Rechtbank Rotterdam, 08-05-2015 / ROT 14-3009 en ROT 14-3010


ECLI:NL:RBROT:2015:3271

Inhoudsindicatie
Artikel 25 Wwb en artikel 3 Verordening toeslagen en verlagingen Rotterdam 2012. Toeslag van 20% naar 10% wegens bijverdiensten inwonend studerend kind. Toepassing hardheidsclausule.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-08
Publicatiedatum
2015-05-18
Zaaknummer
ROT 14-3009 en ROT 14-3010
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummers: ROT 14/3009 en ROT 14/3010


uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Keyser.




Procesverloop


Bij besluit van 22 november 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) op de uitkering van eiseres verleende toeslag van 20% met ingang van 1 augustus 2013 verlaagd naar een toeslag van 10%.


Bij besluit van eveneens 22 november 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Wwb herzien over de periode van

1 augustus 2013 tot en met 22 oktober 2013 en de over deze periode te veel betaalde uitkering van € 377,22 van eiseres teruggevorderd.


Bij afzonderlijke besluiten van 21 maart 2014 (de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen bestreden besluit I (14/3010) en bestreden besluit II (14/3009) beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Verweerder heeft aan zijn bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat één van de twee bij eiseres inwonende kinderen, geboren op[geboortedatum] (hierna: de dochter), vanaf 1 augustus 2013 verdiensten had boven het vrijgelaten bedrag van € 618,29, het normbedrag genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).


2. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de toeslag heeft verlaagd van 20% naar 10%. De dochter heeft in een periode gewerkt om haar schoolgeld en schoolboeken te betalen. De dochter, die een Mbo-opleiding volgt, is gelet op haar bestedingspatroon financieel niet in staat om bij te dragen aan de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud van eiseres. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 april 2007 ECLI:NL:CRVB:2007:BA5045, waarin de Raad heeft geoordeeld dat een inkomen uit studiefinanciering bestemd is voor studiekosten van een studerend inwonend kind, en dat niet kan worden verwacht dat deze tegemoetkomingen worden aangewend voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouder(s). Eiseres verwijst ook naar de uitspraak van de CRvB 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3614, waarin is geoordeeld dat in bijzondere gevallen sprake moet zijn van afstemming.



3. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsrecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht, dus de Wwb.


Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wwb bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wwb stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wwb verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.


Op grond van artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), zoals de bepaling ten tijde hier van belang luidde, bedroeg het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs voor thuiswonende studenten in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 € 618,29 per maand.


Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wwb stelt de gemeenteraad in de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Op grond van het tweede lid vindt verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de Wwb.


Artikel 3, eerste lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Rotterdam 2012, zoals deze gold ten tijde hier van belang (de Verordening, gepubliceerd in Gemeenteblad 2012, nr. 5), luidt als volgt.

1. De toeslag bedraagt voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder:

a. 20% als in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft dan:

1) zijn ten laste komende kinderen; of

2) thuisinwonende kinderen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet;

b. 20% als hij onderhuurder is en door middel van een schriftelijke onderhuurovereenkomst en betaalbewijzen aantoont een commerciële huurprijs verschuldigd te zijn;

c. 10% als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, anders dan een persoon bedoeld in onderdeel a, en hij geen onderhuurder is als bedoeld onder b.

Op grond van artikel 6 van de Verordening kan verweerder in bijzondere gevallen van deze verordening afwijken voor zover toepassing, gelet op de bedoelingen van de wet en de verordening, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.


4. Niet in geschil is dat de betreffende dochter van eiseres in augustus tot en met oktober 2013 inkomsten boven het vastgestelde normbedrag voor thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder ontving. In geschil is of verweerder artikel 3 uit de Verordening in redelijkheid kon toepassen.


4.1

De verordening is een op de Wwb berustend algemeen verbindend voorschrift en kan door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Alleen indien zij in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel kan haar verbindende kracht worden ontzegd. Het is aan verweerder om alle verschillende belangen, die betrokken zijn bij het vaststellen van de verordening, tegen elkaar af te wegen en het is niet aan de rechter om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan die belangen moeten worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen.


4.2.

Gelet op deze terughoudende toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot de betreffende bepaling in de verordening heeft kunnen komen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de uitspraak van de Raad van 17 april 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007: BA5045) valt af te leiden dat ouders geen woonkosten kunnen delen met een thuiswonend, niet ten laste komend, kind dat enkel inkomsten heeft uit studiefinanciering. Van tegemoetkomingen in het kader van de studie kan namelijk niet worden verwacht dat deze worden aangewend voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouders. Gelet hierop is artikel 25 Wwb op 1 januari 2010 gewijzigd en thans wordt inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 in aanmerking genomen. Op grond van artikel 3 van de Verordening wordt bij overschrijding van het normbedrag – met welk (gering) bedrag dan ook – de toeslag niet op 20% maar op 10% vastgesteld, zonder dat verweerder het schaalvoordeel dat zich in die situatie voordoet exact berekent. Dat dit systeem bij een geringe overschrijding van het normbedrag per saldo kan resulteren in een (beperkte) verslechtering van de inkomenssituatie en daarom als onredelijk wordt ervaren, leidt niet tot het oordeel dat de bepaling uit de verordening daarom in zijn algemeenheid in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder op grond van artikel 6 van de Verordening in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende kan afwijken van de bepalingen in de verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.


