Rechtbank Rotterdam, 21-01-2015 / C/10/453641 / HA ZA 14-658


ECLI:NL:RBROT:2015:377

Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Overeenkomst tussen ex-echtgenoten niet te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Bedoeling van de overeenkomst is dat de man zou voorzien in een periodieke uitkering aan zijn ex-vrouw gedurende een periode van 12 jaren, door één van zijn werkmaatschappijen. De man heeft bewerkstelligd dat enkel de vordering van de vrouw niet werd voldaan. Sprake van betalingsonwil.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-26
Zaaknummer
C/10/453641 / HA ZA 14-658
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/121
  • AR-Updates.nl 2015-0079
  • OR-Updates.nl 2015-0055
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/453641 / HA ZA 14-658


Vonnis van 21 januari 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. S.A. Ray,


tegen


1.

[gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2] ,

statutair gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M. Boender-Radder.



Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser], [gedaagde1] en [gedaagde2] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 4 juni 2014, met producties;
  • - de conclusie van antwoord;
  • - het vonnis van 27 augustus 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • - de ten behoeve van de comparitie door mr. Ray ingediende stukken, zijnde een tweetal B-formulieren met als bijlage nadere producties;
  • - de fax van 3 december 2014 van mr. R. Le Grand, curator in het faillissement van [gedaagde2];
  • - de brief van de rechtbank van 4 december 2014 aan partijen, waarin is medegedeeld dat de procedure tegen [gedaagde2] is geschorst en de procedure tegen [gedaagde1] wordt voorgezet;
  • - het proces-verbaal van de op 8 december 2014 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

[gedaagde2] is bij vonnis van deze rechtbank van 2 december 2014 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. R. Le Grand tot curator.


1.2.1.

De rechtsvordering van [eiser] was aanhangig ten tijde van de faillietverklaring van [gedaagde2] en heeft de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel. Op grond van artikel 29 van de Faillissementswet is het geding van rechtswege geschorst om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering van [eiser] op [gedaagde2] wordt betwist. In dit geval wordt degene die de betwisting doet in plaats van [gedaagde2] partij in het geding.


1.2.2.

De schorsing van de procedure tegen [gedaagde2] geldt niet voor de procedure tegen [gedaagde1], zodat dit vonnis betreft de beoordeling van de vorderingen op [gedaagde1].


1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten


2.1.

[eiser] en [gedaagde1] zijn op 6 augustus 1993 te Spijkenisse in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Op 29 mei 2002 is de echtscheidingsbeschikking van 29 april 2002 van deze rechtbank ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voor de echtscheiding en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap hebben [eiser] en [gedaagde1] zich gewend tot mr. S. H. Broeseliske, mediator te Spijkenisse.


2.2.

[gedaagde1] is (en was reeds ten tijde van het huwelijk) enig bestuurder van [gedaagde2], een schoonmaakbedrijf. Enig aandeelhouder van [gedaagde2] is [gedaagde1] Holding B.V., waarvan [gedaagde1] enig aandeelhouder en bestuurder is.


2.3.

Op 1 november 2001 is tussen [eiser] en [gedaagde2] een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is –voor zover hier relevant– vermeld:


“(…) [gedaagde2]-Cleaning B.V. rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [gedaagde1], directeur, te Spijkenisse, hierna te noemen werkgever en

Mevrouw M. [betrokkene1] [[eiser], rb], (…) hierna te noemen werknemer komen als volgt overeen:

Artikel 1

De werknemer treedt met ingang van 1 november 2001 voor onbepaalde tijd

in dienst bij werkgever (gevolgd door de handgeschreven tekst:) t/m 1 januari 2014

(…)

Artikel 5

De werknemer ontvangt een brutosalaris van f. 3293,46 per maand,

gebaseerd op een werkweek van 20 uur.

De werknemer ontvangt een onkostenvergoeding van f. 250,00 per maand.

Het vakantiegeld bedraagt 8% per jaar over het jaarsalaris. (…)”


2.4.

De mediator heeft naast het echtscheidingsconvenant aanleiding gezien om de tussen [eiser] en [gedaagde1] ten overstaan van haar nader gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen in een brief van 6 februari 2002 (hierna: de sideletter).


In de sideletter is –voor zover hier relevant– vermeld:


“(…) Naast hetgeen is vermeld in het convenant, is overeengekomen dat de vrouw met ingang van 1 januari 2002 voor bepaalde tijd voor de duur van 12 jaar in dienst zal treden bij één van de werkmaatschappijen van [gedaagde1] Holding B.V. tegen een salaris van € 1.219,20 bruto per maand, een netto onkostenvergoeding van € 113,45 per maand, (…).

In de arbeidsovereenkomst van de vrouw met voornoemde vennootschap dient uitdrukkelijk bepaald te zijn dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan voor de duur van twaalf jaar, ingaande 1 januari 2002 en derhalve van rechtswege eindigende op 1 januari 2014, zonder dat hiervoor enige opzeggingshandeling noodzakelijk is. Voornoemde termijn van 12 jaar is gelijk aan de periode, dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud ten behoeve van de vrouw zou moeten doen, conform de wet, doch voornoemde arbeidsovereenkomst blijft gedurende twaalf jaren bestaan, zelfs al zou de vrouw gaan samenwonen als zijnde gehuwd danwel in het huwelijk treden.(…)”


2.5.

[gedaagde2] heeft tot medio 2010 aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst voldaan. In 2010, 2011, 2012 en 2013 heeft [gedaagde2] echter verzuimd het vakantiegeld te voldoen. [gedaagde2] heeft van februari 2011 tot januari 2014 de overeengekomen bedragen aan salaris en onkostenvergoeding niet betaald. De laatste betaling die [gedaagde2] heeft verricht was over de eerste vier weken van januari 2011.


2.6.

[eiser] heeft [gedaagde2] hierop in een procedure bij de kantonrechter van deze rechtbank betrokken. Bij vonnis van 24 juli 2012 (hierna: het vonnis van de kantonrechter) is [gedaagde2] veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst. Omdat betaling uitbleef, heeft [eiser] ten laste van [gedaagde2] executoriale beslagen gelegd. [eiser] heeft hierop een bedrag van € 12.558,94 en een bedrag van € 3.490,97 geïncasseerd. Voor het overige biedt [gedaagde2] geen verhaal.


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat [gedaagde1] in hoedanigheid van natuurlijk persoon aansprakelijk is voor de voldoening aan het vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2012;

II. [gedaagde1] in hoedanigheid van natuurlijk persoon veroordeelt tot de betaling van de bedragen bedoeld in het vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2012, te weten een bedrag van € 47.556,07, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2012 tot aan de dag van de volledige betaling, een bedrag aan proceskosten ad € 1.416,- en het bedrag aan deurwaarderskosten van € 1.434,32, althans bedragen in goede justitie te bepalen;

III. verklaart voor recht dat [gedaagde1] in hoedanigheid van natuurlijk persoon en/of [gedaagde2] verplicht is/zijn tot nakoming van de overeenkomst zonder enige inhouding van belastingen, sociale premies en pensioenpremies;

IV. [gedaagde1] in hoedanigheid van natuurlijk persoon en/of [gedaagde2] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 78.000,-, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarden tot aan het moment van de volledige betaling;

V. [gedaagde1] in hoedanigheid van natuurlijk persoon en/of [gedaagde2] veroordeelt in de reële proceskosten van € 3.225,26 dan wel de (forfaitaire) proceskosten van deze procedure, althans bedragen in goede justitie te bepalen;

VI. [gedaagde1] in hoedanigheid van natuurlijk persoon en/of [gedaagde2] veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten van € 600,- exclusief BTW, althans een bedrag in goede justitie te bepalen.


3.2.

[eiser] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde2] heeft niet voldaan aan het vonnis van de kantonrechter. Dat [gedaagde2] geen verhaal biedt is te wijten aan het persoonlijk handelen van [gedaagde1]. Primair was [gedaagde1] persoonlijk betrokken bij de bij de afwikkeling van de echtscheiding gemaakte afspraken die onder meer zijn vastgelegd in de overeenkomst, zodat [gedaagde1] naast [gedaagde2] is gebonden aan de overeenkomst. Subsidiair heeft [gedaagde1] als bestuurder van [gedaagde2] jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld door te verhinderen dat de periodieke betalingen aan [eiser] plaatsvonden, wat moet worden aangeduid als betalingsonwil. Daarnaast zijn over de gehele duur van de overeenkomst zonder geldige titel belastingen en premies ingehouden over de verrichte en te verrichten betalingen. [gedaagde1] en [gedaagde2] zijn gehouden om de ingehouden bedragen alsnog aan [eiser] te voldoen.


3.3.

[gedaagde1] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure. Daartoe stelt [gedaagde1] dat hij niet persoonlijk aansprakelijk is voor het uitblijven van voldoening aan het vonnis van de kantonrechter, omdat [gedaagde1] geen partij is bij de overeenkomst en als bestuurder van [gedaagde2] jegens [eiser] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Er was sprake van betalingsonmacht, niet betalingsonwil. [gedaagde2] is immers een onvermogende vennootschap en sinds 2010 niet in staat om aan de verplichtingen uit de overeenkomst met [eiser] en evenmin aan het vonnis van de kantonrechter te voldoen. [gedaagde2] heeft aan de betalingsverplichting van januari 2011 voldaan, hetgeen in mindering strekt op het door de kantonrechter toegewezen bedragen. De vordering van [eiser] tot betaling van ingehouden belastingen en premies is in strijd met de redelijkheid en billijkheid, zodat hieromtrent een beroep wordt gedaan op rechtsverwerking.


4De beoordeling

4.1.

Voor beantwoording van de vraag of [gedaagde1] jegens [eiser] aansprakelijk is, dient eerst beoordeeld te worden of [gedaagde1] in persoon partij is bij de overeenkomst van

1 november 2001 (zie 2.3.). Ten overstaan van de mediator zijn partijen ter afwikkeling van de echtscheiding overeengekomen dat [eiser] maandelijkse betalingen zou verkrijgen, te regelen bij arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en één van de vennootschappen van [gedaagde1], zonder dat [eiser] daarbij verplicht is tot het verrichten van arbeid (zie 2.4.). Daaruit volgt dat de betrokkenheid van [gedaagde1] zich beperkt tot voorziening in de totstandkoming van een overeenkomst tussen [eiser] en één van zijn vennootschappen, in dit geval [gedaagde2]. Die betrokkenheid gaat niet zo ver dat de overeenkomst ook met [gedaagde1] persoonlijk moet worden geacht te zijn gesloten. Zoals de kantonrechter bij vonnis van 24 juli 2012 heeft overwogen, rust de betalingsverplichting op grond van de overeenkomst op [gedaagde2]. Dit leidt ertoe dat het primair aan de vorderingen ten grondslag gelegde niet slaagt.

Voor zover [eiser] een beroep doet op artikel 3:70 BW en daarmee heeft bedoeld te stellen dat onduidelijkheid bestaat over de hoedanigheid van [gedaagde1] bij de totstandkoming van de overeenkomst, volgt ondubbelzinnig uit de sideletter, respectievelijk de overeenkomst dat [gedaagde1] bij de gesprekken met de mediator in persoon handelde en bij de totstandkoming van de overeenkomst als directeur van [gedaagde2].


4.2.

[eiser] stelt voorts dat [gedaagde1] als enig bestuurder van [gedaagde2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door uit onwil ervoor te zorgen dat [gedaagde2] niet betaalde. [gedaagde1] heeft hiertegen aangevoerd dat [gedaagde2] niet kón betalen vanwege betalingsonmacht.


4.2.1.

Voor persoonlijke, op onrechtmatig handelen gebaseerde aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap is vereist dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Dat mag in het algemeen alleen worden aangenomen indien de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld en hem daarvan, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295). Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem (onder meer vanwege betalingsonwil) bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.


4.2.2.

Vast staat dat [eiser] vanaf februari 2011 geen betalingen meer ontving van [gedaagde2], terwijl [gedaagde2] haar schulden jegens derden: salarissen van werknemers, belastingen en premies, reguliere handelscrediteuren wel betaalde, met uitzondering van één vordering (van € 100,-) van een restaurant waarover kennelijk een geschil bestond.

[gedaagde1] heeft in dit verband aangevoerd dat deze (selectieve) betalingen noodzakelijk waren om de ‘gewone’ bedrijfsvoering van [gedaagde2] draaiende te houden nu [gedaagde2] sinds 2009 in een financieel verslechterende positie verkeerde, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde balansen die eind 2010 en 2011 een negatief eigen vermogen laten zien van respectievelijk

€ 275.311,- en € 412.990,-. Schulden van [gedaagde2] werden deels opgevangen door zustermaatschappijen en vanwege het tekort aan liquide middelen zijn in maart 2014 personeel en klanten van [gedaagde2] overgeheveld naar een zusteronderneming. In dit kader is mede van belang dat volgens een door [eiser] overgelegde onderzoeksrapport van

12 augustus 2013 [gedaagde1] Holding B.V. in 2010 nog in een uitermate gezonde solvabiliteitspositie verkeerde, met een bedrag aan eigen vermogen van ruim € 2.000.000,-, hetgeen door [gedaagde1] niet gemotiveerd is betwist. Niet valt in te zien waarom [gedaagde1], onder deze omstandigheden, wél alle betalingen aan derden, inclusief de afdrachten over het bruto salaris van [eiser] tot aan deze procedure heeft voortgezet, maar niet de netto uitkeringen aan [eiser]. De verklaring van [gedaagde1] dat hij niet eerder dan een week voor de comparitie het faillissement van [gedaagde2] heeft aangevraagd, omdat hij tot die tijd mocht menen het hoofd te kunnen bieden aan de gestelde financiële malaise van [gedaagde2] door alsnog nieuwe omzet binnen te halen om daaruit de vordering van [eiser] te voldoen, is in dat verband volstrekt onaannemelijk.


4.2.3.

Of [gedaagde1] daarmee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, dient te worden beantwoord in het licht van de volgende omstandigheden. Een medewerker van Personele Zaken van [gedaagde2] heeft bij brieven van 27 januari 2005, 6 oktober 2008 en 28 september 2010 in opdracht van [gedaagde1] aan [eiser] medegedeeld dat niet langer betaald zou worden. [gedaagde1] heeft ter comparitie als reden hiervoor aangevoerd dat hij de overeenkomst heeft opgevat als voorziening in partneralimentatie. Sinds [eiser] op 19 november 2004 opnieuw in het huwelijk is getreden, heeft [gedaagde1], naar zijn zeggen, getracht de overeenkomst te beëindigen. Uiteindelijk is [gedaagde2] de betalingsverplichtingen gedurende een periode van tien jaar nagekomen. Volgens [gedaagde1], en zoals is vermeld in de brief van 6 oktober 2008, voelde [gedaagde1] zich hiertoe gedwongen, omdat anders de omgangsregeling met zijn kinderen door [eiser] onder druk werd gezet. Hieruit kan worden afgeleid dat [gedaagde1] niet aan [eiser] wilde betalen. De bedoeling van de overeenkomst, zoals volgt uit de sideletter, was immers dat [gedaagde1] zou voorzien in een periodieke uitkering aan zijn ex-echtgenote [eiser] gedurende 12 jaren, door één van zijn werkmaatschappijen. Vanaf februari 2011 heeft [gedaagde1] echter bewerkstelligd dat enkel de vordering van [eiser] door [gedaagde2] niet werd voldaan.

In dat licht bezien, heeft [gedaagde1] de onderbouwde stelling van [eiser] dat sprake is van betalingsonwil onvoldoende weersproken, zodat bestuurdersaansprakelijkheid, althans aansprakelijkheid van [gedaagde1] jegens [eiser], op deze grond kan worden vastgesteld.


4.2.4.

Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is. Hoewel de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst is geformuleerd, was het van aanvang af de bedoeling dat [eiser] nimmer arbeid voor [gedaagde2] zou gaan verrichten. Daarom kwalificeert de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben echter, afgezien van het feit dat [eiser] geen arbeid heeft verricht voor [gedaagde2], wel jarenlang gehandeld alsof er sprake was van een arbeidsovereenkomst. [eiser] is daarbij akkoord gegaan met een bruto salaris en heeft aangifte inkomstenbelasting gedaan alsof sprake was van inkomsten uit arbeid. [gedaagde2] heeft over het overeengekomen salaris loonheffing en pensioenpremie afgedragen. De inhoudingen op het bruto salaris zijn dan ook als overeengekomen op geldige titel verricht, gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst. Het netto salaris werd tot februari 2011 iedere vier weken aan [eiser] uitgekeerd. [eiser] heeft over de periode van februari 2011 tot januari 2014 (zijnde in totaal 38 perioden van vier weken) derhalve niet het bruto salaris van € 1.379,10, maar het netto equivalent daarvan te vorderen.


4.2.5.

Dit leidt tot de slotsom dat [gedaagde1] persoonlijk aansprakelijk is voor de nakoming van de overeenkomst en voor voldoening aan het vonnis van de kantonrechter voor zover het betreft het netto equivalent van de bruto bedragen, rekening houdende met de betaling over januari 2011 en de nadien verrichte deelbetalingen. In deze procedure is aldus toewijsbaar het netto equivalent van € 52.405,80 aan bruto loon over februari 2011 tot januari 2014 (€ 1.379,10 × 38 perioden), het netto equivalent van € 5.737,04 aan bruto vakantiegeld over 2010 tot en met 2013 (€ 1.434,26 × 4) en een bedrag van € 3.979,36 aan netto onkostenvergoeding over februari 2011 tot januari 2014 (€ 104,72 × 38 perioden).


4.2.6.

De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW zal worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. [gedaagde1] is de wettelijke rente verschuldigd steeds vanaf het moment waarop de betaling van het salaris aan [eiser] had moeten zijn voldaan. Daarnaast staat tussen partijen vast dat [eiser] bedragen in mindering heeft ontvangen. Deze bedragen zullen, op grond van artikel 6:44 lid 1 BW, in dit geval in de eerste plaats in mindering strekken van de verschenen rente en in de tweede plaats in mindering van de hoofdsom. Hoewel onduidelijk is gebleven wanneer deze bedragen zijn geïncasseerd, kan uit de overgelegde beslagstukken worden afgeleid dat het eerste bedrag van € 12.558,94 is ontvangen uiterlijk op 18 januari 2013 en het tweede bedrag van € 3.490,97 uiterlijk op

27 maart 2013.


4.2.7.

Daarnaast ligt het bij voornoemd onherroepelijk vonnis vastgestelde bedrag van

€ 1.416,- aan proceskosten voor toewijzing gereed. [eiser] heeft executoriale beslagen gelegd om (gedeeltelijk) betaling te verkrijgen van haar vordering op [gedaagde2]. Nu [gedaagde1] persoonlijk aansprakelijk is voor voldoening aan het vonnis van de kantonrechter, is [gedaagde1] eveneens aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verhaalskosten. De vordering ten bedrage van € 1.434,32 is onderbouwd met beslagstukken en komt de rechtbank niet onrechtmatig of onredelijk voor, zodat deze kosten toewijsbaar zijn.


4.3.

[eiser] heeft bij vordering onder III en IV aanspraak gemaakt op de bedragen die gedurende de looptijd van de overeenkomst zijn ingehouden op het overeengekomen salaris. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.4. is overwogen dat die bedragen rechtsgeldig zijn ingehouden op het salaris van [eiser], bestaat voor gehoudenheid van [gedaagde1] tot betaling van de ingehouden bedragen, geen deugdelijke (juridische) grondslag. De vorderingen onder III en IV zullen derhalve worden afgewezen.


4.4.

[eiser] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. Voor de beoordeling daarvan wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid.

Door [eiser] is gesteld dat brieven zijn uitgegaan naar (de advocaat van) [gedaagde1], die onbeantwoord zijn gebleven. Deze brieven zijn niet overgelegd. Uit de kostenspecificatie blijkt niet dat de daarin gemelde werkzaamheden niet zien op het verkrijgen van verhaal naar aanleiding van het vonnis van de kantonrechter, dan wel op de voorbereiding van deze procedure. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.


4.5.

De rechtbank zal de proceskosten compenseren, nu het hier een geschil betreft tussen ex-echtelieden en beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld.


5De beslissing

De rechtbank


5.1.

verstaat dat de zaak tegen [gedaagde2] ingevolge artikel 29 Faillissementswet is geschorst om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering van [eiser] op [gedaagde2] wordt betwist;


5.2.

verwijst de zaak tegen [gedaagde2] naar de parkeerrol van 7 oktober 2015;


5.3.

houdt in de zaak tegen [gedaagde2] iedere verdere beslissing aan;


5.4.

veroordeelt [gedaagde1] om aan [eiser] te betalen:

het netto equivalent van € 52.405,80 aan bruto loon over februari 2011 tot januari 2014; het netto equivalent van € 5.737,04 aan bruto vakantiegeld over 2010 tot 2014 en het bedrag van € 3.979,36 aan netto onkostenvergoeding over februari 2011 tot januari 2014;

te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de respectievelijk per 2 augustus 2011 (en voor wat betreft de periodiek te betalen bedragen voorts steeds vanaf het moment waarop dat bedrag diende te zijn betaald), 18 januari 2013 en 27 maart 2013 verschuldigde bedragen tot aan de dag van de volledige betaling,

zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW, in die zin dat op het aldus verschuldigde bedrag in mindering wordt gebracht:

het op 18 januari 2013 ontvangen bedrag van € 12.558,94 ten eerste op de reeds verschenen rente, ten tweede op de hoofdsom;

het op 27 maart 2013 ontvangen bedrag van € 3.490,97 ten eerste op de reeds verschenen rente, ten tweede op de hoofdsom.


5.5.

veroordeelt [gedaagde1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.850,32, zijnde het totaalbedrag van de bij vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2012 toegewezen proceskosten en de nadien gemaakte deurwaarderskosten;


5.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;


5.7.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.4. en 5.5. genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde;


Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.M. Hofman-de l’Isle en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.

1 2322/1729