Rechtbank Rotterdam, 15-04-2015 / 10/996504-09


ECLI:NL:RBROT:2015:3348

Inhoudsindicatie
Veroordeling wegens faillissementsfraude. De rechtbank houdt een bestuurder verantwoordelijk voor bedrieglijke bankbreuk, gepleegd door een rechtspersoon. Overdracht van activa kort voor het faillissement. Selectieve betaling. Overdracht tegen een te lage prijs. Onttrekkingen aan de boedel. Valsheid in geschrift. Toewijzing vordering curator qq tot een bedrag van ruim 200.000,-
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-15
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
10/996504-09
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996504-09

Datum uitspraak: 15 april 2015

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1],

overigens niet ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

raadsman mr. drs. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2015.


TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. C.E.J. Backer heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest.


MOTIVERING VRIJSPRAAK


Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft de vrijspraak voor dit feit heeft gevorderd en door de raadsman is ook vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank zal daarom de vrijspraak niet nader motiveren.


BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

[bedrijf 1], welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam

d.d. 9 januari 2007 in staat van faillissement is verklaard, op tijdstippen gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 16 december 2009, te [bedrijf 13] en Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers:


a. baten niet heeft verantwoord en enige goederen aan de boedel heeft onttrokken en onttrekt en op een tijdstip waarop [bedrijf 1] en haar mededaders wisten dat het faillissement niet kon worden voorkomen een schuldeiser heeft bevoordeeld


 immers hebben [bedrijf 1] en haar mededader een bedrag van 125.000 euro, zijnde een deel van de opbrengst van de verkoop van de activiteiten van vestiging [bedrijf 13] door [bedrijf 2] doen overmaken naar [bedrijf 3] ter voldoening van achterstallig huur en

 een bedrag van 50.000 euro, zijnde het resterend deel van de opbrengst van de verkoop van de activiteiten van vestiging [bedrijf 13], verpand en/of in pand gegeven aan de [bedrijf 4], en

 voertuigen met kenteken [kenteken 1] en [kenteken 2] op naam van [bedrijf 1] verkocht en niet onder het bereik en beheer van de curator gebracht en een bedrag van 13.000 euro, zijnde de verkoopopbrengst van deze auto's, niet als inkomsten bij de curator gemeld, en

 een bedrag van 19.826,35 euro, zijnde geïnde debiteurenvorderingen op [bedrijf 5], op de rekening van [bedrijf 4], doen overmaken,


enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd door de activiteiten van vestiging Rotterdam te verkopen voor 1 euro,


niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ente voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, door niet de gehele/volledige administratie (waaronder de debiteuren- en/of crediteurenadministratie en/of inkomende- en/of uitgaande facturen) volledig uit te leveren aan de curator en geen deugdelijke administratie te voeren,


aan welke verboden gedragingenhij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;


2.

[bedrijf 1] op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juli 2005 tot en met 9 januari 2007 te Rotterdam meermalen, geschriften (loonadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, hebbende [bedrijf 1] toen daar telkens opzettelijk in de loonadministratie van [bedrijf 1], zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

betaallijsten lonen over de maand juli 2005 (D-050a) en augustus 2005 (D-050b), en/of

loonstaten van [betrokkene 1] (D-050d) en [betrokkene 2] (D-050e) over de maand januari 2006,

opgenomen, bestaande die valsheden hierin -zakelijk weergegeven- dat telkens op

ad a. die betaallijsten (te) hoge bedragen aan loon voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren vermeld en de lonen en de loonbetalingen voor [betrokkene 3] en [verdachte] niet waren vermeld, en

ad b. die loonstaten te hoge bedragen aan loon voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren vermeld,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

aan welke verboden gedragingenhij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen telkens feitelijke leiding heeft gegeven.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.


BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.


BEWIJSOVERWEGINGEN


Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde


Algemeen:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte tezamen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken was bij de doorstart in juli 2005 van [bedrijf 6]

[bedrijf 6] naar [bedrijf 1]

[medeverdachte 1] had de dagelijkse leiding bij de vestiging [bedrijf 13], terwijl de verdachte de vestiging te Rotterdam onder zijn hoede had. [medeverdachte 2] trad op als adviseur en financier.

