Rechtbank Rotterdam, 20-05-2015 / ROT 14-4540


ECLI:NL:RBROT:2015:3507

Inhoudsindicatie
Geen wederzijdse zorg tussen twee zussen. Bezwaar tegen afwijzing aanvraag om algemene bijstand (Wwb) ten onrechte vanwege wederzijdse zorg ongegrond verklaard.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
ROT 14-4540
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/4540


uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. J.A.C. Brouwer,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Avedissian.



Procesverloop


Verweerder heeft bij besluit van 24 februari 2014 (het primaire besluit) de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.


Verweerder heeft bij besluit van 30 mei 2014 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiseres heeft bij brief van 5 februari 2015 nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door [zus], de zus van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsrecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht.


2. Eiseres is op 1 september 2013, na een verblijf van zes jaar in het buitenland, teruggekeerd naar Nederland. Met ingang van 22 november 2013 woont eiseres bij haar zus op het adres [adres] te [woonplaats] (het adres).


3. Eiseres heeft op 4 december 2013 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wwb ingediend, met als gewenste ingangsdatum 20 november 2013. Op 15 januari 2014 heeft zij nadere gegevens aan verweerder verstrekt, onder andere bestaande uit een ingevulde “Vragenlijst gezamenlijke huishouding” (de vragenlijst) en een verklaring over de reden van de inwoning bij haar zus. Op 17 februari 2014 heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met haar zus en het gezamenlijke inkomen hoger dan of gelijk is aan de bijstandsnorm voor eiseres.


4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (de bezwaarschriftencommissie) onderschreven en overgenomen en het primaire besluit gehandhaafd. De bezwaarschriftencommissie is van mening dat de stukken, in het bijzonder de vragenlijst gezamenlijke huishouding, het verslag van het huisbezoek en de verklaringen tijdens de hoorzitting, voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg, zodat eiseres en haar zus een gezamenlijke huishouding voeren.

5. Ter beoordeling staat of verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wwb terecht heeft afgewezen op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar zus.


6. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wwb is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


7. Niet in geschil is dat eiseres en haar zus in de hier te beoordelen periode

20 november tot en met 24 februari 2014 - hun hoofdverblijf hadden in de woning op het adres, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


8. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse zorg. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2011:BR7036) kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien.


9. Het standpunt van verweerder dat sprake is van wederzijdse zorg is, in navolging van de bezwaarschriftencommissie, in het bijzonder gebaseerd op het feit dat eiseres en haar zus een gezamenlijke slaapkamer gebruiken, hun kleding niet duidelijk gescheiden is en zij gezamenlijk producten voor persoonlijke verzorging gebruiken. Daarbij is tevens betrokken dat de inrichting van de woning door beiden gezamenlijk kan worden gebruikt en dat niet blijkt van het betalen van huur of kostgeld.


10. De rechtbank is van oordeel dat niet al sprake is van financiële verstrengeling omdat geen huur of kostgeld zou worden betaald. Toen eiseres op het adres kwam wonen, beschikte zij nog niet over inkomen of vermogen waaruit zij huur of kostgeld kon betalen. Verweerder heeft niet bestreden dat eiseres voordat zij op het adres kwam wonen een zwervend bestaan leidde. Eiseres heeft bij het huisbezoek, blijkens het verslag, overigens verklaard dat zij voor vijf maanden werk heeft (ingaande 11 februari 2014) en dat zij in de maanden februari en maart 2014 een bedrag van € 350,- per maand kostgeld contant aan haar zus heeft betaald.


11. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van wederzijdse zorg is bepalend of sprake is van feitelijke zorg van enige betekenis (ECLI:NL:CRVB:2013:2752). Uit het verslag van het huisbezoek blijkt dat eiseres en haar zus een gezamenlijke slaapkamer gebruiken, hun kleding niet duidelijk gescheiden is en zij gezamenlijk producten voor persoonlijke verzorging gebruiken. Dit zijn geen omstandigheden die wederzijdse zorg aantonen, aangezien deze de feitelijke woonsituatie betreffen. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat eiseres de vragenlijst zodanig heeft ingevuld dat daaruit van wederzijdse zorg blijkt. Het feit dat eiseres en haar zus in de vragenlijst gezamenlijke huishouding hebben aangekruist dat zij gezamenlijk maaltijden gebruiken, rechtvaardigt op zichzelf nog niet het standpunt dat sprake is van wederzijdse zorg. Op het formulier is ook ingevuld dat zij samen de boodschappen betalen. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt echter dat eiseres heeft verklaard dat zij, als zij inkomsten heeft, de boodschappen mee gaat betalen. Dit is niet consistent met hetgeen eiseres heeft ingevuld op de vragenlijst over het betalen van de boodschappen, omdat daarop is ingevuld dat de boodschappen juist wel gezamenlijk betaald worden. Verweerder heeft hier geen nader onderzoek naar gedaan. Ook uit het feit dat op de vragenlijst is vermeld dat mogelijk samen op vakantie wordt gegaan, kan niet worden afgeleid dat sprake is van wederzijdse zorg, al was het alleen al omdat dit slechts een voornemen betreft. Dat de inrichting van de woning door eiseres en haar zus gezamenlijk wordt gebruikt biedt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen grond om aan te nemen dat tussen eiseres en haar zus sprake is van wederzijdse zorg.


12. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door verweerder, in navolging van de bezwaarschriftencommissie, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde omstandigheden op zichzelf en ook in onderlinge samenhang bezien ontoereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat in de hier te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg tussen eiseres en haar zus. Hieruit volgt dat er in de periode van 20 november tot en met 24 februari 2014 onvoldoende aanwijzingen zijn dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en haar zus.


13. Nu de aanvraag om bijstand is bij het bestreden besluit is gehandhaafd onder de overweging dat sprake is van wederzijdse zorg en daarom van een gezamenlijke huishouding, kan dit besluit geen stand houden. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres.


14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. M.A. Voskamp, leden, in aanwezigheid van mr. C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2015.





De griffier is verhinderd deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen.



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.