Rechtbank Rotterdam, 25-03-2015 / 471684 / HA RK 15-209


ECLI:NL:RBROT:2015:3599

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Afwijzing van verzoeken tot het horen van verbalisanten is een procesbeslissing. Daarmee is niet vooruitgelopen op de eindbeslissing en daaruit vloeit geen schijn van partijdigheid voort. De rechter heeft slechts een feitelijke constatering over de inhoud van het proces-verbaal gedaan, hetgeen iets ander is dan een (eind)oordeel over een te voeren verweer.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
471684 / HA RK 15-209
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 471684 / HA RK 15-209


Beslissing van 25 maart 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. E. Manders,


strekkende tot wraking van:

mr. L.C. van Walree, politierechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiek,

team straf 2 (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Ter zitting van 10 maart 2015 is door de rechter van deze rechtbank, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak.

Die procedure draagt als parketnummer 10/278495-14.


Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker de wraking van de rechter verzocht.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier met parketnummer 10/278495-14, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.


Verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 16 maart 2015.


Ter zitting van 18 maart 2015, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, is de raadsman verschenen. Zowel de rechter als het openbaar ministerie heeft op voorhand kenbaar gemaakt verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen. Beiden hebben hun standpunt op schrift gesteld en op 16 maart aan de wrakingskamer doen toekomen. De raadsman heeft ter zitting zijn standpunt nader toegelicht.



2Het verzoek en het verweer daartegen


2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Ik heb verzocht om de twee verbalisanten te horen die de aanhouding van cliënt hebben verricht. De politierechter heeft de twee getuigenverzoeken afgewezen wegens het ontbreken van verdedigingsbelang. Daarmee zegt zij eigenlijk al dat de aanhouding van cliënt rechtmatig is verricht en loopt zij vooruit op de eindbeslissing.


2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

In de onderbouwing van het verzoek tot het horen van de verbalisanten schetst de raadsman een situatie die verenigbaar is met de inhoud van het proces-verbaal en het latere aanvullend proces-verbaal van politie. Gelet daarop heeft de rechter geen verdedigingsbelang vast kunnen stellen. Met deze beslissing is de rechter evenmin vooruitgelopen op de uitkomst van de zaak nu zij slechts een feitelijke constatering over de inhoud van het proces-verbaal heeft gedaan, hetgeen iets anders is dan een (eind)oordeel over een te voeren verweer.


2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de afwijzing van de getuigenverzoeken door de rechter gemotiveerd is binnen de vigerende strafvorderlijke kaders. Niet valt in te zien waarom deze afwijzing tot (de schijn van) vooringenomenheid zou leiden.



3De beoordeling


3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.


3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat in dit geval sprake is van een onbegrijpelijke beslissing gaat de wrakingskamer daar niet in mee en overweegt daartoe als volgt. De afwijzing van de verzoeken tot het horen van de verbalisanten is een procesbeslissing. Naar het oordeel van de wrakingskamer is deze beslissing in het licht van hetgeen ter zitting van 10 maart 2015 hieromtrent is overwogen niet zo zeer onbegrijpelijk dat daarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven, dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.



Door de raadsman is aangevoerd dat de politierechter met haar beslissing vooruit is gelopen op de eindbeslissing. Het dossier biedt echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechter door het afwijzen van de getuigenverzoeken vooruit is gelopen op de eindbeslissing en dat daar een schijn van partijdigheid uit voortvloeit. Integendeel, door de rechter is zowel ter zitting als in haar schriftelijke reactie kenbaar gemaakt dat zij slechts een feitelijke constatering over de inhoud van het proces-verbaal heeft gedaan, hetgeen iets anders is dan een (eind)oordeel over een te voeren verweer. Zij heeft daarbij juist expliciet te kennen gegeven dat mogelijke consequenties van de gerelateerde feitelijke gang van zaken aangevoerd kunnen worden bij pleidooi. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat uit deze gang van zaken niet blijkt van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.


3.5

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.



4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. L.C. van Walree.


Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2015 in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier en door hen ondertekend.















Verzonden op:

aan:

-

-

-

-