Doordat de relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 1] verslechterde stelde [medeverdachte 1] aan de verdachte en [medeverdachte 2] voor om de vestiging van [bedrijf 1] te Schiphol over te nemen. (V05-2), (V06-08)


Uiteindelijk resulteerden de onderhandelingen over de bedoelde overname erin, dat bedoelde vestiging voor een bedrag van € 175.000,-- door [bedrijf 7] van [bedrijf 1] werd gekocht. (D-005 en D-006c). Als vertegenwoordigster van de koper trad de echtgenote [betrokkene 1] van [medeverdachte 1] op. De verdachte vertegenwoordigde [bedrijf 1] Eén van de voorwaarden van de daartoe strekkende overeenkomst was dat een bedrag van € 125.000,-- zou worden betaald aan de verhuurder van het pand, waarin de vestiging te Schiphol was gevestigd, omdat anders op zeer korte termijn een ontruiming dreigde. Een daartoe strekkende executoriale titel was al verkregen.


Uit de verklaringen, die onder andere door de medeverdachte [medeverdachte 2] en de boekhouder [betrokkene 4] zijn afgelegd blijkt dat [bedrijf 1] vanaf de aanvang van het jaar 2006 al in moeilijke financiële omstandigheden terechtkwam. (V06-05) (G05-01). Zo moest er volgens de verklaringen van de medewerkster [betrokkene 5] van het bedrijf [bedrijf 8] (G08-01) met dat bedrijf worden onderhandeld over betalingsproblemen.

Voorts was ook volgens de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] een groeiende huurachterstand (G15-01) (G03-01). Tevens waren er volgens medeverdachte [medeverdachte 2] veel meer belastingschulden dan aanvankelijk werd gedacht (V06-05). Met de verkoop van de activa van de vestiging Schiphol raakte [bedrijf 1] het best lopend onderdeel van haar bedrijf kwijt, terwijl de bij die vestiging behorende schulden in [bedrijf 1] achterbleven. Het kon [bedrijf 1] en haar bestuurders op dat moment niet zijn ontgaan dat faillissement van het bedrijf onafwendbaar was.


Aanwending koopsom voor huur

Het feit dat van de koopsom van het verloren deel (de vestiging [bedrijf 13]) het overgrote deel € 125.000,-- werd aangewend om de huurovereenkomst van de vestiging [bedrijf 13] te bestendigen heeft voor [bedrijf 1] geen enkel voordeel opgeleverd, doch diende primair de belangen van medebestuurder en medeverdachte [medeverdachte 1] die (middellijk) de vestiging [bedrijf 13] zou voortzetten. Door die betaling is de verhuurder van het pand van de vestiging [bedrijf 13] in relatie tot andere crediteuren van [bedrijf 1] bevoordeeld. De verdachte voerde als bestuurder van [bedrijf 9] (K.v.K-002) de directie over [bedrijf 1] en had de dagelijkse leiding had over de slecht renderende vestiging te Rotterdam. Hij had ook als bestuurder van [bedrijf 9] regelmatig contact met de medeverdachte [medeverdachte 1], die de dagelijkse leiding bij de vestiging te Schiphol had (V05-0l) (V06-02) Daarnaast had hij nauw contact met de medeverdachte [medeverdachte 2], die betrokken was bij de financiering en advisering van het bedrijf van [bedrijf 1] (V06-02).

De verdachte moet hebben geweten van het belang van de vestiging [bedrijf 13] voor de resultaten van [bedrijf 1] Als gezegd kan bij hem wetenschap worden verondersteld dat door de verkoop van de vestiging [bedrijf 13] het faillissement van [bedrijf 1] niet meer te vermijden was. Door onder die omstandigheden de achterstallige huur ineens te voldoen heeft [bedrijf 1] minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het verkorten van de rechten van haar overige schuldeisers.


