geregeld gezamenlijk op stap gingen. Verder hadden [eiser] en zijn moeder een gezamenlijke bankrekening waarop de huurtoeslag werd gestort en een deel van de gezamenlijke kosten werden voldaan. Ook heeft [eiser] de woning in januari 2012 opgeknapt en geschikt gemaakt om er samen met zijn gezin en zijn moeder te kunnen wonen. De gemeenschappelijke huishouding was op de toekomst gericht.

3.2.3

[eiser] heeft voldoende inkomsten om de huur steeds te kunnen voldoen. Dit blijkt uit de omstandigheid dat hij, nadat zijn moeder is overleden, de huur steeds heeft voldaan en van een huurachterstand dan ook geen sprake is. Ook ten aanzien van zijn oude woning is nooit sprake geweest van een huurachterstand.

3.2.4

Gelet op het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet behoeft [eiser] geen huisvestingsvergunning.

3.2.5

[eiser] heeft groot belang bij voortzetting van de huurovereenkomst. [eiser] heeft zich niet ingeschreven voor een andere woning en heeft ook geen uitzicht op een andere woning. Hij heeft de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [straatnaam] destijds opgezegd en die woning aan SWR achtergelaten. [eiser] heeft een emotionele band met de onderhavige woning en heeft in deze woning geld geïnvesteerd.


3.3

SWR heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

3.3.1

Er is geen sprake geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. Het enkele feit dat men onder één dak woont, is daartoe onvoldoende. De Hoge Raad heeft bepaald dat een samenleving tussen ouder en kind geen duurzame gemeenschappelijke huishouding is, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is in casu echter geen sprake.

Verder is er geen sprake van wederkerigheid. De huisgenoten dienen in gezamenlijkheid deel te nemen aan de huishouding. Daarvan was geen sprake omdat [eiser] en zijn gezin kennelijk met zijn moeder zijn gaan samenwonen in verband met de verslechterde gezondheid van zijn moeder, om op deze wijze veel (zorg)taken te kunnen verrichten.

[eiser] heeft slechts uitgaven gedaan om de woning geschikt te maken om er met zijn gezin te gaan wonen. Niet gesteld is dat de moeder hieraan heeft meebetaald, hetgeen aannemelijk geweest zou zijn als er sprake zou zijn geweest van een gemeenschappelijke huishouding.

Uit de door [eiser] overgelegde rekening afschriften volgt niet dat [eiser] een structurele financiële bijdrage heeft geleverd aan de huishouding van zijn moeder. Uit de verklaring van de zus van [eiser] volgt bijvoorbeeld dat de moeder de huur betaalde.

Op [eiser] rust een verzwaarde stelplicht met betrekking tot het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding.

3.3.2

SWR betwist dat [eiser] en zijn gezin reeds sedert 23 januari 2012 in de woning wonen. De huurovereenkomst met de vorige woning van [eiser] is pas per 3 maart 2012 beëindigd.

3.3.3

[eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om de huur te voldoen. Hij is pas per 1 januari 2014 met zijn bedrijf gestart. [eiser] heeft slechts een exploitatiebegroting overgelegd.

3.3.4

Bij een vordering als de onderhavige speelt een belangenafweging geen rol.

[eiser] weet al van aanvang af aan dat SWR met betrekking tot deze woning geen huurovereenkomst met [eiser] wenst aan te gaan: een verzoek om medehuurderschap is in januari 2012 reeds afgewezen. Dat hij desondanks de huurovereenkomst ter zake de oude woning heeft opgezegd en in de woning van zijn moeder is getrokken ligt in zijn risicosfeer.

SWR heeft in 2012 verder aangeboden om een woning te zoeken waar [eiser] en zijn gezin met zijn moeder zouden kunnen wonen, maar dat aanbod is afgeslagen.

Voorts heeft SWR al twee woningen aan [eiser] aangeboden, maar heeft [eiser] beide woningen afgewezen.

SWR wenst de woning te verkopen of aan te bieden in de vrije sector.


in reconventie

3.4

SWR vordert om bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om met onmiddellijke ingang de woning gelegen aan [adres] Rotterdam te ontruimen en te verlaten met al het zijne en de zijne en ter vrije beschikking van SWR te stellen, alsmede [eiser] te veroordelen om aan SWR te betalen € 441,42 per maand voor iedere maand dat [eiser] met de ontruiming in gebreke is, alsmede de proceskosten.


