Rechtbank Rotterdam, 22-04-2015 / C/10/420793 / HA ZA 13-321


ECLI:NL:RBROT:2015:3783

Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenvonnis van 23 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:7049). De collectieve actie van Zweedse vakbonden ten behoeve van Filippijnse zeelieden aan boord van het Liberiaanse schip ‘Ocean Trader’ was naar Zweeds recht niet onrechtmatig. De actie was niet onverenigbaar met het recht van de Europese Unie, nu Verordening 4055/86 inzake het vrij verrichten van zeevervoersdiensten toepassing mist. De rederij is immers niet gevestigd in een lidstaat als bedoeld in artikel 1 lid 1 en het schip is niet geregistreerd in een lidstaat als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de verordening. Dat de manager van het schip binnen het toepassingsbereik van de verordening valt omdat zij als beneficial owner met het schip vervoersdiensten verricht als bedoeld in de verordening, is niet aannemelijk. De ingevolge de collectieve actie te Zweden gesloten arbeidsovereenkomsten waren dus niet vernietigbaar. Of deze zijn achterhaald door de nadien gesloten POEA-overeenkomsten hangt af van de vraag of deze naar Filippijns recht vernietigbaar waren. Bewijsopdracht aan de zeelieden dat bij de totstandkoming van de nieuwe POEA-overeenkomsten sprake is geweest van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-06-01
Zaaknummer
C/10/420793 / HA ZA 13-321
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJF 2014/427
  • AR 2015/973
  • S&S 2016/56
  • AR-Updates.nl 2015-0513
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/420793 / HA ZA 13-321


Vonnis van 29 april 2015


in de zaak van


1 [eiser1],

wonende te Pasig City, Filippijnen,

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats], Filippijnen,

3. [esier3],

wonende te [woonplaats], Filippijnen,

4.[eiser4],

wonende te [woonplaats], Filippijnen,

eisers,

advocaat mr. K. Boele,


tegen


1. de rechtspersoon naar het recht van haar land van vestiging

OCEANIC CHRISTIANE LTD.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

2. de rechtspersoon naar het recht van haar land van vestiging

INTERORIENT MARITIME ENT. INC.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

gedaagden,

advocaat mr. H.W. ten Katen.



Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 23 juli 2014,
  • - de akte na tussenvonnis van [eisers], met producties,
  • - de antwoordakte van [gedaagden], met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 23 juli 2014 is geoordeeld dat het door [gedaagden] gedane beroep op vernietiging van de ITF-overeenkomsten wegens wilsgebreken niet kan slagen indien de collectieve actie te Luleå naar Zweeds recht rechtmatig moet worden geacht. Om de rechtmatigheid te kunnen beoordelen, is aan partijen gevraagd om ieder, eerst [eisers], een akte te nemen over:

  • - de vraag in hoeverre het interne Zweedse recht en arbeidsrecht, en in het bijzonder de Zweedse Co-determination Act, zich - naar Zweedse maatstaven - leent voor (rechtstreekse) toepassing op de onderhavige internationale zaak, die weinig rechtstreekse aanknopingspunten met Zweden heeft (r.o. 4.30),
  • - hetgeen zich feitelijk voor en tijdens de collectieve actie in Zweden heeft afgespeeld, waarbij [eisers] mocht reageren op hetgeen [gedaagden] daarover in haar laatste akte had gesteld (r.o. 4.32),
  • - de naar Zweeds recht bij collectieve actie mogelijkerwijs in acht te nemen zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’) waarvan veronachtzaming leidt tot onrechtmatigheid, waarbij ook aan de orde kon komen of reden bestond voor beperking van het recht op collectieve actie ter bescherming van rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in artikel G ESH (r.o. 4.33).

2.2.

Vervolgens heeft [eisers] een akte genomen waarin ook een eisvermeerdering was vervat, aldus dat onderdeel III van zijn petitum - samengevat - komt te luiden als volgt:


“III. € 45.000,-- ter zake van verdere kosten gemaakt om een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen, te verminderen met een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagden] en exclusief de onder II gevorderde beslagkosten, aan [eisers],”.


2.3.

[gedaagden] heeft daarop een antwoordakte genomen, waarin zij inhoudelijk ingaat op de vermeerderde eis maar tegen de eiswijziging op zichzelf geen bezwaar maakt.


2.4.

Nu de rechtbank geen reden ziet om de eiswijziging ambtshalve te weigeren, zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan van de gewijzigde eis.


2.5.

De rechtbank zal eerst de verder gebleken feiten vaststellen en daarna ingaan op enige door [eisers] naar aanleiding van het tussenvonnis gemaakte opmerkingen. Vervolgens komen de standpunten van partijen over de (on)rechtmatigheid van de collectieve actie aan de orde en in vervolg daarop de verbindendheid van de arbeidsovereenkomsten.


De verder gebleken feiten


2.6.

Op grond van hetgeen partijen voor en na het tussenvonnis over de toedracht van de collectieve actie hebben aangevoerd en uit de ter onderbouwing daarvan overgelegde - en in zoverre niet betwiste - stukken, staat als erkend of als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist het volgende vast.


2.6.1.

In november 2012 arriveerde de ‘Ocean Trader’ in de haven van Luleå.


2.6.2.

Op donderdag 8 november 2012 voerde de SEKO/ITF inspecteur Håkan [betrokkene1] in aanwezigheid van ITF-inspecteur Fredrik Brådd een routine-inspectie uit op het schip. De kapitein van het schip liet hun weten dat voor de ‘Ocean Trader’ geen collectieve arbeidsovereenkomst gold. Aan het verzoek van de inspecteurs om inzage in de geldende arbeidsovereenkomsten werd door de kapitein niet voldaan. De inspecteurs werden vervolgens benaderd door een aantal bemanningsleden. Twee bemanningsleden tekenden daarna (in geschil is of dit voor of na de collectieve actie is geschied) een volmacht aan [betrokkene1] als official van SEKO “to negotiate (...) any payment due to me and arising from my employment on the (...) vessel.”.