Reservering € 50.000

Ook het beding dat het resterend deel van de koopsom ad € 50.000,-- (D-005 en D-006c)

niet direct hoefde te worden uitbetaald, maar mocht worden schuldig gebleven tot 30 juni

2009 en uiteindelijk diende te worden overgeboekt naar de [bedrijf 4]

[bedrijf 4] heeft de overige schuldeisers benadeeld. Dit bedrag kon immers niet ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren worden aangewend, maar strekte uitsluitend tot betaling aan voormelde aan medebestuurder en medeverdachte [medeverdachte 2] gelieerde Stichting. Dusdoende heeft [bedrijf 1] minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het verkorten van de rechten van haar overige schuldeisers.


Onttrekking voertuigen

Verdachte was vanaf 1 februari 2006 (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] Op het moment van het faillissement van [bedrijf 1] (op 9 januari 2007) stonden de voertuigen met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] op naam van [bedrijf 1] Door de namens [bedrijf 10] en [bedrijf 11] optredende [betrokkene 6] is verklaard dat hij de voertuigen op 21 februari 2007 voor € 13.000,- heeft gekocht van de verdachte, die (deed alsof hij) handelde uit naam van [bedrijf 7]. Uit niets blijkt dat de voertuigen – ondanks het feit deze op naam stonden van [bedrijf 1] op 21 februari 2007 – op enig moment voorafgaand aan die datum eigendom waren geworden van [bedrijf 7] Ten tijde van deze transactie was het faillissement van [bedrijf 1] uitgesproken en [bedrijf 1] vermocht op dat moment derhalve niet over haar vermogen te beschikken.


Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat door het handelen van de verdachte – die handelde als formeel en feitelijke leidinggevende van [bedrijf 1] – bovengenoemde voertuigen (en tevens de opbrengst van de verkoop van die voertuigen) onrechtmatig aan de boedel zijn onttrokken.


Vorderingen bij [bedrijf 5]

In het dossier zit een door de verdachte ondertekende ongedateerde brief, die is gericht aan de heer [betrokkene 7], werkzaam voor [bedrijf 5] (D-063F). Deze brief is opgesteld op briefpapier van [bedrijf 1] [betrokkene 7] wordt daarin – onder vrijwaring van verdere rechtsgevolgen – verzocht om de aan [bedrijf 1] verschuldigde bedragen over te maken op de bankrekening van [bedrijf 6]. Op 17 augustus 2007 heeft de verdachte een fax verstuurd aan [betrokkene 7] – wederom opgesteld op briefpapier van [bedrijf 1] – met als bijlage ‘zoals besproken’ het overzicht van het openstaande bedrag van in totaal € 19.826,35 (D-063H/I). [betrokkene 7] heeft verklaard dat [bedrijf 5] vervolgens op 21 augustus 2007 de betaling van facturen van [bedrijf 1] ten bedrag van € 19.826,35 heeft gestort op de rekening van [bedrijf 6] Ten tijde van deze transactie was het faillissement van [bedrijf 1] uitgesproken en [bedrijf 1] vermocht op dat moment derhalve niet over haar vermogen te beschikken.


Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat door het handelen van de verdachte – die handelde als formeel en feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] – bovengenoemd bedrag onrechtmatig aan de boedel is onttrokken.


De verkoop van de activiteiten van de vestiging Rotterdam

De verkoop van het zelfstandig gedeelte van [bedrijf 1] aan de [adres 2] in Rotterdam is bij akte van verkoop van 7 juli 2006 door [bedrijf 1] verkocht aan de besloten vennootschap [bedrijf 12] (voorloper van [bedrijf 7]) voor een bedrag van € 1,--. De verdachte was op dat moment (al dan niet middellijk) bestuurder van beide B.V.’s.

De concrete waarde van de verkochte activiteiten kan weliswaar niet worden vastgesteld, maar nu onder de verkoop in elk geval een klantenbestand van 22 klanten was begrepen (en verder nergens uit blijkt dat onderdeel van de overeenkomst was dat de vorderingen op [bedrijf 1] naar [bedrijf 12] ook zouden zijn overgegaan naar [bedrijf 12]) kan met zekerheid worden vastgesteld dat de waarde van de activiteiten in elk geval meer dan € 1,-- heeft vertegenwoordigd. Door die verkoop op een moment waarop [bedrijf 1] wist dat haar faillissement onafwendbaar was, heeft [bedrijf 1] minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het verkorten van de rechten van haar schuldeisers.