3.5

SWR heeft hiertoe het navolgende aangevoerd:

De moeder van [eiser] is op 19 januari 2014 overleden. [eiser] is geen medehuurder en komt geen beroep op artikel 7:268 lid 2 BW toe, zodat hij de huurovereenkomst van zijn moeder niet kan voortzetten. De huurovereenkomst is daarom beëindigd en [eiser] dient de woning te ontruimen.


3.6

[eiser] heeft de vordering betwist en daartegen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat de huur kan worden voortgezet, zolang op de vordering nog niet onherroepelijk is beslist. Indien de vordering in conventie zal worden afgewezen zal [eiser] hoger beroep tegen dit vonnis in stellen. [eiser] verzoekt dan ook om de vordering in reconventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Voorts heeft [eiser] belang bij een langere ontruimingstermijn, nu zijn echtgenote in verwachting is en omstreeks 9 april 2015 hoopt te bevallen van hun vierde kind. Ontruiming tijdens de laatste weken van de zwangerschap of gedurende de kraamtijd is zeer onwenselijk. [eiser] verzoekt daarom de ontruimingstermijn op minimaal 8 maanden te stellen. De huurtermijnen zijn en worden door hem betaald, voor SWR bestaat dan ook geen grond voor de vordering tot ontruiming.


4De beoordeling van het geschil


in conventie

4.1.Ter beoordeling ligt voor of [eiser], die niet kan worden aangemerkt als een medehuurder in de zin van artikel 7:266 lid 1 of 7:267 lid 1 BW, de huurovereenkomst, die heeft bestaan tussen SWR en de moeder van [eiser], na het overlijden van zijn moeder voort kan zetten.


4.2

[eiser] heeft de onderhavige vordering ingesteld bij exploit van 18 juli 2014 en mitsdien binnen 6 maanden na het overlijden van zijn moeder. Aldus is de vordering tijdig ingesteld en is [eiser] in zoverre ontvankelijk in zijn vordering.


4.3

Een vordering als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW dient afgewezen te worden indien de eiser niet voldoet aan de in dat artikel genoemde vereisten alsmede indien hij onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur en geen huisvestingsvergunning overlegt indien hoofdstuk II van de Huisvestingswet op de woonruimte van toepassing is


4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] en zijn gezin thans hun hoofdverblijf hebben in de onderhavige woning, zodat er in rechte van wordt uitgegaan dat [eiser] in zoverre voldoet aan het bepaalde in lid 2 van voornoemd artikel. Niet van belang is vanaf welk moment dit precies het geval is, zodat niet relevant is wanneer de huurovereenkomst met betrekking tot de vorige woning van [eiser] officieel is beëindigd.


4.5

Ter zake het bepaalde in lid 2 ligt dan ter beoordeling voor of er in casu tussen [eiser] (en zijn gezin) en zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding heeft bestaan en of deze duurzaam van karakter was.


4.6

Volgens vaste jurisprudentie berust de stelplicht en de bewijslast van de duurzame gemeenschappelijke huishouding op [eiser], waarbij ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding een verzwaarde stelplicht geldt, in de zin dat voldoende concrete feiten omtrent de gemeenschappelijke huishouding dienen te worden aangevoerd.

Ten aanzien van de duurzaamheid geldt geen verzwaarde stelplicht.


4.7

Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bij de samenlevingssituatie tussen ouders en kinderen in normale gevallen sprake is van een aflopende samenlevingssituatie, omdat kinderen plegen “uit te vliegen” en mitsdien niet van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van ouder en kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. Hierbij dienen alle omstandigheden van het geval in hun onderling verband, en niet iedere omstandigheid apart, te worden beoordeeld.


4.8

De kantonrechter is van oordeel dat het in het onderhavige geval sprake is van zulke bijzondere omstandigheden en dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser], zijn gezin en zijn moeder. Hiertoe wordt als volgt overwogen.


