Rechtbank Rotterdam, 03-03-2015 / 468072 / HA RK 15-52


ECLI:NL:RBROT:2015:3595

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Verzoeker is ontvankelijk in het wrakingsverzoek omdat bij het vonnis van 19-12-2014 – dat een aantal eindbeslissingen bevat – de beslissing op de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang is aangehouden. De beslissingen van de rechter en de motivering daarvan in het vonnis zijn niet zozeer onbegrijpelijk dat daarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat deze door vooringenomenheid zijn ingegeven. Ook is niet gebleken dat de rechter bij het nemen van de beslissingen zich reeds een oordeel heeft gevormd over de in het vonnis aangehouden beslissing op de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang. Ook uit het enkele feit dat het proces-verbaal van de zitting – zoals geenszins ongebruikelijk is – is opgesteld na het wijzen van het vonnis, kan geen vooringenomenheid blijken.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
468072 / HA RK 15-52
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 10/468072 / HA RK 15-52


Beslissing van 3 maart 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,


strekkende tot wraking van:

mr. A.F.L. Geerdes, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team Handel (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Bij dagvaarding van 2014 heeft - onder meer - [naam zorgverzekering] verzoeker gedagvaard te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van 11 december 2014 in de procedure van [naam zorgverzekering] en vijf anderen tegen verzoeker.

De rechter heeft op 19 december 2014 vonnis gewezen. In het vonnis zijn enkele ge- en verboden aan verzoeker opgelegd en is de beslissing over de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang aangehouden voor de periode van een maand na de datum van het vonnis. De procedure draagt als kenmerk C/10/465214 / KG ZA 14-1158.


Bij schrijven van 15 januari 2015 heeft verzoeker de rechter verzocht vrijwillig terug te treden en aangegeven dat hij de wraking van de rechter verzoekt indien de rechter niet vrijwillig terug zal treden. Dit schrijven van verzoeker is - na ruggenspraak met de rechter - opgevat als een verzoek tot wraking.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier met kenmerk C/10/465214 / KG ZA 14-1158, waarin zich onder meer bevindt het vonnis van 19 december 2014, alsmede van het schrijven van verzoeker van 15 januari 2015. Inmiddels is ook een proces-verbaal van de zitting van 11 december 2014 beschikbaar.


Verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.


Ter zitting van 17 februari 2015, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen verzoeker, de rechter, alsmede mr. M. Kool namens [naam zorgverzekering] c.s. Verzoeker heeft zijn standpunt nader toegelicht. De rechter heeft daarop gereageerd.



2Het verzoek en het verweer daartegen


2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Ik lig in de clinch met [naam zorgverzekering] Ik kan niet anders concluderen dan dat de rechter op de hand van [naam zorgverzekering] is.

Ik heb het vonnis van 19 december 2014 eerst op 23 december 2014 ontvangen. Het proces-verbaal van de zitting ontbrak echter. Ik heb dit proces-verbaal nog altijd niet ontvangen. In het vonnis van 19 december 2014 worden mij woorden in de mond gelegd die ik niet heb uitgesproken. Als ik bijtijds het proces-verbaal van de zitting zou hebben ontvangen, had ik iets tegen het proces-verbaal kunnen inbrengen. Maar nu ligt het voorlopig vonnis er al.

Ik heb een andere kijk op het begrip ‘openbaar maken’ dan de rechter. Ik heb mijn aangifte niet openbaar gemaakt. Voor zover mij wordt voorgehouden dat het gaat om de uitleg van de wet, antwoord ik dat deze uitleg gevolgen heeft voor mij. Er zijn in het vonnis verkeerde conclusies getrokken, welke conclusies grote gevolgen hebben voor mij. Zo heeft de rechter in het vonnis opgenomen dat ik bepaalde artikelen van internet moet verwijderen. Echter, ik ben niet degene die al de bedoelde artikelen geplaatst heeft. Artikelen die ik niet geplaatst heb, kan ik niet verwijderen. Ik begrijp niet hoe de rechter de mening kan zijn toegedaan dat ik al die artikelen op internet geplaatst zou hebben. Ook heeft de rechter in het vonnis beschreven dat er geen waarde gehecht wordt aan de door mij gedane aangifte. Er is echter geen enkel onderzoek gedaan naar die aangifte. Uit de stelling van de rechter kan gefilterd worden dat ik ten aanzien van de aangifte dan dus uit mijn nek klets. Daar blijkt dan ook de vooringenomenheid van de rechter uit.


2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij heeft de rechter – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

De vooringenomenheid die mij verweten wordt, kan alleen betrekking hebben op feiten die zich na het wijzen van het vonnis van 19 december 2014 hebben voorgedaan. Ik heb echter na het uitspreken van het vonnis van 19 december 2014 niets meer gedaan in de onderhavige zaak. Ik weet dat er nog correspondentie heeft plaatsgevonden tussen verzoeker en [naam zorgverzekering] Van de inhoud van die correspondentie was ik echter niet op de hoogte op het moment dat verzoeker zijn verzoek tot wraking indiende. Ik betwist de stelling van verzoeker dat ik vooringenomenheid jegens hem koester.



3De beoordeling


3.1.

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek ontvankelijk is nu de rechter reeds op 19 december 2014 vonnis heeft gewezen in de procedure met kenmerk C/10/465214 / KG ZA 14-1158.


3.2.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende. Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd het vonnis van de rechter van 19 december 2014 dat een aantal eindbeslissingen bevat. Nu echter de beslissing op de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang in bedoeld vonnis is aangehouden, is de zaak nog niet geheel afgedaan. Dit leidt tot de conclusie dat bij verzoeker, naar aanleiding van genoemd vonnis, een vrees van vooringenomenheid van de rechter jegens hem kan zijn gerezen, welke vrees van vooringenomenheid voor verzoeker van belang is bij de door de rechter nog te nemen beslissing over de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang. De mogelijkheid voor verzoeker om een verzoek tot wraking van de rechter in te dienen, stond dan ook open.


3.3

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek.


3.4

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.5

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.


3.6

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing of de motivering daarvan zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.



De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Het wrakingsverzoek is gegrond op de inhoud van het vonnis van 19 december 2014. De rechter heeft in dat vonnis enige (eind)beslissingen genomen, die verzoeker onwelgevallig zijn.

Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn de beslissingen van de rechter en de motivering daarvan niet zo zeer onbegrijpelijk dat daarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven, dan dat deze door vooringenomenheid zijn ingegeven.

Ook is niet gebleken dat de rechter bij het nemen van de beslissingen zich reeds een oordeel heeft gevormd over de in het vonnis aangehouden beslissing op de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang. Ook uit het enkele feit dat het proces-verbaal van de zitting - zoals geenszins ongebruikelijk is - is opgesteld na het wijzen van het vonnis, kan geen vooringenomenheid blijken. Dat de rechter in het vonnis verzoeker woorden in de mond heeft gelegd die deze niet heeft gesproken, is niet gebleken.


3.8

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.


4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. A.F.L. Geerdes.



Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter,

mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. P. Vrolijk, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2015 in tegenwoordigheid van

mr. S.A. Commandeur, griffier.















Verzonden op:

aan:

- [naam verzoeker], verzoeker

- mr. A.F.L. Geerdes

- [naam zorgverzekering] c.s., advocaat mr. M. Kool.