Niet uitleveren van de administratie

Door de curator in het faillissement van [bedrijf 1] is geconstateerd dat niet de complete boekhouding van het bedrijf is uitgeleverd. De debiteurenadministratie is niet aan de curator ter hand gesteld, waardoor de curator en daarmee de gezamenlijke schuldeisers geen zicht had(den) op de openstaande vorderingen van [bedrijf 1] Voor het bewijs van dit onderdeel baseert de rechtbank zich daarnaast op de verklaring van de ter terechtzitting gehoorde getuige [getuige 3]. Deze getuige heeft verklaard dat hij de verdachte heeft bijgestaan in procedures die betrekking hadden op het faillissement van [bedrijf 1] en dat hij aanwezig is geweest bij gesprekken, waarbij de curator en de medeverdachte [medeverdachte 2] aanwezig zijn geweest en die -onder meer- betrekking hadden op de ontbrekende delen van de aan de curator ter hand gestelde administratie. De getuige heeft voorts verklaard dat hij de verdachte naar aanleiding van die gesprekken heeft meegedeeld dat hij als bestuurder verantwoordelijk is en blijft voor de overdracht van de volledige administratie aan de curator. Door dit niet te doen heeft de verdacht niet voldaan aan de op hem rustende verplichting ingevolge artikel 15i, eerste lid van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.


Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde

De opgaven op de betaallijsten en de loonstaten (D-050a, D-050b, D-050d en D-050e)

belichamen een valse opgave, nu de aldaar ten titel van salaris genoemde bedragen veel

hoger zijn dan hetgeen aan de betrokken werkneemsters [betrokkene 1] (echtgenote

van medeverdachte [medeverdachte 1]) en [betrokkene 2] (echtgenote van verdachte) daadwerkelijk is

uitbetaald.

De bedoeling hiervan was om het door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] genoten loon op

naam van hun echtgenoten uit te betalen, zodat deze lonen buiten de loonadministratie

bleven. Een en ander wordt zowel door de betrokken werkneemsters alsmede door de

medeverdachte [medeverdachte 2] erkend (V07-02, GIO-Ol en V06-02).

De betaallijsten en loonstaten hebben betrekking op de maanden juli en augustus 2005 en op

de maand januari 2006. Dit is een periode waarin verdachte middellijk via de door hem

geïnstrueerde bestuurder [betrokkene 8] dan wel feitelijk leiding gaf aan de vestiging Rotterdam van

[bedrijf 1] (G06-01) (V05-0l) (V06-02).


STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


Feit 1 primair:

Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen, meermalen gepleegd.


Feit 2 primair:

Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.


Met betrekking tot feit 1, onder a, eerste gedachtestreepje is namens de verdachte aangevoerd dat geen sprake was van strafwaardig handelen omdat, onder verwijzing naar het arrest van Hof Arnhem van 15 september 2009 (nr. 21-002588-08; LJN BJ9391) de materiële wederrechtelijkheid zou ontbreken.

Anders dan het Hof in evenbedoeld arrest komt de rechtbank in het voorliggende geval tot de conclusie dat de toepasselijke faillissementsnormen wel zijn geschonden. De onverplichte overdracht van het actief van [bedrijf 1], gevolgd door selectieve betaling van een schuldeiser en de onttrekking van goederen aan de boedel terwijl de verdachte wetenschap had van de benadeling van de schuldeisers van [bedrijf 1], is, zoals hierboven overwogen, wederrechtelijk. Het verweer dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt wordt dan ook verworpen.


Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.


STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.


STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


Verdachte heeft samen met anderen een bijdrage geleverd aan de doorstart van [bedrijf 1] in twee andere bedrijven, die door medeverdachte [medeverdachte 1] en door verdachte werden beheerst.

Na de doorstart bleven in [bedrijf 1] omvangrijke schulden achter. Omdat een redelijke koopsom ontbrak (Rotterdam) of niet aan [bedrijf 1] ten goede is gekomen ([bedrijf 13]) resteerden nauwelijks activa en liquide middelen waarop de overige crediteuren van [bedrijf 1] verhaal konden nemen. [bedrijf 1] is dan ook in januari 2007 failliet verklaard. Ondanks dit faillissement is verdachte toch over vermogensbestanddelen van [bedrijf 1] blijven beschikken.