4.9

Ten eerste is door SWR niet betwist dat [eiser], na zo’n 19 jaar zelfstandig te hebben gewoond, eind 2011 de huurovereenkomst van de door hem van SWR gehuurde woning heeft opgezegd en dat [eiser] met zijn gezin weer bij zijn moeder is gaan wonen en zichzelf en zijn gezinsleden op dit adres in het bevolkingsregister heeft laten inschrijven. Er is dan ook geen sprake van een inwonend kind dat nimmer is “uitgevlogen” en waarin sprake is van een situatie die eindig is omdat het kind in beginsel op zich zelf zal gaan wonen. Deze samenwoning werd ingegeven door de behoefte aan hulp en verzorging en de nieraandoening van de moeder van [eiser]. De nieraandoening vergde dat zij gebaat was bij een behandeling aan huis door middel van buikspoelingen en dat zij bij deze dagelijkse behandeling hulp aan huis behoefde en dus intensieve mantelzorg was geïndiceerd. Hierbij is van belang dat de door [eiser] overgelegde verklaringen blijkt dat die verzorging meer heeft omvat dat wat gebruikelijk te verwachten is van een (inwonend) kind en er is dan ook voldoende onderbouwd dat [eiser] en zijn vrouw de moeder van [eiser] intensief hebben verzorgd. Er was hierbij echter geen sprake van een aflopende en/of tijdelijke situatie. De moeder was bij de aanvang van de samenwoning pas 66 jaar oud en weliswaar ziek, maar zeker niet terminaal. Ook is gesteld noch gebleken dat te voorzien was dat de gezondheidstoestand van de moeder snel en drastisch zou verslechteren. Dit blijkt ook uit de door [eiser] overgelegde verklaring van de specialist van januari 2012. Het overlijden van de moeder van [eiser] is veroorzaakt door een onverwachte hartstilstand en niet door de nieraandoening. Uit dit alles blijkt dat de samenwoning niet tijdelijk, maar blijvend en op de toekomst gericht was en aldus als duurzaam is aan te merken.


4.10

Ten tweede is voldoende komen vast te staan dat er tijdens deze samenwoning een gemeenschappelijke huishouding bestond, die ook wederkerig was. De financiën van het gezin van [eiser] en de moeder van [eiser] waren met elkaar verweven. Vaststaat - nu dat door SWR niet is betwist - dat [eiser] en zijn moeder, naast hun eigen bankrekening, ook een bankrekening hadden die op beider naam was gesteld. Van deze rekening zijn bankafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat het inkomen van de moeder van [eiser] op deze rekening werd gestort. Van deze rekening werden diverse vaste lasten voldaan, zoals bijvoorbeeld de huur en de energie. Ook werden hiervan soms boodschappen betaald en/of brandstof. Daarnaast had [eiser] nog een eigen rekening. Hiervan werden boodschappen betaald, de kosten van telefonie en tv, autokosten. Deze uitgaven waren ook ten behoeve van zijn moeder. [eiser] beraamt deze kosten op ongeveer € 738 per maand. Ook heeft [eiser] een wasmachine, die voor gemeenschappelijk gebruik diende, aangeschaft.

Hieruit volgt derhalve dat zowel [eiser] als zijn moeder beiden bijdroegen aan de gezamenlijke lasten van het de huishouding en dat beiden ook kosten voor en ten behoeve van de ander voldeden. Dat de kosten niet precies fifty-fifty verdeeld waren kan hieraan niet afdoen, nu juist de wederkerigheid van de samenwoning met zich brengt dat naar vermogen wordt bijgedragen aan de kosten van de huishouding en aan elkaar hulp en ondersteuning wordt geboden. Het is aan de gezinsleden zelf om uit te maken hoe zij die verdeling administratief vorm geven. Daarnaast kan gelet op de hoogte van de uitgaven ook niet geoordeeld worden dat de bijdrage van [eiser] zo gering was, dat deze zonder betekenis was en hij derhalve niet zou bijdragen aan de kosten van de huishouding van zijn moeder.