4.3

De rechtbank is thans (in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 augustus 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:6631) van oordeel dat als uitgangspunt dient te worden gehanteerd dat verweerder in die gevallen waarbij een thuisinwonend kind van 18 jaar of ouder inkomsten boven het normbedrag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wwb tot ten hoogste 10% van het netto minimumloon heeft, dient te beoordelen of er aanvullende bijzondere omstandigheden zijn die ertoe nopen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank verlaat dus het standpunt dat inkomsten van een thuisinwonend kind van 18 jaar of ouder boven het normbedrag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wwb tot ten hoogste 10% van het netto minimumloon zonder gevolg blijven voor de toeslag van de ouder.


4.4

Eiseres betwist niet dat het inkomen van haar dochter in de maanden augustus, september en oktober 2013 uit werkzaamheden bij CityMac B.V., opgeteld bij de studiefinanciering die de dochter als Mbo-studente maandelijks kon ontvangen, de norm uit artikel 3.18 van de Wsf 2000 van € 618,29 overschrijden. Zij betoogt dat het onredelijk is om vanwege deze inkomsten tot vaststelling van de norm op 10% in plaats van 20% over te gaan. Daartoe heeft zij er ter zitting op gewezen dat haar dochter alleen in augustus, en in mindere mate in september en oktober 2013 bijverdiensten heeft gehad naast haar studiefinanciering omdat zij daar juist in de vakantieperiode meer tijd voor had en zij op deze manier het collegegeld, dat zij in oktober 2013 moest betalen, kon voldoen. Na oktober 2013 heeft zij niet meer gewerkt. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres als een beroep op de hardheidsclausule.


4.5

Uit het dossier blijkt dat de dochter van eiseres in een beperkte periode, te weten een periode van drie maanden, naast haar studiefinanciering nog inkomsten uit haar bijbaan bij CityMac B.V. heeft ontvangen van respectievelijk € 613,36 in augustus 2013, € 245,08 in september 2013 en € 230,10 in oktober 2013, en dus in deze periode in totaal € 1088,54. Met deze bijverdiensten wordt de norm van artikel 3:18 van de Wsf 2000 overschreden.

Eiseres heeft echter bijzondere omstandigheden aangevoerd. De stelling van eiseres dat de dochter heeft gewerkt om het collegegeld te kunnen betalen, wordt ondersteund door het in beroep overgelegde bankafschrift, waaruit blijkt dat de dochter dit collegegeld ten bedrage van € 1.090,-- op 6 oktober 2013 daadwerkelijk heeft voldaan. De korte duur van de periode waarin de dochter bijverdiensten uit haar bijbaan bij CityMac B.V. heeft gehad, het betoog dat deze bijverdiensten nodig waren om het collegegeld te kunnen betalen, de overeenstemming tussen de periode van bijverdiensten en het moment waarop het collegegeld feitelijk is betaald, het feit dat de inkomsten uit de bijverdiensten niet meer bedragen dan het bedrag aan collegegeld en de daadwerkelijke betaling van het collegegeld door de dochter, in onderlinge samenhang bezien, leiden de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 6 van de Verordening, heeft kunnen afzien. Verlaging van de toeslag van eiseres van 20% naar 10% leidt onder genoemde omstandigheden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat de totale inkomsten van de dochter in de maand augustus 2013 door de - alleen in die (vakantie-)maand - aanzienlijke inkomsten van haar bijbaan het normbedrag eenmalig met meer dan 10% overschreden, doet daaraan vanwege genoemde bijzondere omstandigheden daaraan niet af bij toepassing van de hardheidsclausule.


4.6

De stelling van eiseres, onder verwijzing naar rechtsoverweging 7.3.8. uit een uitspraak van de Raad van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3614, dat ten onrechte geen afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wwb heeft plaatsgevonden, slaagt niet, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5. Met toepassing van artikel 6 van de Verordening kan in individualisering worden voorzien. Blijkens de toelichting op artikel 6 van de Verordening kan in bijzondere omstandigheden van de Verordening worden afgeweken indien dat gezien de individuele situatie en doel van de wet en de verordening noodzakelijk is. Artikel 6 van de Verordening omvat daarmee de ook met artikel 18, eerste lid, beoogde nadere individualisering.


5. De beroepen zijn gegrond.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden besluiten I en II worden vernietigd wegens strijd met artikel 6 van de Verordening. De rechtbank herroept, zelf in de zaak voorziend, het primaire besluit II en draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I met inachtneming van deze uitspraak.

6. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht in beide beroepsprocedures ten bedrage van (2 x € 45,- =) € 90,- vergoedt.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen primair besluit II, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).


Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart de beroepen gegrond;
  • - vernietigt de bestreden besluiten I en II;
  • - bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I;
  • - herroept primair besluit II;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van twee maal € 45,00 vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960, te betalen aan eiseres.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. C.A. Schreuder, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.