[bedrijf 1] had haar onderneming gekocht uit het faillissement van [bedrijf 4], die haar onderneming had gekocht uit het faillissement van [bedrijf 14]. Bij al deze vennootschappen waren verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] als aandeelhouder of anderszins nauw betrokken. Al deze vennootschappen hebben gedurende hun korte bestaan omvangrijke schulden opgebouwd en onbetaald gelaten. Na het faillissement van [bedrijf 1] hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de ondernemingsactiviteiten middellijk voortgezet.

Aldus rijst het beeld van een keten van faillissementen waarin verdachte telkens grote schade toebrengt aan anderen en aan de samenleving.


De rechtbank acht deze faillissementsfraude een zeer ernstige ondermijning van de positie van crediteuren. Een dergelijk handelen is funest voor een goed lopend handels- en betalingsverkeer, waarbij onderling vertrouwen onontbeerlijk is. De door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde feiten ondergraven dit vertrouwen.

Het nadeel voor de crediteuren ten gevolge van de fraude is van een dergelijke omvang, dat alleen al door dit feit aan het opleggen van een gevangenisstraf niet meer valt te ontkomen nu het opleggen van een andere strafmodaliteit, zoals bijvoorbeeld een werkstraf, onvoldoende recht zou doen aan de ernst van de feiten.


De verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift gepleegd door het inkomen, dat hij en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] ontvingen van [bedrijf 1] onder de namen van hun respectievelijke echtgenotes in de loonadministratie van [bedrijf 1] op te nemen.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 februari 2015 ten tijde van het ten laste gelde niet eerder was veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.


De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist. In nog verdergaande mate dan de officier van justitie reeds heeft gedaan houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in deze zaak.


VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1], gevestigd te Rotterdam, ter zake van de tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 825.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de kosten voor de tenuitvoerlegging van het vonnis. [naam curator] heeft ter terechtzitting van 1 april 2015 de vordering mondeling vermeerderd tot een bedrag van € 1.015.671,40.

De benadeelde partij heeft verzocht om ter zake van het toe te wijzen bedrag de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte op leggen.


De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder oplegging van de maatregel van schadevergoeding aan de verdachte.


Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feiten in ieder geval tot een bedrag van € 207.826,35 (bestaande uit een bedrag van € 125.000,- als de betaalde achterstallige huur, € 50.000,- als resterend deel van de – niet bij de curator gemelde – opbrengst van de verkoopprijs van de vestiging [bedrijf 13], een bedrag van € 13.000,00 aan opbrengst van verkoop van de voertuigen met het kenteken [kenteken 1] en [kenteken 2], alsmede een bedrag van € 19.826,35 aan geïnde debiteurenvorderingen, overgemaakt op rekening van [bedrijf 5]) rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering ten aanzien van deze schade genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.


Voor het overige zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.


Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


Nu de vordering van de benadeelde partij (ten dele) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 47, 51, 57, 63, 225 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.


BESLISSING


De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


wijst de vordering van de benadeelde partij [naam curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1], toe tot een bedrag van € 207.826,35 (tweehonderdenzeven duizend achthonderdzesentwintig euro en vijfendertig eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 207.826,35 (tweehonderdenzeven duizend achthonderdzesentwintig euro en vijfendertig eurocent) beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 207.826,35 als dwangmiddel hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 365 dagen; toepassing van deze hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. V. Mul en E. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 april 2015.