Ook is uit de overgelegde bankafschriften gebleken dat zowel [eiser] als zijn moeder uitgaven hebben gedaan om de woning op te kunnen knappen. Het betreft hier niet alleen de slaapkamers van zijn gezin, maar ook de gezamenlijk gebruikte ruimtes, waaronder de woonkamer. Volgens [eiser] bedroegen de kosten daarvan, circa € 5.000,00. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eiser] een op zijn naam staande factuur d.d. 1 juni 2012 voor de aankoop van vitrage en gordijnen overgelegd voor een totaalbedrag ad € 1.620,00, alsmede een bankafschrift van een geldopname van € 2.000,00 op 31 mei 2012 van de op zijn naam staande bankrekening, alsmede een overzicht van diverse pintransacties in de maanden september en oktober 2013 ten behoeve van aankopen bij de Gamma en de Action en verder twee op zijn naam gestelde verkoopbonnen voor de aanschaf van tapijt en een woonkamerlamp, alsmede vinyl in de maand mei 2013. Ook uit de afschriften van de en/of rekening blijkt dat er uitgaven bij de Gamma zijn gedaan. Ook deze uitgaven duiden op een gemeenschappelijk huishouding, nu het gehele huis is opgeknapt en dus niet alleen [eiser] en zijn gezin, maar ook zijn moeder daarvan profijt heeft gehad. Verder blijkt uit het opknappen van de woning dat de samenwoning op de toekomst gericht was.


4.11

Voorts is bij dit alles nog van belang dat de maaltijden door het gezin en de moeder gezamenlijk werden gebruikt, dat er met zijn allen televisie werd gekeken en ook familiebezoek en dagjes weg gezamenlijk werden ondernomen. Dit wordt niet alleen ondersteund door de verklaringen van de broer en zus van [eiser], maar ook door een tweetal hulpverleners die het gezin van dichtbij hebben meegemaakt. Ook hieruit komt naar voren dat [eiser], zijn gezin en zijn moeder één huishouden vormden. Daarbij is nog van belang in een gemeenschappelijke huishouding alle gezinsleden een eigen rol vervullen en gebleken is dat ook de moeder van [eiser] (naar vermogen) daarin heeft bijgedragen. Dit niet alleen door financieel de kosten van huisvesting op zich te nemen, maar ook door, toen dat nog mogelijk was, op de kinderen te passen. Daarnaast geldt voor het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding niet de eis dat er sprake moet zijn van een bijzondere lotsverbondenheid, voor zover SWR dat heeft willen betogen.


4.12

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW die [eiser], zijn gezin en zijn moeder zonder het overlijden van de moeder van [eiser] nog steeds zouden hebben gevoerd.


4.13

SWR betwist dat [eiser] voldoende waarborg heeft geboden om de huurbetalingen behoorlijk na te komen, omdat hij heeft volstaan met het overleggen van een exploitatie begroting van zijn bedrijf. Dit verweer wordt verworpen, nu na het overlijden van de moeder van [eiser] inmiddels een jaar is verstreken en SWR in deze procedure niet heeft aangevoerd dat er een achterstand in de betaling van de huurpenningen is ontstaan. In rechte wordt er daarom van uitgegaan dat afdoende is gebleken dat [eiser] in staat is om aan de huurbetalingsverplichtingen te voldoen.


4.14

Niet weersproken is dat de onderhavige woning geen betrekking heeft op woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II van de Huisvestingswet en [eiser] mitsdien geen huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van voornoemd wet behoeft over te leggen.


4.15

Het voorgaande leidt er toe dat de vordering van [eiser] behoort te worden toegewezen. SWR wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.


in reconventie


4.16

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist wordt de vordering in reconventie afgewezen.


4.17

SWR zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Gelet op de samenhang tussen de conventionele en reconventionele vordering worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil.


5De beslissing

De kantonrechter:


in conventie


bepaalt dat [eiser] de huurovereenkomst voortzet met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] te Rotterdam, welke tussen de moeder van [eiser] en SWR heeft bestaan;


veroordeelt SWR in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

€ 76,20, te weten 75% van de dagvaardingskosten,

welk bedrag SWR van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt, alsmede

€ 450,00 aan salaris voor de gemachtigde,

€ 26,07 aan resterende dagvaardingskosten en

€ 77,00 voor het door [eiser] verschuldigde en door zijn gemachtigde betaalde griffierecht,

van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;


verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;


in reconventie


wijst af de vordering van SWR;


veroordeelt SWR in de proceskosten van [eiser], welke kosten worden begroot op nihil.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

989