2.6.3.

Later diezelfde 8 november 2012 heeft [betrokkene1] namens SEKO een schriftelijk verzoek aan de kapitein overhandigd dat inhield, voor zover relevant:


To Whom It May Concern:


Re: Request for ITF Standard Agreement for Ocean Trader, Liberia, IMO No. [nummer]


The above vessel (...) is not covered by any ITF approved agreement.


SEKO hereby requests you to enter into negotiations for an ITF Special Agreement, covering all officers and ratings on board.


The ITF fees are USD 370 for each crew member.


We also request you to authorize the master, on behalf of the owner, to sign such an agreement for the vessel and to sign new employment contracts for the crew.


We are looking forward to your positive reply, but not later than 14:00 Friday 9th November 2012, local time.


If no agreement is signed, then we have no option but to consider what other measures are necessary to be taken.”.


2.6.4.

Vervolgens is telefonisch onderhandeld, rechtstreeks of via de kapitein, met Oceanic Christiane en haar vertegenwoordigers, zoals blijkt uit verklaringen van [betrokkene1] en de SEKO/ITF coördinator Annica Barning en uit e-mailverkeer tussen de manager van het schip, Oceanfleet Shipping, en de Zweedse advocaat Per-Olov Sköld die voor haar en Oceanic Christiane onderhandelde. Zijdens Oceanic Christiane is aangeboden om in plaats van een ITF Standard Agreement een TCC Agreement voor het schip te sluiten en om het salaris van de bemanning te verdubbelen. SEKO wees dit aanbod als onvoldoende af.


2.6.5.

Conform de interne besluitvormingsregels van SEKO heeft SEKO/ITF coördinator Barning vervolgens aan het Executive Committee van SEKO gevraagd om het mandaat om een collectieve actie te ondernemen. Dit mandaat is diezelfde dag nog verstrekt.


2.6.6.

Op vrijdag 9 november 2012 heeft Barning het Swedish National Mediation Office schriftelijk verwittigd dat vanaf 9 november 2012 om 13.00 uur een collectieve actie zou plaatsvinden in de vorm van een blokkade tegen nieuwe indienstnemingen en dat om ‘sympathy actions’ zou worden verzocht.


2.6.7.

Op diezelfde 9 november 2012 is aan de kapitein van de ‘Ocean Trader’ een ‘Notice of industrial action’ overhandigd waarin SEKO aanzegde dat zij, omdat tijdens onderhandelingen op 8 en 9 november 2012 geen ITF Special Agreement voor de bemanning kon worden bereikt, het voornemen had om een collectieve actie tegen het schip te beginnen in de vorm van een “Blockade against new employments of deck-, engine-, and catering personnel on board the ship” welke actie om 16.00 uur die dag in werking zou treden. Ook werd daarin aangezegd dat SEKO/ITF sympathy actions zou verzoeken van de andere vakbonden in de vorm van het weigeren het schip te beladen en/of te lossen, en het weigeren van sleepbootassistentie en dat deze zouden aanvangen om 22.00 uur die dag.


2.6.8.

Van 22.00 uur op vrijdagavond 9 november 2012 tot 6.00 uur op maandagochtend 12 november 2012 vonden, zoals ieder weekend, in de haven van Luleå geen stuwadoorswerkzaamheden plaats.


2.6.9.

Op 11 november 2012 hebben de kapitein en de officieren van het schip (waaronder [eiser1] en [eiser2]) een verklaring ‘to whom it may concern’ afgelegd, die erop neerkwam dat de kapitein onder protest een ‘Special Agreement’ en ITF-arbeidsovereenkomsten zou ondertekenen, zoals vastgesteld in het tussenvonnis onder 2.4.


2.6.10.

Op zondagmiddag/avond 11 november 2012 wordt aan boord van de ‘Ocean Trader’ de Special Agreement door de kapitein namens Oceanic Christiane getekend. De kapitein was die dag rond het middaguur per e-mail vanaf het adres ops@oceanfleet.gr namens Oceanic Christiane gemachtigd om deze overeenkomst onder protest te ondertekenen. De overeenkomst kreeg effect met ingang van 8 november 2012.


2.6.11.

SEKO/ITF coördinator Barning heeft vervolgens besloten de collectieve actie te beëindigen en heeft dit diezelfde dag doorgegeven aan het Executive Committee.


2.6.12.

Op maandagochtend 12 november 2012 zijn rond 10.00 uur de ITF-overeenkomsten aan boord getekend door de bemanning en de kapitein in aanwezigheid van [betrokkene1]. Ook deze kregen als ingangsdatum 8 november 2012.


2.6.13.

Op 14 november 2012, nadat het schip Zweden had verlaten, hebben kapitein en bemanning een protestverklaring afgelegd, zoals vastgesteld in r.o. 2.7 van het tussenvonnis.


2.6.14.

Per e-mail van 15 november 2012 heeft de kapitein aan onder andere ITF-Zweden (SEKO) mede namens de bemanning zijn beklag gedaan en verklaard dat aan de Special Agreement geen betekenis toekwam, zoals vastgesteld in r.o. 2.8 van het tussenvonnis.


De opmerkingen vooraf van [eisers]


2.7.

[eisers] heeft naar aanleiding van r.o. 4.25 en 4.26 van het tussenvonnis aangevoerd dat het geen eis van SEKO is geweest om aan de bemanning een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. Dit standpunt wordt als onjuist verworpen. Uit de onder 2.6.3, 2.6.4, 2.6.9 en 2.6.12 hierboven opgesomde feiten blijkt dat door SEKO wel degelijk op het ondertekenen van ‘new employment contracts for the crew’ is aangedrongen, dat over de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de bemanning is onderhandeld en dat uiteindelijk onder protest akkoord is gegaan met ondertekening van nieuwe arbeidsovereenkomsten, welke ten slotte zijn ondertekend in aanwezigheid van de SEKO/ITF-vertegenwoordiger [betrokkene1].