Bijlage bij vonnis van 15 april 2015:


TEKST TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

[bedrijf 1],

welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam

d.d. 9 januari 2007 in staat van faillissement is verklaard,

op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 februari 2006 tot en met 16 december 2009,

te [bedrijf 13] en/of Rotterdam en/of Woerden en/of Wieringerwerf en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers:


a. (een) last(en) heeft verdicht en/of verdicht, hetzij (een) bate(n) niet

heeft verantwoord en/of niet verantwoordt, hetzij enig(e) goed(eren) aan de

boedel heeft onttrokken en/of onttrekt en/of

op een tijdstip waarop [bedrijf 1] en/of haar mededader(s)

wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen een schuldeiser heeft bevoordeeld en/of bevoordeelt,

- immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of haar mededader(s)

een bedrag van 125.000 euro, zijnde (een deel van) de opbrengst van de

verkoop van de (activiteiten van) vestiging [bedrijf 13], overgemaakt,

althans door [bedrijf 2] doen overmaken naar [bedrijf 3]

[bedrijf 3] ter voldoening van achterstallig huur en/of

- een bedrag van 50.000 euro, zijnde het resterend deel van de opbrengst van

de verkoop van de (activiteiten van) vestiging [bedrijf 13], verpand en/of

in pand gegeven aan de [bedrijf 4], en/of

- ( een) auto('s) met kenteken [kenteken 1] en/of [kenteken 2] op naam van [bedrijf 1]

[bedrijf 1] verkocht en/of niet onder het bereik en beheer van de

curator gebracht en/of een bedrag van 13.000 euro, zijnde de

verkoopopbrengst van deze auto('s), niet als inkomsten bij de curator

gemeld, en/of

een bedrag van 19.826,35 euro, zijnde geïnde debiteurenvorderingen op

[bedrijf 5], op de rekening van [bedrijf 4]

[bedrijf 4], althans aan (een) ander(en) dan aan de curator doen

overmaken,


b. enig goed om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd

door de (activiteiten van) vestiging Rotterdam te verkopen voor 1 euro,


c. niet heeft voldaan en/of niet voldoet aan de op haar rustende

verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge

artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel

15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren

en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere

gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld, door niet de

gehele/volledige administratie

(waaronder de debiteuren- en/of crediteurenadministratie en/of inkomende-

en/of uitgaande facturen) te bewaren en/of (desgevraagd) volledig uit te

leveren aan de curator

en/of

geen deugdelijke administratie te voeren,


tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) híj, verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;


art 341 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1e Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij

op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 februari 2006 tot en met 16 december 2009,

te [bedrijf 13] en/of Rotterdam en/of Woerden en/of Wieringerwerf en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

als (feitelijk) bestuurder van [bedrijf 1], welke besloten

vennootschap bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 9 januari 2007 in

staat van faillissement is verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van

die rechtspersoon ([bedrijf 1]):


a. (een) last(en) heeft verdicht en/of verdicht, hetzij (een) bate(n) niet

heeft verantwoord en/of niet verantwoordt, hetzij enig(e) goed(eren) aan de

boedel heeft onttrokken en/of onttrekt en/of

op een tijdstip waarop hij, verdachte, en/of zíjn mededader(s) wist(en) dat

het faillissement niet kon worden voorkomen een schuldeiser heeft bevoordeeld en/of bevoordeelt,


immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een bedrag van 125.000 euro, zijnde (een deel van) de opbrengst van de

verkoop van de (activiteiten van) vestiging [bedrijf 13], overgemaakt,

althans door [bedrijf 2] doen overmaken naar [bedrijf 3] ter voldoening van achterstallige huur, en/of

- een bedrag van 50.000 euro, zijnde het resterend deel van de opbrengst van

de verkoop van de (activiteiten van) vestiging [bedrijf 13], verpand en/of

in pand gegeven aan de [bedrijf 4], en/of

- ( een) auto('s) met kenteken [kenteken 1] en/of [kenteken 2] op naam van [bedrijf 1] verkocht en/of niet onder het bereik en beheer van de

curator gebracht en/of een bedrag van 13.000 euro, zijnde de

verkoopopbrengst van deze auto('s), niet als inkomsten bij de curator

gemeld, en/of

- een bedrag van 19.826,35 euro, zijnde geïnde debiteurenvorderingen op

[bedrijf 5], op de rekening van [bedrijf 4]

[bedrijf 4], althans aan (een) ander(en) dan aan de curator doen overmaken,


b. enig goed om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd

door de (activiteiten van) vestiging Rotterdam te verkopen voor 1 euro,

c. niet heeft voldaan en/of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen

ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10,

eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste

lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te

voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers

in dat/die artikel(en) bedoeld,

door niet de gehele/volledige administratie (waaronder de debiteuren- en/of crediteurenadministratie en/of inkomende- en/of uitgaande facturen) te bewaren en/of (desgevraagd) volledig uit te leveren aan de curator

en/of

geen deugdelijke administratie te voeren;


art 343 Wetboek van Strafrecht

art 343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


2.

