Rechtbank Rotterdam, 15-04-2015 / 472040 / HA RK 15-220


ECLI:NL:RBROT:2015:3600

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Met betrekking tot de toepassing van hoor en wederhoor tijdens de zitting blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat verzoeker wel degelijk de gelegenheid heeft gehad te reageren. Daar komt bij dat de gang van zaken tijdens de zitting van 11 februari 2015 kennelijk geen aanleiding was voor het toen of meteen daarna indienen van een wrakingsverzoek, nu dit pas op 11 maart 2015 is gedaan door verzoeker en dus niet zodra de betreffende feiten en omstandigheden met betrekking tot de zitting aan verzoeker bekend waren geworden. Bijzondere positie en taak van de rechter in bewind- en mentorschap zaken. Het is aan de rechter om in een situatie als deze voorzichtigheid te betrachten en niet sturend te zijn. De door de rechter gemaakte opmerking dat het haar misschien niet zo’n goed idee leek verzoeker te benoemen, zou wellicht als sturend kunnen worden aangemerkt, maar de wrakingskamer is van oordeel dat daaruit niet blijkt dat reeds sprake was van een door de rechter genomen eindbeslissing. Gelet op de voorgeschiedenis van het bewind, is het niet onbegrijpelijk dat de rechter in dat licht haar twijfels uitte over de benoeming van verzoeker als nieuwe mentor. Geen reden om de door verzoeker aangedragen getuige te horen nu er tussen verzoeker en de rechter geen wezenlijk verschil van mening bestaat over de inhoud van het gesprek tussen rechter en getuige.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-15
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
472040 / HA RK 15-220
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 10/472040 / HA RK 15-220


Beslissing van 15 april 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,


strekkende tot wraking van:

mr. C.H. Kemp-Randewijk, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team Kanton 1 (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Ter zitting van 11 februari 2015 is door de rechter behandeld het verzoek van [naam mentor] dat ertoe strekt haar te ontslaan als mentor van [naam rechthebbende] (hierna rechthebbende) en verzoeker te benoemen tot de nieuwe mentor. Rechthebbende is de moeder van verzoeker.

Die procedure draagt als kenmerk 3651984 GZ VERZ 14-4552 (MB2925).


Na die behandeling heeft verzoeker bij brief van 11 maart 2015 de wraking van de rechter verzocht.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- het dossier van bovengenoemde procedure;

- de brief van 11 maart 2015 met het wrakingsverzoek met bijlagen.


Verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd, evenals [naam mentor] en de bewindvoerder van de rechthebbende, Stichting De Rotonde.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft bij e-mail van 19 maart 2015 meegedeeld dat zij niet in de wraking berust en ter zitting zal verschijnen.


Ter zitting van 1 april 2015, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen verzoeker en de rechter, alsmede [naam mentor] en namens Stichting de Rotonde [naam]. Verzoeker heeft aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht.





2Het verzoek en het verweer daartegen



Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Het verzoek heeft twee gronden. Verzoeker was opgeroepen voor de zitting van 11 februari 2015 om gehoord te worden. Ter zitting hebben echter zowel verzoeker als [naam mentor] niet of nauwelijks de gelegenheid gekregen hun standpunt kenbaar te maken. Door geen hoor en wederhoor toe te passen heeft de rechter zich onttrokken aan de objectiviteit die men van een rechter mag verwachten.

De tweede grond van het verzoek komt voort uit een e-mailbericht d.d. 3 maart 2015 gestuurd door [naam] van Stichting de Rotonde aan [naam mentor], die dit bericht op 10 maart 2015 aan verzoeker heeft doorgestuurd. In dit bericht staat dat de rechter [naam] heeft benaderd en haar heeft verteld dat het niet verstandig is het mentorschap door de zoon (verzoeker) te laten continueren, dat er hoogstwaarschijnlijk gezocht moet worden naar een andere mentor en dat de rechter het niet raadzaam vond de zoon als mentor te benoemen daar zich in het verleden nogal wat heeft afgespeeld.

Hiermee legt de rechter naar de mening van verzoeker een dwingend advies neer bij de bewindvoerder die dat blindelings opvolgt. Dit getuigt van een zware vooringenomenheid nu het er alle schijn van heeft dat de rechter haar beslissing al heeft genomen, zonder de persoon te horen om wie het gaat, namelijk rechthebbende.


2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Wellicht is het principe van hoor en wederhoor niet toegepast zoals verzoeker dat voor ogen had, maar zoals uit het proces-verbaal blijkt heeft hij wel de gelegenheid gehad om te reageren. De positie van de rechter in bewindzaken als de onderhavige is erin gelegen de belangen van de rechthebbende te waarborgen. Het verzoek tot onderbewindstelling is in september 2012 ingediend door de officier van justitie, nu de rechthebbende naar eigen zeggen financieel werd uitgebuit door verzoeker. Inmiddels was er ook sprake van dat verzoeker maandelijks een bedrag zou ontvangen uit het vermogen van de rechthebbende. Gelet op deze situatie wilde de rechter het standpunt weten van Stichting de Rotonde als bewindvoerder over het vermogen van de rechthebbende met betrekking tot het verzoek van [naam mentor]. De stichting was ten onrechte niet opgeroepen voor de zitting van 11 februari 2015. Om die reden heeft de rechter telefonisch contact met de stichting opgenomen. Uit dat gesprek met [naam] kwam naar voren dat de mentor in dit geval de beschikking had over enige financiële middelen van de rechthebbende, daar waar dat normaal gesproken niet het geval is bij een mentorschap. In dat licht en gezien de voorgeschiedenis van de onderbewindstelling heeft de rechter tegenover [naam] opgemerkt dat zij het in dit geval misschien niet zo’n goed idee vond om verzoeker tot mentor te benoemen, gelet op de problemen uit het verleden. Daarmee stond haar beslissing echter nog niet definitief vast. De stichting moest nadere uitleg geven over het geld dat aan verzoeker ter beschikking zou worden gesteld. Het vervolg zou zijn dat Stichting de Rotonde haar standpunt op papier zou zetten en dat daarna de rechter zou bepalen of zij de rechthebbende nog wilde horen. Dit is echter stil komen te liggen door het wrakingsverzoek.



3De beoordeling


3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat een door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.


3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.


3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Met betrekking tot de toepassing van hoor en wederhoor tijdens de zitting van 11 februari 2015 blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat verzoeker wel degelijk de gelegenheid heeft gehad te reageren. Naar het oordeel van de wrakingskamer vloeit uit hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden dan ook geen schijn van partijdigheid voort. Daar komt bij dat de gang van zaken tijdens de zitting van 11 februari 2015 kennelijk geen aanleiding was voor het toen of meteen daarna indienen van een wrakingsverzoek, nu dit pas op 11 maart 2015 is gedaan door verzoeker, nadat hij het e-mailbericht van Stichting de Rotonde onder ogen had gekregen, en dus niet zodra de betreffende feiten en omstandigheden met betrekking tot de zitting aan verzoeker bekend waren geworden.


Ten aanzien van de tweede grond merkt de wrakingskamer het volgende op.

In bewind- en mentorschap zaken heeft de rechter een bijzondere positie als toezichthouder. Het is de taak van de rechter om de belangen van de rechthebbende te waarborgen. Uit hoofde van deze taak heeft de rechter Stichting de Rotonde benaderd om te vragen wat haar standpunt was met betrekking tot het verzoek, en welke financiële implicaties er bij dit mentorschap hoorden. Het is aan de rechter om in een dergelijke situatie voorzichtigheid te betrachten en niet sturend te zijn. De door de rechter gemaakte opmerking dat het haar misschien niet zo’n goed idee leek verzoeker te benoemen, zou wellicht als sturend kunnen worden aangemerkt, maar de wrakingskamer is van oordeel dat daaruit niet blijkt dat reeds sprake was van een door de rechter genomen eindbeslissing of dat Stichting de Rotonde zich als gevolg daarvan beperkt zou voelen in het geven van advies over het mentorschap. De opmerking kwam voort uit de mededeling van de zijde van Stichting de Rotonde dat bij dit mentorschap - anders dan wat gebruikelijk is - wel degelijk sprake was van financiële betrokkenheid van de mentor. Gelet op de voorgeschiedenis van het bewind, is het niet onbegrijpelijk dat de rechter in dat licht haar twijfels uitte over de benoeming van verzoeker als nieuwe mentor. Kennelijk was dit echter slechts een voorlopige mening en liet dit onverlet dat er nog een advies van Stichting de Rotonde zou volgen waarmee de rechter rekening zou houden. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat de rechter niet zover vooruit is gelopen op enige eindbeslissing, dat daar een schijn van partijdigheid uit voortvloeit.


3.5

Voorafgaand aan de zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker te kennen gegeven [naam] van Stichting de Rotonde, als getuige te willen horen inzake het telefoongesprek dat zij heeft gevoerd met de rechter over de wijziging van het mentorschap. Nu ter zitting van de wrakingskamer is gebleken dat er tussen verzoeker en de rechter geen wezenlijk verschil van mening bestaat over de inhoud van dat gesprek ziet de wrakingskamer geen reden om C. Habibuw als getuige te horen.


3.6

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.



4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. C.H. Kemp-Randewijk.


Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. J.H. de Wildt en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters en deze is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2015 in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier en door hen ondertekend.














Verzonden op:

aan:

-

-

-

-