2.8.

Uit dezelfde feiten volgt dat het ondertekenen van de ITF-overeenkomsten als onderhandelingsresultaat van de collectieve actie valt te beschouwen, hetgeen [eisers] bestrijdt. Dat de collectieve actie formeel bezien reeds was beëindigd op het moment van ondertekening van de ITF-overeenkomsten maakt dit niet anders. Overigens is niet duidelijk of [gedaagden] van die formele beëindiging op de hoogte is gesteld.


2.9.

Of de Special Agreement wel of niet een derdenbeding ten gunste van [eisers] inhoudt, en of deze overeenkomsten naar Zweeds recht vernietigbaar zijn, kan ondanks de verdere opmerkingen daarover van [eisers] nog altijd in het midden blijven, omdat de Special Agreement geen rechtstreeks recht op betaling aan [eisers] toekent en dus niet als grondslag voor de ingestelde vordering kan dienen (vgl. r.o. 4.38 van het tussenvonnis).


De rechtmatigheid van de collectieve actie naar Zweeds recht


2.10.

Beide partijen, eerst [eisers], hebben opinies in het geding gebracht ter beantwoording van de vraag of de collectieve actie naar Zweeds recht rechtmatig of onrechtmatig was. [eisers] heeft zich beroepen op een opinie van de heer Stellan Gårde. Gårde moet blijkens zijn eveneens overgelegde c.v. als deskundig op het onderhavige terrein worden beschouwd en [gedaagden] heeft dat ook niet betwist.


2.11.

Uit het advies van Gårde komt niet naar voren dat het Zweedse recht slechts ten dele of terughoudend zou moeten worden toegepast op het onderhavige geval, waarin weinig aanknopingspunten met de Zweedse rechtssfeer bestaan (vgl. r.o. 4.30 tussenvonnis). Wel noemt hij kort dat het recht van de Europese Unie moet worden toegepast in zich daarvoor lenende gevallen, maar volgens Gårde is van zodanig geval hier geen sprake, omdat ‘defendants/Owners are non-EU companies’. Hij verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 juli 2014 in de zaak Fonnship A/S v Svenska Transportarbetareförbundet c.s., zaak C‑83/13, ECLI:EU:C:2014:2053 (Sava Star).

Gårde geeft aan dat het uit de Zweedse Grondwet voortvloeiende stakingsrecht uitsluitend mag worden beperkt indien daarvoor een contractuele of wettelijke basis bestaat. Omtrent een eventuele contractuele beperking is niets gesteld of gebleken. Een wettelijke beperking in bedoelde zin is te vinden in de Zweedse Co-determination Act (door Gårde afgekort als MBL). Gårde zet uiteen welke vereisten de MBL stelt, en motiveert en onderbouwt uitgebreid dat en waarom in dit geval aan de geldende vereisten is voldaan en uit de MBL geen verdere beperkingen voortvloeien.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis ook gevraagd om aandacht te besteden aan de naar Zweeds recht bij collectieve actie in acht te nemen zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’). Gårde gaat in op hetgeen in Zweden gebruikelijk is met betrekking tot het door een vakbond naar voren brengen van eisen aan een werkgever, het daaropvolgende onderhandelen en het aanzeggen van en overgaan tot collectieve actie. Na een weergave van hetgeen volgens zijn informatie in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, concludeert hij (op pagina 15 van zijn advies): ‘On the basis of the facts presented to me I conclude that SEKO has upheld the ‘rules of the game’ in the case of m.v. Ocean Trader and acted in accordance with Swedish law’.

Op pagina 16 van zijn advies concludeert Gårde, onder verwijzing naar Zweedse jurisprudentie en de hem gepresenteerde feiten, dat “the action was appropriate and necessary”.

Zijn eindconclusie luidt, voor zover relevant:


“The collective action of SEKO is lawful pursuant to Swedish law. The collective action falls within the scope of the constitutional rule Chapter 2:14, the collective action is decided about in an orderly fashion, the employer and the Swedish National Mediation Office are informed in accordance with the law, whilst the collective action is not prohibited by legislation or agreement. There is no argument supporting the finding that the collective action of SEKO would be unlawful according to Swedish law.”.


2.12.

[gedaagden] bestrijdt in haar antwoordakte de door [eisers] aan het advies van Gårde verbonden conclusies op verschillende punten.

Ten eerste stelt [gedaagden] dat SEKO het middel van de collectieve actie heeft ingezet om individuele arbeidsovereenkomsten af te dwingen, terwijl uit het advies van Gårde zou blijken dat een collectieve actie in Zweden mag worden benut om een Collective Bargaining Agreement te bewerkstelligen, maar niet om individuele arbeidsovereenkomsten af te dwingen. Dit maakt de collectieve actie onrechtmatig, aldus [gedaagden]

Ten tweede betwist [gedaagden] dat SEKO ten tijde van de collectieve actie reeds beschikte over de volmachten van bemanningsleden die [eisers] inmiddels bij akte heeft overgelegd.

Ten derde bestrijdt [gedaagden] dat het Europese recht niet van toepassing zou zijn op deze kwestie, en zij acht de opinie op dit punt onvolledig en misleidend. [gedaagden] stelt, samengevat, dat de collectieve actie - althans Zweedse wetgeving en jurisprudentie die deze toelaat - in strijd is met het bepaalde in verordening nr. 4055/86 (Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen), aan welke verordening voorrang toekomt. [gedaagden] verwijst in dit verband naar het arrest in de zaak Sava Star, aangehaald in r.o. 2.13, naar de door haar overgelegde opinie van de Zweedse advocaten Per-Olov Sköld en Jonas Lindblad van 2 december 2014, en naar de artikelen E en G van het ESH.

Ten vierde is het volgens [gedaagden] onrechtmatig - want in strijd met verordening nr. 4055/86 - dat SEKO in eerste instantie de eis stelde dat er een TCC contract kon worden afgesloten indien nog drie andere door Oceanfleet Shipping gemanagede schepen een TCC contract zouden aangaan.


(1) Het beroep op strijd met het recht van de Europese Unie


2.13.

De rechtbank zal eerst het beroep op verordening 4055/86 beoordelen. Immers, indien de collectieve actie, ook als deze naar (intern) Zweeds recht rechtmatig moet worden geacht, strijd oplevert met verordening nr. 4055/86, dan is de collectieve actie mogelijk onverenigbaar met het Unierecht. In de zaak Sava Star heeft het Hof van Justitie immers overwogen dat verordening nr. 4055/86 in wezen uitvoering geeft aan de bepalingen van het E(E)G-Verdrag inzake het vrij verrichten van diensten en de daarop betrekking hebbende rechtspraak en dat elke beperking die zonder objectieve rechtvaardiging het verrichten van die diensten verbiedt, onverenigbaar met het Unierecht moet worden verklaard (r.o. 41).


2.14.

De rechtbank zal eerst onderzoeken of Oceanic Christiane valt binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 4055/86. Artikel 1 van de verordening luidt, voor zover relevant:


“1. Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid‑Staten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de Lid-Staten die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht.


2. Deze verordening geldt eveneens voor de onderdanen van de Lid-Staten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een Lid-Staat, indien hun schepen in deze Lid-Staat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die Lid-Staat.


2.15.

Oceanic Christiane is niet gevestigd in een Lid-Staat als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de verordening, maar in Liberia. Zij valt dus niet binnen het toepassingsbereik van de verordening op grond van dit eerste lid.


2.16.

Of Oceanic Christiane kwalificeert als een door EU-onderdanen gecontroleerde scheepvaartonderneming als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de verordening (zij stelt zonder concretisering of onderbouwing dat haar aandeelhouders ingezetenen zijn van onder meer Cyprus) kan in het midden blijven. Het tweede lid leidt immers slechts tot toepassing van de verordening indien de schepen van zulke scheepvaartondernemingen zijn geregistreerd in en conform de wetgeving van de betreffende lidstaat (hier: Cyprus). Nu de Ocean Trader is geregistreerd in Liberia is aan deze voorwaarde niet voldaan. Oceanic Christiane valt daarom evenmin binnen het toepassingsbereik van de verordening op grond van dit tweede lid.


2.17.

[gedaagden] stelt echter dat Oceanfleet Shipping een scheepvaartonderneming is in de zin van de verordening. Zij stelt dat Oceanfleet Shipping (i) de ‘beneficial owner’ is van de Ocean Trader, (ii) gevestigd is in Griekenland, (iii) met het schip zeevervoersdiensten aanbiedt mede ten behoeve van ingezetenen van de Europese Unie, en (iv) (onder meer) Cypriotische aandeelhouders heeft. [gedaagden] citeert ter onderbouwing van haar standpunt de opinie van Sköld en Lindblad waarin staat dat Oceanic Christiane ‘has assigned the management of the vessel to the company based in Greece and with only Greek directors, Ocean Fleet Shipping Ltd.’ en ook ‘that the “beneficial owners” of the vessel are established in an EU member state (Cyprus), the legal entity managing the vessel is established in an EU member state (Greece)”.

Naar de rechtbank begrijpt, maar verder niet is toegelicht, meent [gedaagden] dat zij zich onder de gestelde omstandigheden in deze procedure namens en ten behoeve van Oceanfleet Shipping kan beroepen op het vrij verrichten van zeevervoersdiensten, ofschoon Oceanfleet Shipping geen procespartij is.


2.18.

Uit hetgeen in r.o. 2.16 is overwogen over de registratie van de Ocean Trader in Liberia volgt dat ook Oceanfleet Shipping niet binnen het toepassingsbereik van de verordening kan vallen op grond van artikel 1 lid 2 van de verordening.


2.19.

Aldus blijft ter beoordeling over of Oceanfleet Shipping binnen het toepassingsbereik van de verordening valt op grond van artikel 1 lid 1 daarvan. Daarvoor is vereist, kort gezegd, dat Oceanfleet Shipping in een Lid-Staat is gevestigd en zeevervoersdiensten aanbiedt als bedoeld in de verordening.


2.20.

Dat Oceanfleet Shipping, zoals [gedaagden] stelt, als ‘beneficial owner’ van het schip heeft te gelden, is niet geconcretiseerd of onderbouwd en lijkt op grond van de eigen stellingen en stukken van [gedaagden] onjuist. Dat er enige tot beneficial ownership van Oceanfleet Shipping strekkende overeenkomst bestaat waarin is overeengekomen dat Oceanfleet Shipping het schip zal exploiteren of anderszins daarmee voor eigen rekening en risico vervoersdiensten mag verrichten, is niet gesteld of gebleken. Tijdens het uitgebreide debat dat leidde tot het tussenvonnis, is Oceanfleet Shipping door [gedaagden] uitdrukkelijk als “slechts de manager” van het schip gepresenteerd en heeft [gedaagden] uitdrukkelijk gesteld “Zij heeft, anders dan dat, geen enkele relatie of contact met gedaagden” (antwoordakte 13 november 2013 onder 5).

Bij de aangehaalde antwoordakte is een e-mail van Sköld van 9 november 2012 overgelegd aan Oceanfleet Shipping waarin voor zover relevant staat “managers and beneficial owners are Greece and Cyprus respectively”.

Ook in de opinie van Sköld is te lezen:


“For the purposes of this opinion, we have relied on the following information provided and confirmed by Oceanic Christine:

(a) In the present case the registered owner of the vessel m/v Ocean Trade is the Liberian company, Oceanic Christine. The “beneficial owners” of the vessel are, however, established in the EU. The registered owner, Oceanic Christine, has further assigned the management of the vessel to the company based in Greece and with only Greek directors, Ocean Fleet Shipping Ltd. (...)”. [cursivering rechtbank’]


[gedaagden] heeft in haar citaat van deze opinie het woord ‘further’ weggelaten, terwijl dit essentieel is voor het daarmee aangebrachte onderscheid tussen enerzijds de kennelijk te Cyprus gevestigde ‘beneficial owners’ en anderzijds Oceanfleet Shipping als manager.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank onaannemelijk dat Oceanfleet Shipping ‘beneficial owner’ van de Ocean Trader zou zijn.


2.21.

Dat Oceanfleet Shipping om andere redenen dan uit hoofde van een ‘beneficial ownership’ vervoersdiensten met het schip verricht, is evenmin aannemelijk geworden. Weliswaar staat vast dat Oceanfleet Shipping ‘manager’ is van het schip, maar wat deze rol in dit geval concreet inhoudt of welke contractuele afspraken tussen haar en Oceanic Christiane zijn gemaakt is niet toegelicht of gebleken. Duidelijk is wel dat niet Oceanfleet Shipping maar [gedaagden] zelf de bemanning in dienst heeft genomen terwijl een - kennelijk te Cyprus gevestigde - derde de ‘beneficial owner’ van de Ocean Trader lijkt te zijn.


2.22.

Onder de in r.o. 2.20 en 2.21 weergegeven omstandigheden en bij gebreke van verdere aanknopingspunten ziet de rechtbank onvoldoende grond om Oceanfleet Shipping als aanbieder van zeevervoersdiensten als bedoeld in de verordening te beschouwen. Reeds hierom valt Oceanfleet Shipping niet binnen het toepassingsbereik van de verordening op grond van artikel 1 lid 1 daarvan.


2.23.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven:

  • - i) of Oceanfleet Shipping is gevestigd in Griekenland als bedoeld in de verordening, nu in r.o. 4.12 van het tussenvonnis reeds is vastgesteld dat zij is gevestigd op de Marshall Eilanden maar kantoor houdt in Griekenland,
  • - ii) of Oceanfleet Shipping in Griekenland een duurzame vestiging heeft van waaruit zij voor onbepaalde tijd een economische activiteit uitoefent, voor de toepassing van de verordening moeten worden beschouwd als een vennootschap die valt gelijk te stellen aan een onderdaan van Griekenland (vgl. HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, ECLI:EU:C:2006:544, onder 54; HvJ 15 september 2011, Dickinger en Ömer, C-347/09, ECLI:EU:C:2011:582, onder 35),
  • - iii) of een van rechten van derden af te leiden beroep op de verordening onder andere omstandigheden zou kunnen slagen,
  • - iv) of sprake is van het verrichten van zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid‑Staten en derde landen als bedoeld in de verordening.

(2) Het beroep op onderhandelen in strijd met verordening nr. 4055/86


2.24.

Nu verordening nr. 4055/86 toepassing mist op dit geval kunnen de bepalingen van deze verordening niet, zoals [gedaagden] stelt, afdoen aan de rechtmatigheid van de collectieve actie in Zweden. Dit brengt ook mee dat een eventuele aanvankelijke eis van SEKO over TCC contracten niet is strijd met de verordening en daarom onrechtmatig kan zijn geweest, zoals [gedaagden] stelt.


(3) Het beroep op strijd met het Zweedse recht


2.25.

[gedaagden] stelt - naar de rechtbank haar standpunt begrijpt - dat SEKO onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij [gedaagden] door middel van een collectieve actie heeft bewogen om met de bemanning van de ‘Ocean Trader’ individuele arbeidsovereenkomsten te sluiten terwijl:

- SEKO ten tijde van de collectieve actie niet beschikte over volmachten daartoe van de bemanningsleden,

- SEKO niet in haar statuten (“doelstelling”) heeft staan dat zij individuele ITF-arbeidscontracten kan bewerkstelligen, en

- een vakorganisatie als SEKO naar Zweeds recht slechts collectieve actie mag voeren om tot een collectieve arbeidsovereenkomst te geraken (en niet tot individuele arbeidscontracten).

Van dit onrechtmatig handelen van SEKO heeft [eisers] misbruik gemaakt, aldus [gedaagden]

De rechtbank overweegt het volgende.


2.26.

Uit de vaststaande feiten blijkt dat SEKO een collectieve actie heeft gevoerd c.q. doen voeren met als kennelijk voornaamste doel dat [gedaagden] een “ITF Approved Agreement (...) for the vessel” zou sluiten (vgl. r.o. 2.6.3). Uit het advies van Gårde blijkt dat SEKO daartoe ingevolge de regels van Zweeds recht in beginsel gerechtigd was en [gedaagden] bestrijdt dit ook niet.


2.27.

Uit de bewoordingen van de als productie xxvi door [eisers] overgelegde volmachten (“authorization document”) blijkt dat enkele daarvan aan SEKO zijn verleend voordat SEKO de collectieve actie ging voeren:


“I the undersigned (Jimmy M. Jabile) crewmember of the Liberian flag vessel Ocean Trader (...) hereby authorize Hakan [betrokkene1] official of the SEKO (...) to negotiate (...) on my behalf (...). This includes acting on my behalf against the owners, managers, manning agent or any other person with the status of employer or with the responsibility for pay and working conditions.”


Deze bewoordingen geven aan dat de gemachtigde zijn bemoeienissen in de toekomst zal uitvoeren. Die bewoordingen duiden er niet op dat de gemachtigde al heeft opgetreden namens de volmachtgever. In de verklaring van SEKO/ITF-inspecteur [betrokkene1] van 19 augustus 2014 (productie xxxiii van [eisers]) wordt bevestigd dat bemanningsleden hem al op 9 november 2012 hadden gemachtigd:


“(...) Routine inspection initiated and conducted November 9th 2012 by ITF Inspector Håkan [betrokkene1], representing SEKO and ITF Inspector Fredrik Brådd, representing Swedish Transport Workers Union. (...) Captain is asked whether the vessel is covered by any Collective Agreement. We are informed that the vessel is not covered by any type of Collective Agreement. (…) When we are about to leave some crewmembers are seeking our attention. They want to inform us about terms and conditions of their employment. (…) We inform crewmembers that we need them to sign a “Power of Attorney”. This is an authorization form which gives us the right to represent them, some Ratings did sign the document.”


[gedaagden] heeft haar standpunt dat die volmachten pas later (pas na afloop van de collectieve actie) zijn ondertekend niet feitelijk onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan verder voorbij gaat.


2.28.

Voor zover SEKO volgens haar statuten c.q. doelstelling niet gerechtigd zou zijn ook de individuele belangen van de bemanningsleden te behartigen, is zij met die volmachten in de positie gekomen om dat wel te doen. [gedaagden] voert immers niet aan dat die volmachten daartoe onvoldoende waren. Zodoende mocht SEKO ook de individuele belangen van de bemanningsleden behartigen in het kader van haar collectieve actie om tot een collectieve ITF Special Agreement te geraken. Waarom onder die omstandigheden het optreden van SEKO jegens [gedaagden] onrechtmatig zou zijn indien daarbij een statutaire doelomschrijving zou zijn overschreden, is onvoldoende toegelicht.


2.29.

In het kielzog van de totstandkoming van de Special Agreement op 11 november 2012 volgde op 12 november 2012 de ondertekening van de individuele ITF-arbeidsovereenkomsten door de bemanningsleden.


2.30.

Uit het bovenstaande volgt dat, anders dan [gedaagden] betoogt, het niet zo was dat SEKO op eigen houtje en zonder opdracht van de bemanningsleden een collectieve actie heeft gevoerd c.q. doen voeren om [gedaagden] te bewegen tot het sluiten van slechts individuele arbeidsovereenkomsten met de bemanningsleden. Daarop stuit dat betoog af en dus ook het daarop steunende verwijt van onrechtmatig gedrag van SEKO.


(4) Tussenconclusie


2.31.

Nu hetgeen [gedaagden] heeft aangevoerd onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de collectieve actie onrechtmatig was, terwijl [eisers] overtuigend heeft betoogd dat en onderbouwd waarom de collectieve actie wel rechtmatig moet worden geacht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de collectieve actie rechtmatig is geweest.

Nu de onder (1) tot en met (3) besproken standpunten van [gedaagden] worden verworpen, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eisers] nog om een reactie daarop te vragen.

Zoals in r.o. 4.34 van het tussenvonnis is overwogen, kan het beroep op vernietiging van de ITF-overeenkomsten onder deze omstandigheden niet slagen. Dit betekent dat de rechtbank nu moet oordelen over de verbindendheid van de nieuwe POEA-overeenkomsten (zie r.o. 4.5, 4.6 en 4.34 van het tussenvonnis).


De verbindendheid van de nieuwe POEA-overeenkomsten


2.32.

[eisers] stelt ten eerste dat de nieuwe POEA-overeenkomsten nietig zijn omdat artikel 35 van het ITF Standard Collective Agreement, dat deel uitmaakt van de ITF-overeenkomsten, aan [gedaagden] verbiedt om afwijkende documenten dan wel slechtere arbeidsvoorwaarden aan te bieden op straffe van nietigheid van een dergelijk document.

[eisers] stelt ten tweede dat de overeenkomsten zijn gesloten zonder dat wilsovereenstemming bestond, en dat deze zijn afgedwongen onder invloed van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden. In het bijzonder stelt [eisers] dat deze zijn gesloten door de bemanningsleden met ‘blacklisting’ te bedreigen althans door misbruik van omstandigheden te maken.

Ten derde acht [eisers] de nieuwe POEA-overeenkomsten in strijd met het Maritiem Arbeidsverdrag dan wel artikel 3 lid 1 ILO Conventie 22.


2.33.

De vraag naar de verbindendheid van de nieuwe POEA-overeenkomsten moet, gelet op de feiten en het in het tussenvonnis weergegeven kader, worden beoordeeld naar Filippijns recht. Van belang daarbij is dat de nieuwe POEA-overeenkomsten een rechtskeuze inhouden voor het Filippijnse recht, en dat de relevante feiten voor de nieuwe POEA-overeenkomsten in wezen gelijk zijn aan die welke in het tussenvonnis zijn opgesomd in r.o. 4.12, met dien verstande dat de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn gesloten in Griekse wateren. Deze feiten leiden tot dezelfde conclusies als ten aanzien van de eerste POEA-overeenkomsten, namelijk tot de toepasselijkheid van het Filippijnse recht. Dat de overeenkomsten zijn gesloten in Griekse wateren is onvoldoende om een ander oordeel te rechtvaardigen.


2.34.

Om de redenen vermeld in r.o. 4.24 van het tussenvonnis zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen en met partijen aannemen dat dit tot dezelfde uitkomsten leidt als toepassing van het Filippijnse recht met betrekking tot wilsovereenstemming en wilsgebreken.


2.35.

De rechtbank verwerpt het beroep van [eisers] op nietigheid van de nieuwe POEA-overeenkomsten wegens strijd met artikel 35 van het ITF Standard Collective Agreement. Deze bepaling luidt, voor zover relevant:


“The Company undertakes not to demand or request any Seafarer to enter into any document whereby, by way of waiver of assignment or otherwise, the Seafarer agrees or promises to accept variations to the terms of this Agreement (...) and the Company agrees that any such document already in existence shall be null and void and of no legal effect.”.


Nog daargelaten dat het beginsel van contractsvrijheid meebrengt dat partijen in beginsel vrij zijn om eerder tussen hen gemaakte afspraken later met wederzijds goedvinden te herzien (en redenen om van dit uitgangpunt af te wijken zijn niet gesteld of gebleken) blijkt uit de bewoordingen van de ingeroepen bepaling (“any such document already in existence shall be null and void”) dat deze slechts kan leiden tot nietigheid van op het moment van aangaan van de ITF-overeenkomsten reeds bestaande documenten. Er zijn geen aanknopingspunten aangevoerd voor een andere uitleg van deze bepaling. Nu de nieuwe POEA-overeenkomsten pas nadien zijn gesloten, kan de ingeroepen bepaling niet tot de door [eisers] beoogde nietigheid leiden.


2.36.

De rechtbank verwerpt ook het beroep van [eisers] op het Maritiem Arbeidsverdrag en de ILO Conventie 22. In het tussenvonnis is reeds overwogen dat [eisers] aan het Maritiem Arbeidsverdrag geen rechten kan ontlenen. De stellingen over artikel 3 lid 1 ILO Conventie 22 (Verdrag betreffende de arbeidsovereenkomst van schepelingen (1926), welke bepaling luidt ‘Articles of agreement shall be signed both by the shipowner or his representative and by the seaman. Reasonable facilities to examine the articles of agreement before they are signed shall be given to the seaman and also to his adviser.’) staan in het hier bedoelde geval niet aan de verbindendheid van de nieuwe POEA-overeenkomsten in de weg, reeds omdat de Filippijnen geen partij zijn bij dit verdrag en het Filippijnse recht deze overeenkomsten beheerst. Dat en waarom deze regel desondanks zou gelden in het onderhavige geval is niet toegelicht. Voor toepassing van het ingeroepen artikel als voorrangsregel ziet de rechtbank bij gebreke van voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer geen aanleiding.


2.37.

Aldus resteert de vraag of de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn gesloten onder invloed van bedreiging dan wel van misbruik van omstandigheden.

[eisers] stelt in dit verband in zijn akte van 18 september 2013 (waarvan een concept reeds voor de comparitie beschikbaar was):

  • - dat de kapitein na vertrek uit Zweden de ITF-overeenkomsten van de bemanning heeft afgenomen;
  • - dat hij daarbij dreigde de bemanningsleden in de Filippijnen op de zwarte lijst te laten plaatsen;
  • - dat dit in de praktijk betekent dat wie op de zwarte lijst staat geen arbeidsperspectief meer heeft in de zeevaartsector;
  • - dat het hanteren van deze zwarte lijst door scheepseigenaren, uitzendbureaus en arbeidsbemiddelaars algemeen bekend is;
  • - dat omstreeks 18 november 2012 het schip voor anker ging voor de Griekse kust en de zoon van de Griekse ‘beneficial owner’ [eisers] onder dreiging van plaatsing op de zwarte lijst dwong de nieuwe POEA-overeenkomsten te tekenen;
  • - dat daarbij geen tolken of onafhankelijke derden aanwezig waren en het [eisers] niet was toegestaan om onafhankelijk advies in te winnen;
  • - dat [eisers] ook geen exemplaar van de getekende POEA-overeenkomsten hebben gekregen.

2.38.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eisers] door [eiser1], [eiser2], Jabile en Dogoldogol ondertekende verklaringen overgelegd. Alle vier verklaringen zijn mede ondertekend en gestempeld door een ‘notary public’ op de Filippijnen en op de verklaringen van [eiser1] en Jabile is uitdrukkelijk vermeld dat, en waar en wanneer, deze verklaringen onder ede ten overstaan van de betreffende “notary public” zijn afgelegd en ondertekend.

In iedere verklaring staat, voor zover relevant:


“ After signing the ITF-contract the Ship left the harbour of Luleå, Sweden. Immediately thereafter, the Captain of the Ship, Master Ilie Utapan, seized the ITF-contract and clarified that I must comply to his order, otherwise I would be ‘blacklisted’ and never be employed as a seafarer on a vessel again;

  • - I felt threatened and intimidated because of the aggressive attitude of the Captain;
  • - The Ship sailed directly to the Republic of Greece and anchored in the vicinity of Kalamata;
  • - Shortly after anchoring a Greek man boarded the Ship, supposedly a son of the Owner, who threatened us, the crewmembers of the Ship, without providing any further information, to sign a new employment contract (similar to the former employment contract of (...) 2012) as well as a statement that declared the ITF-contract to be null and void (...);
  • - At that moment no interpreter or person who spoke both the Greek and the Philippine language was aboard the Ship. I was not allowed to obtain advice (...) on this matter, as a result of which I did not fully comprehend the content of both documents;
  • - The Greek man threatened us, the crewmembers of the Ship, that if we did not sign both documents instantly, we would be ‘blacklisted’ and therefore never be employed on any vessel again;
  • - I felt threatened and intimidated and I felt forced to sign this employment contract as well as the proposed Statement;
  • - I did not receive any copy of this employment contract nor of the Statement;
  • - I did not receive payment in accordance with the ITF-contract (...) for which reason I sought legal assistance and instructed my representatives to arrest the Ship on 14 February 2013.”.

Iedere verklaring vermeldt ook dat de betrokkene daags na het inroepen van juridische bijstand is gerepatrieerd, in het geval van Jabile met de toevoeging “contrary to the expiration date of the ITF-contract”.


2.39.

Hiertegenover staat het standpunt van [gedaagden] Zij betwist het bestaan van een zwarte lijst en ook dat sprake is geweest van bedreiging of misbruik van omstandigheden.

Hoewel [gedaagden] niet betwist dat ‘de zoon van de eigenaar’ (zoals zij verklaarde ter comparitie) althans ‘een Griekse persoon’ (zoals zij deze aanduidde bij antwoordakte) bij Kalamata aan boord is geweest, betwist zij dat deze persoon iets met de nieuwe POEA-overeenkomsten van doen heeft gehad. Deze zijn volgens haar opgesteld in Manilla en door de Griekse agent van Oceanic Christiane aan boord gebracht. Wat de hiervoor bedoelde persoon precies aan boord kwam doen, heeft [gedaagden] niet toegelicht.

[gedaagden] betoogt dat de ITF-overeenkomsten zijn herroepen en de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn aangegaan omdat de goed opgeleide bemanning een vrijwillige afweging heeft gemaakt van enerzijds de belangen van hun werkgever(s)n en anderzijds hun eigen belangen op de langere termijn, mede gelet op hetgeen op de Filippijnen als marktconforme beloning geldt. Dit betoog komt erop neer dat de bemanning zich niet ‘uit de markt wilde prijzen’ en weloverwogen het hun ongevraagd door SEKO opgedrongen - voordeel op de korte termijn opgaf ten gunste van perspectief op langdurig werk.

[gedaagden] heeft ook aangevoerd dat tot aan de beslaglegging op het schip te Rotterdam niet door [eisers] is geklaagd, niet om aanvullende betaling is gevraagd en ook steeds de maandelijkse loonstaten (conform de nieuwe POEA-overeenkomsten) voor akkoord zijn getekend.


2.40.

[gedaagden] heeft ter ondersteuning van haar standpunt bij antwoordakte een aantal verklaringen overgelegd van andere bemanningsleden van de Ocean Trader uit de bewuste periode. Sommige daarvan zijn afgelegd onder ede ten overstaan van een ‘notary public’ op de Filippijnen, andere zijn kennelijk op schrift gesteld door de kapitein van het schip waar het betrokken bemanningslid op dat moment voer, waaronder de Ocean Trader. In verschillende bewoordingen wordt daarin verklaard dat de betrokken zeeman nooit is gedwongen, bedreigd of onder druk gezet om de ITF-overeenkomsten te verwerpen en de nieuwe POEA-overeenkomsten te ondertekenen. Een aantal bemanningsleden verklaart de ITF-overeenkomsten eigener beweging te hebben verworpen uit verbolgenheid over de ongevraagde inmenging van SEKO/ITF. Op hetgeen zich nabij Kalamata heeft afgespeeld wordt in deze verklaringen niet specifiek ingegaan.


2.41.

Nu twee gemotiveerde en onderbouwde standpunten tegenover elkaar staan en op [eisers] de bewijslast rust, zal de rechtbank aan [eisers] opdragen feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat bij de totstandkoming van de nieuwe POEA-overeenkomsten sprake is geweest van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden.


2.42.

Indien het bewijs wordt geleverd, dan zal de rechtbank - tenzij bijzondere bijkomende omstandigheden aanleiding zouden geven voor een ander oordeel - oordelen dat sprake is geweest van bedreiging of van misbruik van omstandigheden en is daarom aan de nieuwe POEA-overeenkomsten de werking ontvallen doordat [eisers] deze heeft vernietigd. De rechtbank betwijfelt immers niet dat, indien de gestelde gedragingen hebben plaatsgevonden, deze van invloed zijn geweest op de totstandkoming van de nieuwe POEA-overeenkomsten.

In het midden kan blijven of er concreet een zwarte lijst bestaat en of [gedaagden] daarvan gebruik heeft kunnen maken. Voldoende is dat [eisers] een mededeling van die strekking als een concreet dreigement heeft kunnen opvatten. Hieraan twijfelt de rechtbank niet, nu haar ambtshalve bekend is dat zeelieden veelal in een afhankelijke positie ten opzichte van hun werkgever verkeren. Daarbij komt nog dat [eisers] heeft gesteld dat alle eisers kort na beslaglegging te Rotterdam zijn gerepatrieerd en nog immer geen nieuw werk hebben gevonden, hetgeen door [gedaagden] niet althans onvoldoende is weersproken.


2.43.

Voor het in r.o. 2.42 bedoelde geval wordt van partijen verwacht dat zij in hun eerste schriftelijke processtuk na bewijslevering niet alleen ingaan op de vraag of het bewijs is geleverd, maar ook ingaan op de omvang van de vorderingen voor zover deze nog niet afdoende zou zijn besproken.


2.44.

Als [eisers] niet slaagt in het leveren van het bewijs, dan moet ervan worden uitgegaan dat de nieuwe POEA-overeenkomsten verbindend zijn. Gevolg daarvan is dan dat de ITF-overeenkomsten door de nieuwe POEA-overeenkomsten zijn achterhaald, en dat de vorderingen niet kunnen worden gegrond op de ITF-overeenkomsten. In dit geval moeten de vorderingen worden afgewezen, met uitzondering van hetgeen reeds aan de heer [eiser2] is toegewezen.


2.45.

De rechtbank zal voorafgaande aan de bewijslevering een comparitie gelasten om met (de raadslieden van) partijen te overleggen over de wijze waarop bewijslevering zal kunnen plaatsvinden, en met name over de vraag of en hoe binnen of buiten Nederland getuigen zullen worden gehoord. Voorts zal die comparitie kunnen worden benut voor het onderzoeken of een minnelijke regeling inmiddels tot de mogelijkheden behoort. Als geen minnelijke regeling wordt getroffen kunnen partijen desgewenst aangeven welke kwesties buiten het te leveren bewijs in hun visie nog aan de orde zouden moeten komen in het vervolg van de procedure.


2.46.

Ieder verder oordeel wordt aangehouden.



3De beslissing

De rechtbank


3.1.

draagt [eisers] op om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat bij de totstandkoming van de nieuwe POEA-overeenkomsten sprake is geweest van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden,


3.2.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan als rechter-commissaris in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125 op 1 juni 2015 van 13.00 tot 14.00 uur,


3.3.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de - [adres] om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de maanden mei tot en met september 2015,


3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.




Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. P.C. Santema en W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.


1885/32/1928