[bedrijf 1]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 9 januari 2007

te [bedrijf 13] en/of Rotterdam en/of Woerden en/of Wieringerwerf en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) geschriften (loonadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs

van enig feit te dienen

(telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

hebbende [bedrijf 1] en/of haar mededaders

toen daar

(telkens) opzettelijk

in de loonadministratie van [bedrijf 1],

zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

(telkens)

a. (een) betaallijst(en) lonen over de maand juli 2005 (D-050a) en/of augustus

2005 (D-050b),

en/of

b. (een) loonsta(a)t(en) van [betrokkene 1] (D-050d) en/of [betrokkene 2]

(D-050e) over de maand januari 2006,

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt,

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin -zakelijk weergegeven-

dat (telkens) op

ad a. die betaallijst(en) (een) (te) ho(o)g(e) bedrag(en) aan loon(betaling)

voor [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] was/waren vermeld en/of opgenomen, en/of

het/de lo(o)n(en) en/of de loonbetaling(en) voor [betrokkene 3] en/of [verdachte] niet was/waren vermeld en/of opgenomen,

en/of

ad b. die loonst(a)t(en) (een) (te) ho(o)g(e) bedrag(en) aan loon voor [betrokkene 1]

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] was/waren vermeld en/of opgenomen,


zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,


tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;


art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 51 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij


op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 10 juli 2006

te [bedrijf 13] en/of Rotterdam en/of Woerden en/of Wieringerwerf en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) geschriften (loonadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs

van enig feit te dienen

(telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

toen daar

(telkens) opzettelijk

in de loonadministratie van [bedrijf 1],

zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het

daarin vermelde te dienen,

(telkens)

a. (een) betaallijst(en) lonen over de maand juli 2005 (D-050a) en/of augustus

2005 (D-050b),

en/of

b. (een) loonsta(a)t(en) van [betrokkene 1] (D-050d) en/of [betrokkene 2]

(D-050e) over de maand januari 2006,

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt,

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin

-zakelijk weergegeven-

dat (telkens) op

ad a. die betaallijst(en) (een) (te) ho(o)g(e) bedrag(en) aan loon(betaling)

voor [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] was/waren vermeld en/of opgenomen, en/of

het/de lo(o)n(en) en/of de loonbetaling(en) voor [betrokkene 3] en/of [verdachte]

[verdachte] niet was/waren vermeld en/of opgenomen,

en/of

ad b. die loonst(a)t(en) (een) (te) ho(o)g(e) bedrag(en) aan loon voor [betrokkene 1]

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] was/waren vermeld en/of opgenomen,


zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;


art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht


3.

hij

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 januari 2006

te [bedrijf 13] en/of Rotterdam en/of Woerden en/of Wieringerwerf en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs

van enig feit te dienen

(telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

toen daar

(telkens) opzettelijk

in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1],

zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het

daarin vermelde te dienen,

(telkens) één of meer factu(u)r(en) van [bedrijf 15] gericht

aan [bedrijf 16] en/of [bedrijf 17], te weten

1. factuurnummer 862 d.d. 27 juli 2005 (D-052 1/5) en/of

2. factuurnummer 895 d.d. 12 augustus 2005 (D-052 2/5) en/of

3. factuurnummer 902 d.d. 17 augustus 2005 (D-052 3/5) en/of

4. factuurnummer 924 d.d. 13 september 2005 (D-052 4/5) en/of

5. factuurnummer 936 d.d. 20 september 2005 (D-052 5/5)

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt,


bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat

valselijk -in strijd met de waarheid-

op/in die factu(u)r(en) een hoeveelheid geleverde diensten en/of goederen is

vermeld,


zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken;


art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht